KERKELIJKE RONDSCHOUW
Een gebed vóór de Catechismusprediking
O, hemelsche Vader, Uw Woord is volkomen en bekeert de ziele, een waarachtig getuigenis, den ongeleerden wijsheid gevende en der blinden oogen verlichtende, een krachtig middel ter zaligheid voor allen, die het gelooven.
Maar overmits wij van nature blind en onbekwaam zijn tot eenig goed en dat Gij ook niemand wilt aanzien, dan die ootmoedig en verslagen zijn van hart, vreezende voor Uw Woord, zoo bidden wij U, dat Gij ons duister verstand wil verlichten met Uwen Heiligen Geest en ons geven een zachtmoedig hart, van hetwelk alle opgeblazenheid en vleeschelijke wijsheid, die vijandschap tegen U is, geweerd zij, opdat wij. Uw Woord hoerende, het recht verstaan mogen en ons leven daarnaar inrichten.
Wil ook genadiglijk bekeeren allen die nog van Uwe Waarheid afdwalen, opdat wij U altezamen eendrachtiglijk dienen in waarachtige heiligheid en gerechtigheid, alle de dagen onzes levens. Dit begeeren wij, alleen om Christus' wil. Amen.
HET PROTESTANTSCH BEGINSEL
Men weet, dat er wel zijn, die zeggen dat dit het Protestantsch beginsel is : vrij onderzoek zonder gebondenheid aan de Schrift.
Maar men weet beter. Dat is niet het beginsel der Hervorming geweest. Dat is niet wat de Evangelische Vorsten op den Rijksdag te Spiers begeeren. Daar komen zij op tegen de verkrachting van de rechten der Evangelischen en ze komen getuigenis afleggen van hun liefde voor de Waarheid naar Gods Woord. Daarvan getuigen ze in hun protest. (Protestari pro veritate = getuigen van en voor de waarheid. Vandaar hun naam Protestanten).
En wij willen in gemoede vragen aan honderden en duizenden, die zich bij voorkeur zoo gaarne „Protestanten" noemen — b.v. in den Protestantenbond enz. — of dat het Protestantsch beginsel is bij uitnemendheid : de loochening van de Godheid van Christus — de loochening van de erfzonde — de loochening van de verzoening — de loochening van de heilsfeiten van opstanding en hemelvaart ? Hebben de getrouwe getuigen, van hetgeen de Hervorming ons gebracht heeft, dat geleerd als de beginselen van het Gereformeerd Protestantisme ?
Neen, daar zitten de martelaren niet, waar men die dingen loochent en door dezulken is de belijdenis der Kerk niet geschreven en bewaard en verdedigd !
Is onze Hervormde Kerk in het bloed van dezulken gedrenkt ? door het woord van dezulken gebouwd ? door de belijdenis van dezulken verdedigd door kwaad en goed gerucht heen ?
Neen, onze Hervormde Gereformeerde Kerk heeft een geschiedenis, die iets anders leert. In haar leeft niet het fictief, maar het positief christelijk geloof.
En zij heeft er recht op, dat zij daarbij wordt geholpen, verdedigd, bijgestaan.
DE EVANGELISCHEN
Tot de constante kenmerken van de theologie der Groninger School behoorde en behoort de gedachte van de opvoeding van het menschelijk geslacht door God.
Hofstede de Groot heeft in zijn werk „Groninger Godgeleerden" (blz. 131) daarover 't volgende gezegd: „Anders wordt het hoofdwerk van God in het bestuur van de wereld een opvoeding en een bevrijding van de booze eigenwillige machten, onder welke het menschdom slaaf geworden is, een ontwikkeling van de goede, sluimerende krachten en vermogens in ons". „Zoo is God de Vader, die zijn kinderen vormt, onderwijst, leidt en aan zich zelf gelijkvormig maakt en ons eens, door ons van de zonde te bevrijden en tot heerlijkheid te leiden, de grootste gelukzaligheid schenkt".
Duidelijk is, dat bij een dergelijke beschouwing de noodzakelijkheid der wedergeboorte niet tot haar recht komt, hetwelk toegeschreven wordt aan een oppervlakkige beschouwing van de zonde, die enkel als zwakheid werd betreurd, maar minder als schuld wordt gevoeld, en dus een ondiep, oppervlakkig inzicht inzake de zondige menschelijke natuur verraadt.
Hier is een optimistische, liberalistische beschouwing aan het woord, die goede verwachtingen heeft van den goeden, gaven, braven, deugdzamen mensch, die wel niet volmaakt en zonder gebreken is, maar aan wiens goedwilligheid niet behoeft te worden getwijfeld, indien verstandige leiding niet ontbreekt. Alles loopt dan langs lijnen van geleidelijkheid, waarvoor diep ingrijpende processen niet noodig zijn. En zoo gaat het naar het groote, ideale einddoel: de wederoprichting aller dingen.
