MEDITATIE
En Filippus deed zijnen mond open en beginnende van die Schrift verkondigde hem Jezus. Hand. 8 vs. 35.
Wanneer wij in onze dagen nog eens spreken over de dingen van Gods Koninkrijk, dan wordt altijd dezelfde klacht vernomen : „Wat beleven wij donkere, dorre tijden". Dan wordt de verzuchting nog wel eens vernomen : „Heere is Uw arm verkort en Uw hand niet meer uitgebreid ? " En naar die mate de toestand is, waarin men voor zichzelf verkeeren mag, naar die mate worden Gods daden gedurig beoordeeld.
Is het dat men voor zichzelf in het donker neerzit, dan meent men, dat de Heere heeft opgehouden genadig te zijn, dan wordt men er wel eens korzelig tegen in, als anderen spreken over de daden des Heeren. Doch omgekeerd, als men proeven en smaken mag, dat de Heere goed is, dan mag men wel eens zooveel in den Heere zien, dat men uitroept: „Heere, Gij zijt toch dezelfde machtige, voor Wien niets in den weg staat, die maar te spreken hebt en het is er en te gebieden en het staat er. Hij is de Almachtige, doch ook de Vrijmachtige, die met het Zijne doet naar Zijn vrijmachtig welbehagen, die van dor stof zich bedient tot opening van de oogen der blinden, die Zijne dienstknechten uitzendt en tot den eenen zegt: „Ga, en hij gaat en tot den anderen : kom en hij komt".
De geschiedenis, waaraan het bovengenoemde woord ontleend is, is wel bekend. Een Moorman, een kamerling, een machtig heer van Candacé, de Koningin der Mooren, was gekomen om aan te bidden te Jeruzalem. En hij keerde wederom en zat op zijnen wagen en las den profeet Jesaja.
Als wij dit woord lezen, dan vragen wij ons af : Hoe kwam hij aan de kennis van Jehovah ? Had de Heere daarginds in dat verre land ook nog van Zijne kinderen ?
Ja, wat komt het toch treffend uit, dat het eenmaal een schare zal wezen, die verzameld is uit alle geslachten, talen, volken en natiën. De Heere zegt tot het Noorden : Geef, en tot het Zuiden : Houd niet terug. En de Geest des Heeren dreef Filippus uit, opdat deze kamerling onderricht zou ontvangen. En Filippus was gegaan. Het was de Geest des Heeren, die hem zoo gewillig maakte. En toen hoorde Filippus den kamerling lezen dat bekende woord uit Jesaja 53 : Als een lam is Hij ter slachting geleid en als een schaap, dat stemmeloos is voor dien, die het scheert, alzoo deed Hij Zijnen mond niet open.
En toen had Filippus gvraagd : Verstaat gij ook wat gij leest ? En op deze vraag antwoordde de kamerling : Hoe zou ik toch kunnen, zoo mij niet iemand onderrichte ?
Nu verstond Filippus, waarom hij deze woeste weg gaan moest, want hij opende zijnen mond. God, de Heilige Geest, had hem gezonden; hij ontving opening des monds en beginnende van ie Schrift, verkondigde hen Jezus. Een rijke stof was het. Hij heeft gesproken van den Chritsus, als van het Lam Gods, dat Gode aangename offer, van Hem, die in de volheid des tijds af-en nedergedaald is. Is dat geen wonder, dat Hij de eerlijkheid heeft prijsgegeven om hier als de man van Smarten rond te dolen ? Wanneer ik vroeg : wat beschouwt gij als het grootste wonder ? , mij dunkt, dan werden daarop verschillende antwoorden gegeven.
De een zou zeggen : De schepping uit niet In des dagen, beschouw ik als het grootste wonder. En zeker, dat is ook alles even wonderlijk en groot. Psalm 19 zegt: De hemelen vertellen Gods eer en het uitspansel verkondigt Zijner handen werk. De dag aan den dag stort overvloediglijk sprake uit en de nacht aan den nacht toont wetenschap.
Doch een ander zal zeggen : het grootste wonder bestaat hierin, dat God mij bekeerd heeft. Ja, dat is groot. Laten wij dat eens 'bedenken, een doode levend gemaakt, een blinde het gezicht ontvangen, een die naar God nooit gevraagd heeft, als een misdadiger gearresteerd en tot stilstand gezet op den breeden weg des verderfs.
Is dat niet groot, dat Saulus stil gezet werd en tot een prediker gemaakt, en dat een Moorman, een heiden, een, die de knieën voor de afgoden boog, een kind van God geworden is ?
Ja, een wonder is dat, waar de eeuwigheid niet te lang voor wezen zal om daarvoor den Heere eeuwig groot te maken en te verheerlijken.
Maar toch, hoe groot deze dingen zijn mogen, het grootste wonder is, dat God Zijnen lieven Zoon heeft gegeven. Waarlijk, daarin blikken de engelen tevergeefs. Of is dat niet wonderlijk, dat God voor doemschuldigen, die wel den dood en niet het leven verdiend hebben. Zijn eigen kind geeft, dat Hij Zijn kind overgeeft aan de smaad der wereld, overgeeft aan de hel, zoodat Zijn eigen kind dé helsche angsten smaken moest als Hij kermend aan het kruis uitroept : „Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten ? "
Hij was toch Zijn eigen kind, het was de Zoon van Zijn eeuwige liefde. En die Zoon, dat kind geeft God de Heere over voor een volk, dat van Hem niet weten wilde.
