De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJKE RONDSCHOUW

7 minuten leestijd

een gebed na de Catechismusprediking.
O genadige, barmHartige God en Vader, wij danken U, dat liet U beliefd heeft een verbond der genade op te rijken met de geloovigen en hun zaad, hetwelk Gij niet alleen verzegeld hebt door den heiligen Doop, maar nog dagelijks bewijst, als Gij Uwen lof volmaakt uit den mond hunner kinderen, om alzoo de wijzen dezer wereld te beschamen.
Wij bidden U, vermeerder in hen Uwe genade, dat zij in Christus, Uwen Zoon, altijd toenemen en wassen, totdat zij Zijnen volkomenen mannelijken ouderdom in alle wijsheid en gerechtigheid verkrijgen. Geef ons ook Uw genade, dat wij hen in Uwe kennis en vreeze, gelijk Gij ons bevolen hebt, onderwijzen, opdat door hunne godzaligheid het rijk des satans verstoord worde en het rijk van Jezus Christus in deze en andere gemeenten versterkt worde, ter eere van Uwen heiligen Naam en tot hunne eeuwige zaligheid, door Jezus Christus, Uwen Zoon en onzen Heere. Amen.

DROEVE TOESTANDEN OMSTREEKS 1816.
Na de oorlogen van Napoleon — prof. Honig, van Kampen, herinnert er aan in „De Bazuin" — zag het er in ons land niet al te best uit. En hoe treurig het in de hoofdstad des lands op godsdienstig en zedelijk gebied omstreeks 1816 gesteld was, blijkt uit een boek van dr. C J. Nieuwenhuis. De handel stond stil. Er was veel werkloosheid. Groot was de behoefte aan steun. Niettemin heerschte er algemeen onverschilligheid. De schouwburgen waren vol. Echtscheidingen namen in aantal toe. Ten gevolge van de slechte tijden konden of wilden vele jonge mannen niet in het huwelijk treden, maar zochten ze ongeoorloofde verbindingen. De geboorte van onechte kinderen vermeerderde zoodanig, dat een vijfde van al de kinderen, die tusschen 1812/'15 werden geboren, ongehuwde ouders hadden. De danszalen waren druk bezocht. Achthonderd verdachte danseressen stonden bij name bij de politie bekend. En er waren maar weinige mannen in Amsterdam, die geen geslachtsziekten hadden.
De droeve gesteldheid dier dagen blijkt ook uit een brief van 1814 van een predikant John B. Romeijn, uit Amerika (die in Utrecht gestudeerd had) geschreven aan dr. John Henry Livingston (die eveneens vier jaar te Utrecht had gestudeerd en wel van 1766/70), waarin ds. Romeijn klaagde over het lichtvaardig eedzweren, het gebrek aan verootmoediging en berouw, het verminderde kerkgaan, de losbandige jeugd, het ontbreken van persoonlijke Godsvrucht bij theologische studenten, sabbathsontheiliging en 't vergeten van God. In die droeve dagen mochten Bilderdijk, later Da Costa en anderen optreden als getrouwe getuigen van Jezus Christus.
Van Bilderdijik zegt prof. Honig : „Voor een professoraat aan het Athanaeum te Amsterdam (de latere Gemeente-Universiteit) wilde hij zijne heiligste gevoelens niet verloochenen. En later te Leiden vergaderde hij liever een kleinen kring van veelbelovende studenten rondom zich dan, met prijsgeving van zijn Innigste overtuiging, te ontvangen de hulde der geleerde wereld. Met spot en schimp werd hij overladen. Ja, toen hij het voor ds. Schotsman (de verdediger van de Dordtsche Synode) had durven opnemen, heeft zelfs „de vrome, lieve, verdraagzame" Borger zich zelven in zijne woede zóó vergeten, dat hij uitriep : „Die destinatie moest maar weer het land uit !" En hij raasde verder: „Het beest heeft ook een sprong naar ons gedaan. Wij hadden het gevoelig voor den snoet kunnen schoppen, doch achtten het beest het lichten van den voet niet waardig". Bilderdijik liet zich echter niet uit het veld slaan. „Hij nam het eerst voor ds. Schotsman en daarna voor Da Costa op".
Ook Da Costa had z'n instemming met de Dordtsche Leerregels betuigd en verklaarde : „De Synode van Dordrecht is een der achtbaarste en gewichtigste - vergaderingen der Christenheid geweest". Iets wat te méér opmerkelijk is, daar zelfs de predikant, die Da Costa te Leiden op 20 Oct. 1822 den heiligen Doop had toegediend, ds. Lukas Egeling, betreurde, dat door de Synode van Dordrecht aan de twee Formulieren van Eenigheid nog een derde was toegevoegd, en hij in zijn herhaaldelijk herdrukt boekje : „De weg ter zaligheid" (voor het eerst in 1820 verschenen) tot blijdschap van N. G. van Kampen en Clarisse, de fijne puntjes onzer Belijdenis afgevijld had.
Diep verval, met allertreurigste toestanden overal.
Maar gelukkig ook een getrouw getuigen van de onveranderlijke waarheden, door de Reformatie in ons land naar voren gebracht, door mannen als Bilderdijk, Da Costa, Groen van Prinsterer e.a., al was er onderling weer een verschillend aanvoelen van hetgeen noodig was tot verlossing van land en volk, van Kerk en school en maatschappij, uit de diepe ellende, waarin alles weggezonken was. Waarbij de Heere Zijn zegen niet heeft onthouden.