Dat is de langzaam maar zeker opgaande lijn van het menschelijk leven, waarbij alles heerlijk terecht komt!
Een vervlakking van de eeuwige gedachten des vredes, die bij den Heere zijn. Een oppervlakkige beschouwing van de zonde, als schuld en smet. Een loochening van de noodzakelijkheid der wedergeboorte. Een loochening van het verzoeningswerk van den Borg en Middelaar, Jezus Christus. Een vervlakken van de rechtvaardigmaking des zondaars.
Paedagogisch leidt God den mensch van het eene goede tot het andere goede, dwars door eigen willigheid wel, maar toch zóó, dat de mensch tot nieuwe inzichten, tot andere gevoelens, tot een nieuwe gezindheid komt, door het werk van den grooten Vaderlijken Paedagoog God.
De Christen, die bij Schrift en belijdenis leeft, leert bekeering.
De Groningers opvoeding.
't Behoeft dan wel niet te zijn de rechte lijn der ontwikkeling, de lijn der .geleidelijkheid van een rustige evolutie. Want er zijn diepten en hoogten. Maar God, de groote Opvoeder, weet het tot een goed einde te brengen en Jezus is het Voorbeeld bij uitnemendheid, die de ernst des levens doet verstaan en de Liefde Gods op een nooit gekende wijze predikt, tot vertroosting en bemoediging en vernieuwing. Jezus heeft gezegd : Ik heb de wereld overwonnen. En dat geeft moed en krachten. Achter Hem aan, gaat het óók ter overwinning. In Hem zien we, dat het mogelijk is en zijn geest en woord inspireert en doet ons blijdschap kennen, ook al hebben we de overwinning nog niet behaald. Wat, Hij heeft, krijgen wij ook. Wat Hij is, zijn wij straks. In dat verband spreekt de Groninger theoloog zelfs van: „onze roeping en verkiezing liggen vast als de eeuwige vredesgedachten, die God over ons gehad heeft" en „die roeping en verkiezing hebben we vast te maken in den Heer !"
In Jezus staat God gestaltelijk voor ons. In dien mensch met een goddelijken geest, zien we God voor ons staan. En door dien Christus worden we aangegrepen en we grijpen Hem.
Zóó werkt de mensch zich dan omhoog. Met en naast Jezus. De Meester wat en de leerling wat. Dragend het leven in eigen hand.
En straks zeggen we : „Goede Meester, wat ontbreekt mij nog ? "
DE EVANGELISCHE RICHTING
De Ned. Evangelische Vereeniging heeft dezer dagen haar jaarvergadering gehouden te Zwolle. Om deze theologisch kerkelijke richting te beter te kunnen beoordeelen, willen we hier weergeven wat door de leiders van de Groninger richting gesproken is.
De voorzitter, dr. B. ter Haar Dzn., te Diepenveen, sprak in z'n openingsrede aldus: »Terugziende op de honderd jaren die verloopen zijn sinds het eerste Evangelische gezelschap werd opgericht, mogen wij constateeren, dat na een tijd, waarin velen de Evangelische gelederen verlieten, thans steeds weer nieuwe geestverwanten de kring komen vergrooten.
Spreker wees op het bemiddelend standpunt dat de Evangelische richting steeds heeft ingenomen in den strijd tusschen objectivisme en subjectivisme en liet zien hoe in dezen voor haar ook thans nog weer een taak is weggelegd. Daar de Evangelischen vasthouden aan Christus volgens de Heilige Schrift stellen zij het objectieve als grondslag voorop, terwijl zij het subjectieve element erkennen wanneer zij prijs stellen op ieders bijzondere zienswijze.
Hij wees op het eenzijdige standpunt, dat Barth in dezen inneemt en dat hij als in strijd met den Bijbel en de uitgesproken bedoeling van God absoluut afwees. In een tijd„ die graag voor den afgod Barth knielt, rust juist op de Evangelischen de ondankbare taak een Neen toe te roepen aan allen, die den mensch uitschakelen bij hun beschouwing over Das Wort, Gottes. De leer van Barth voert logisch doorgedacht tot agnosticisme. Wij moeten terug tot de waarheden van 't Pinksterevangelie, dat ons leert dat God menschen wil gebruiken en door Zijn Heilige Geest deze menschen bezielen wil, zoodat zij uitdragen, wat hun in den Zaligmaker geschonken is. Alleen menschen voor wie het licht van Christus werkelijkheid is geworden, kunnen getuigen zijn van het licht, dat de wereld noodig heeft«.