Waarlijk, als we dit overdenken en wij mogen er ondervindelijk iets van voor ons hart smaken, dan zeggen wij : „Ja, Heere, dat is het wonder der wonderen, dat ; niet doorgrond kan worden". En dan zegt Paulus, Alss God de Heere Zijn Kerk zoo lief heeft, dat Hij dat wonder der wonderen doet, zou Hij dan met Hem niet alle dingen schenken ?
Als Fiippus van die Schriften begon te spreken, dan begon hij van dat goddelijk Raadsbesluit, dat onwankelbaar vaststaat en waartegen slechts vruchteloos satan en wereld en zondemacht in verzet kan komen. Tot Hem heeft de Vader gesproken : Eisch van Mij, Ik zal de heidenen geven tot Uw erfdeel en de einden der aarde tot Uwe bezitting".
Van Hem sprak in den ouden dag de profeet : „Het is gering, dat Gij mij een knecht woudt zijn om op te richten de stammen Jacobs en om weder te brengen de bewaarden in Israël. Ik heb u ook gegeven tot een licht der heidenen".
God voert Zijn raad uit en die raad is de heilsraad tot behoudenis van een in zichzelf gansch verloren volk, dat in Christus zijne zaligheid vindt, maar dan ook gedurig ervaart; dat Hij verheerlijkt wordt in het minder worden der Zijnen, die Ieeren verstaan niets te zijn in zichzelf, opdat Hij hun alles wezen zou.
Als Jezus maar gepredikt wordt. Hij overwint. Zijn Woord dringt door. De Heere wrocht mede. Satan, wereld en zondemacht worden neergeslagen. Dat is ten allen tijde gebleken en dat zal verder blijken, 't Is waar, de mensch wil zijn eigen zaligmaker zijn, zichzelf behouden, in eigen kracht den hemel bestormen.
Maar in al Zijn gekenden zal Christus alle hoogmoed des menschen vernederen en alle eigen gerechtigheid doen verzinken, opdat Hij alleen verheerlijkt worde, want Hij moet wassen, en zal in al de Zijnen worden het Eén en het Al, zoodat hun danklied voor de verkregen verlossing zich het hoogst zal verheffen, wanneer 'het in blijden jubel juicht: Door U, door U alleen, om het eeuwig welbehagen.
Dan wordt die Jezus beminnelijk, noodzakelijk en onmisbaar. Zalig, wie dat met dien kamerling verstaan mag. Want, wat voor dien kamerling eerst onmogelijk was, als hij zei: Hoe zou ik het verstaan, als ik niemand heb, en daarmee zijn onmacht beleed, dan wordt het zoo gemakkelijk, zoo eenvoudig, als hij door des Heeren vrije genade, den Heere in Zijn goedheid te aanschouwen krijgt.
Dan luistert de ziele, gelijk een kind luistert naar de stem der moeder.
Als wij tegen dien weg der zaligheid aanzien, is hij een bergweg, zoó steil, die onmogelijk beklommen kan worden. Dan zucht de ziel : Help mij, Heere, ik zou in het stijgen nederzijgen, leid mij op een vaste rots.
Doch als de Heere afdaalt en over die bergen van zonde heen komt en in de ziele fluistert : Gij zijt de Mijne, dan daalt een vrede in het hart, die alle verstand te boven gaat; dan reist hij met den kamerling zijn weg met blijdschap.
Dan hindert 't niet, al gaat de weg door woestijnen en langs oneffenheden. Het is. hier slechts een verdrukking van tien dagen en niettegenstaande al de bestrijding en aanvechting, weet de ziel dat de kroon der overwinning niet ontgaan zal.
Hij predikte Jezus. Hoe ontvangt gij die prediking ? Zoekt , gij buiten Christus behoudenis, gij zult ze niet vinden. En verhardt ge in vijandschap tegen Hem uw hart. Hij zal toch overwinnen. Eens zullen al Zijne vijanden onder Zijne voeten gelegd worden, want Hij zal hen neerslaan met de ijzeren roede van Zijn verbolgenheid. Wie Hem verwerpt en Zijn Woord niet acht, zal gewis omkomen.
Doch wanneer goddelijke genade het oog heeft geopend voor de nooden van uw eigen hart, dan is er geen rust en geen vrede meer, zoolang ge Hem niet kent, die Zichzelf gaf in den dood om verloren zondaren te redden.
Dan stijgt de noodkreet op: „Geef mij Jezus of ik sterf; buiten Jezus is geen leven, doch een eeuwig zielsverderf".
Alleen met dien Koning reist gij uwen weg met blijdschap. Dan kunt gij roemen met den apostel : Niets zal ons scheiden van de liefde van Christus. Geen verdrukking of benauwdheid, geen vervolging of honger, geen gevaar of zwaard, geen dood of leven, geen engelen of overheden of machten, geen tegenwoordige of toekomende dingen, geen hoogte of diepte of eenig ander schepsel. En als gij dan straks aan het einde van uw aardsche pelgrimsreize gekomen zijt en dan straks de poorten van het nieuwe Jeruzalem zichtbaar zijn en gij uwen Koning zult zien staan in den ingang om u welkom te heeten, dan kunt gij instellenen met den dichter :
Gij zult mij, leiden door Uw raad, O God, mijn heil, mijn toeverlaat; En mij, hiertoe door U bereid. Opnemen in Uw heerlijkheid.
Hoevelaken.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 juli 1935
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 juli 1935
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's