HET „ADRES AAN ALLE MIJNE HERVORMDE GELOOFSGENOOTEN” (1837)
Nauwelijks was — zoo herinnert prof. Honig tegelijk met het vorige — het tweede kwartaal der vorige eeuw ingetreden, of weer werd van Gereform, eerde zijde een opzienbarend geschrift in het licht gegeven, en wel het „Adres aan alle mijne Hervormde geloofsgenooten" (1827), waarvan, zooals spoedig bleek, de Haagsche predikant ds. Dirk Molenaar de opsteller was.
Hij verklaarde : „ik sta in genen delen met Da Costa, Capadose, Thelwall, Vijgeboom of dergelijken in verband. Ik ken deze menschen niet en weet niet dezelve ooit gezien te hebben. Ik keur zelfs zeer vele onberadene en onbewezene uitdrukkingen, in hunne geschriften, af, en mag niet, dat men zoo onbepaald en onbesuisd spreekt."
Toch liet hij zijn Machten luide hooren in een „Adres aan alle mijne Hervormde Geloofsgenooten". De Machten luidden aldus :
1. Niet mannen als Da Costa zijn de „aanleiders van het wantrouwen, hetwelk in onze dagen tegen de leeraars gekoesterd wordt, maar het gedrag van sommige dienaren des Evangelies zelf heeft dat veroorzaakt.
2. Om de Dordtsche Synode in een ongunstig daglicht te stellen, doet men het voorkomen, alsof het vaststellen en handhaven der leer Roomsch zou zijn. |
3. De Maatschappij „Tot Nut van 't Algemeen" is er op uit „alle distinktive leerstellingen" terzijde te stellen en onder den schoonschijnenden naam van „Verdraagzaamheid" onverschilligheid ten opzichte van de Belijdenis te kweeken.
4. Vele hedendaagsche „machtspreuken en menschelijke regelen" in de Uitlegkunde zijn volstrekt niet vorderingen op wetenschappelijk gebied.
5. In de Gereformeerde Kerken neemt de afwijking van de waarheid der Schriften geleidelijk toe.
6. Het „Algemeen Reglement voor de Hervormde Kerk in Nederland" bevat „de grondslagen van veel verkeerdheid".
7. Valschelijk wordt het voorgesteld, alsof de „Liturgieformulieren" alleen zijn opgesteld ten gerieve van de jeugdige en onervaren predikanten, zoodat de ouderen zich daaraan niet behoeven te binden.
8. In de tweede doopvraag worden zelfs de woorden „en alhier geleerd wordt" weggelaten en zoo de waarde onzer Gereformeerde Leer verminderd.
9. De nieuwe proponentsformule is met „veel list en subtiliteit opgesteld, zoodat de deur wordt geopend voor Leervrijheid in de Kerk. De woorden toch „de leer, welke overeenkomstig Gods heilig Woord" kunnen zóó opgevat, dat de geheele leer, in de Belijdenissen den Catechismus vervat, in overeenstemming is met de Heilige Schrift (qua, omdat). Maar ze kunnen ook zóó verstaan, dat instemming wordt betuigd met de leer, voorzoover (quatenus)) ze in overeenstemming is met de Heilige Schrift. En dat laatste is feitelijk bedoeld.
10. De „gehate vijf Artikelen tegen de Remonstranten" zijn niet begrepen in den term de „aangenomen Formulieren van Eenigheid".
11. Onze Hervormde Kerk is onze Hervormde Kerk niet meer, en daarom spreekt men liever van „Protestantsch" dan van Gereformeerd.
12. Met het „Liberalisme" zal men ter verdediging der waarheid niets winnen, maar veel verliezen.
13. De jonge predikanten zijn niet goed opgeleid en daarom weten ze niet, wat eigenlijk de Gereformeerde Leer inhoudt.
14. Maar al te veel wordt eene „dorre geestelooze zedeleer" gesteld boven eene ernstige en gemoedelijke preek.
15. Velen meenden. God en de wereld tegelijk te kunnen dienen.
16. De Academies zijn niet meer kweekplaatsen der Godsvrucht.
Op deze met een droef gemoed neergeschreven klachten volgt een aangrijpend slotwoord, waarin op waarachtige bekeering en wegneming van deze misstanden aangedrongen wordt.
Ook dit „Adres" wekte de belangstelling voor het kerkelijk vraagstuk. Maar het verwekte ook groote bitterheid tegen den anoniemen schrijver. Zelfs de Regeering rustte niet, alvorens zij wist, wie dit moedige stuk had durven publiceeren.
Koning Willem I ontbood ds. Molenaar bij zich. Helaas is toen de houding van dezen predikant slap en vreesachtig geweest.
Doch, hoe treurig zulk eene houding voor een gezant van Christus ook was, zijn „Adres" oefende toch reformatorischen invloed.
Het is óok een stadium op den weg der herleving van het Gereformeerd belijden geweest in onze Hervormde Kerk.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 juli 1935

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 juli 1935

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's