Vervolgens hield de nestor en eere-voorzitter ds. R. H. Drijber, van Zutphen, een referaat over:
»Het eigene van onze Evangelische richting«.
Hij sprak aldus :
»Toen voor ongeveer zeventig jaar de modernen begonnen samen te komen te Amsterdam en de orthodoxen te Utrecht, waren er velen die zich daar niet thuis gevoelden. Zij noemden zich in overeenstemming met de Groninger professoren, Evangelischen. Zij kwamen ook weldra jaarlijks bijeen. Op hun persoonlijke zienswijze prijs stellende, waren zij mannen, die vrij zich geestverwanten gevoelden, vrij de theologie beoefenden, maar die alleen vroegen naar het Evangelie en daarin zich één, aan elkander gebonden gevoelen. Velen van hen vereenigden zich later als Nederl. Evangelische Vereeniging. Daarvan zijn wij de voortzetting. Moeten wij op dien weg voortgaan ? Wij zijn nu eenmaal niet orthodox en niet modern vrijzinnig. Wie volledig de Evangelischen wil leeren kennen zal moeten bestudeeren „Waarheid in Liefde", „Geloof en Vrijheid", „Evangel. Zondagsblad", „Nieuw Evang. Tijdschrift" en eenige bijzondere geschriften. Thans willen wij kort aanwijzen de beginselen, den grondslag der Evangelische richting en het geestelijk bezit daardoor. Het Christendom is een feit, dat uit de Heilige Schrift moet worden gekend. Daarom rust onze theologie en religie op Gods bijzondere openbaring, voorbereidend in het Oude Testament en volkomen in den persoon van Jezus Christus. Bovenal gaan wij tot Jezus Christus, die in de Evangeliën voor ons staat. Aan Hem toetsen wij alles.
Wat met Hem niet overeenstemt, wijzen wij af. Wel lezen wij de Evangeliën critisch. maar im Grossen und Ganzen vinden wij daar den historischen Jezus. Met dezen staat en valt de Evangelische richting. Daarin bezitten wij nu Jezus als den Zoon des menschen en Zoon van God. het volkomen beeld van God en voor den mensch de weg, de waarheid, het leven. Vervolgens hebben wij den persoonlijken transcendenten en immanenten God, die is liefde, die is onze Vader, die door alles zijn menschenkind opvoedt tot zijn eigen heilige volmaaktheid. Wij hebben den mensch als van Gods geslacht, die bedorven, door zonde en schuld, van den Vader is gescheiden, maar door het geloof in Christus wedergeboren, verlost, al meer kan komen tot het heilig liefdeleven van Christus en den Vader. Wij hebben het Godsrijk, het gemeenschapsleven der menschen als volwassen kinderen van den Hemelschen Vader, dat wij hier tot zekere hoogte bezitten en rondom ons kunnen verwezenlijken, door met heilige liefde te arbeiden aan de menschheid tot één gezin van volwassen kinderen van God. En wij hebben daarmede het uitzicht op de eindelijke voltooiing van dat Godsrijk, het eeuwig Vaderhuis, waarin allen deelen in Gods heilig, zalig leven.
Van deze dingen en alles wat daarin opgesloten ligt, zijn wij volkomen zeker op den grondslag van Gods openbaring in den historischen Jezus. Ondanks alles wat er mede schijnt te strijden, zijn wij er zeker van, omdat het niet in een menschenhart is opgekomen, maar omdat God, die de Waarheid is, het 'heeft geopenbaard in Jezus Christus. En wordt alles ook in ons geopenbaard, eigen ervaring, Gods bijzondere openbaring in Jezus Christus blijft alleen de vaste grond van het geestelijk leven.
Zijn die dingen de uitdrukking van onze overtuiging, dan blijven wij natuurlijk persoonlijk Evangelisch. Maar wij moeten ook ons blijven vereenigen tot onderlinge voorlichting en geloofsversterking en bemoediging, tot verdediging en handhaving van ons geestelijk bezit en tot bestrijding van wat er mede in strijd is.
Hierbij worden nog eenige opmerkingen gemaakt om te doen gevoelen, dat deze vereeniging noodzakelijk blijft in onzen veelszins verwarden tijd en met het oog op wat men wel de ver vloeiing en samenvloeiing der richtingen noemt, terwijl wij vrijzinnig, liberaal zijn en afkeerig van leerdwang, waardeeren alles wat wij ook van ons geestelijk Evangelisch bezit bij anderen zien«.
DE NIEUWE SPELLING
In „De School met den Bijbel" heeft de heer J. Lens aandacht geschonken aan ons stukje over de nieuwe spelling. Zijn bezwaar tegen afschaffing is, dat er reeds zooveel geld is uitgegeven door boekdrukkers, vooral ten behoeve van schoolboeken, om de nieuwe spelling te bevorderen. Dat geld zou dan weg zijn als de nieuwe spelling verdween.
Natuurlijk zijn hier moeilijkheden. Dat hebben we dadelijk gezegd. Maar men kan nu tweeërlei weg volgen : Ie. kan men doorgaan met de schoolboeken in oude spelling waardeloos te maken en duizenden guldens (duizend maal duizend en tienduizend maal tienduizend !) weg te gooien en intusschen duizenden guldens te laten uitgeven voor nieuwe boeken (wat niet noodig is, als de nieuwe spelling stop gezet wordt) ; 2e. kan men laten wat er nu is, boeken in oude spelling en de reeds gedrukte boeken in nieuwe spelling en intusschen het drukken van nieuwe boeken in nieuwe spelling stop zetten.
Aan beide wegen zijn natuurlijk bezwaren verbonden. Maar de tweede weg is veel zuiniger dan de eerste weg !
Maar ons hoofdbezwaar is niet weggeredeneerd: dat het gewone leven, met de regeeringsstukken inbegrepen, met de oude spelling voortgaat (ook onze bijbeluitgaven en onze leesboeken en onze couranten enz. enz.) en dat het schoolleven moerziel alléén staat met de nieuwe spelling. De School komt buiten het gewone leven te staan! En dat mag niet. Dat mag niemand goedvinden, niemand dulden. Zeker onze schoolmeesters niet!
Daarom vragen wij, ziende op de School — het gewone leven gaat toch door met de oude spelling ! — helpt ons af van de nieuwe spelling !
Intusschen lazen we de verklaring van den nieuwen Minister van Onderwijs ad interim inzake de nieuwe spelling. Als we alle doekjes er af doen, dan houdt die verklaring (als we goed zien) dit in :
de Regeering is niet voornemend wijziging te bevorderen inzake de nieuwe schrijfwijze van de Nederlandsche taal bij wijs ;
maar het vraagstuk der schrijfwijze van de Nederlandsche taal in de van haar uitgaande stukken wenscht de Regeering thans nog niet aan de orde te stellen — en dus blijft daar de oude spelling!
Wat een zotte verhouding toch.
Die Regeering wenscht geen verandering en houdt de oude spelling.
Maar de School moet maar krukken met die nieuwe spelling.
Dat is verwarring van onze taal stichten en dat is bevorderen van onnoodige uitgaven voor leermiddelen, die stellig in de duizenden en tienduizenden loopen !
Waarom toch die dure en die onaangename verwarring bestendigd ?
HET EVANGELIE VOLGENS DE RUSSISCHE GODLOOZEN.
Er is blijkbaar een nieuwe Russische Encyclopedie verschenen, waarin bij het woord Evangelie de volgende satanische verklaring gegeven wordt:
„Evangelie beteekent eigenlijk goede tijding. Deze goede tijding is, dat God de meerderheid Zijner schepselen tot eeuwige verdoemenis heeft veroordeeld. Wie deze pijniging ontgaan wil, moet zijn verstand op zij zetten en zich zelf zooveel mogelijk het leven lastig maken. De vrucht der goede tijding is de onderdrukking van de overgroote meerderheid der menschen door eenlge uitverkorenen."
Is het niet verschrikkelijk ? Is het niet de stem van den Antichrist, van den menseh der zonde ? Gelukkig dat we onzen Bijbel hebben, die andere taal spreekt. „Alzoo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijnen eeniggebaren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk, die in Hem gelooft, niet verderve maar het eeuwige leven hebbe". Dat Evangelie mag en moet verkondigd worden aan alle volkeren. Oók aan het Russische volk !
Zou nu misschien achter zoo'n bitter, satanisch oordeel ook misschien kunnen zitten de allerongelukkigste wijze van Evangelie-verkondiging door de aloude Russische Kerk en de toestanden die daar vroeger wel gevonden werden ? Zou dat wellicht aan de actie van de Godloozen in Rusland onder de schare des volks kracht bijzetten ? 't Zou niet onmogelijk zijn. Die iets van de vroegere toestanden der Russische Kerk weet zal zich daarover bedroeven als hij het Evangelie, het ware Evangelie als een blijde boodschap des heils heeft leeren kennen in Jezus Christus.
En dit is de troost, dat het Evangelie Gods anders is dan de karikatuur die in de Russische Encyclopedie gegeven is.
Dat het ware Evangelie ook in Rusland mag worden verkondigd en dat het goede zaad nog mag vallen in een weltoebereide aarde, ook voor het Russische volk nog tot rijke en veelvoudige vrucht!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 juli 1935
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 juli 1935
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's