De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

DE RECHTVAARDIGMAKING

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

DE RECHTVAARDIGMAKING

10 minuten leestijd

Voordat wij aanwijzen, hoe Comrie orde in den chaos heeft pogen te scheppen en getracht heeft de Kerk zijner dagen uit de verwarring, waarin zij geraakt was, uit te voeren, willen wij in dit artikel nog even ingaan op wat wij de vorige keer bij a Marck en a Brakel vonden, n.l. dat zij de schenking van Christus en Zijn gerechtigheid aan een zondaar door vrije genade niet tot de rechtvaardigmaking rekenen, maar deze aan de rechtvaardiging doen voorafgaan.
Zij en de meeste predikers onzer dagen geven deze een plaats in de z.g.n. aanbieding des Evangelies. Men denke maar aan de omschrijving van a Brakel, die wij de vorige keer gaven, waar hij zegt, dat het geloof vooreerst (d.w.z. voordat het tot rechtvaardiging komt) de gerechtigheid van den Borg aanneemt op grond, dat zij hem van Christus was aangeboden met vele opwekkingen om in het aannemen vrijmoedigheid te gebruiken.
De gang van deze redeneering is volkomen logisch. Als de rechtvaardiging op het geloof volgt en een mensch eerst van God rechtvaardig gesproken wordt als hij met de door het geloof aangenomen gerechtigheid, van Christus voor Gods aangezicht staat, moet er een instantie voorafgaan, die deze omhelzing van Christus mogelijk maakt. Wij kunnen toch slechts aannemen, wat ons gegeven wordt. Als ik de gerechtigheid van Christus noodig heb, kan ik daarnaar wel begeeren, maar dat is niet voldoende om ze aan te nemen. Wij begeeren hier tal van dingen, maar we mogen niet alles nemen, wat we graag willen hebben. Daarom is voor het aannemen van Christus noodig de wetenschap, dat Hij mij van God gegeven is of wordt. Van dit geven maken a Brakel en de meeste predikers onzer dagen een aanbieding, en als gevolg daarvan spreekt men dan van de aanbieding des Evangelies.
Zijn aanbieden en geven woorden van gelijke beteekenis ? Het verschil tusschen deze beide woorden, als er van verschil gesproken kan worden, is zeker niet groot. Wij gebruiken ze in het gewone leven vaak door elkander. Als bij een jubileum of dergelijke gelegenheid iemand, een album of ander geschenk wordt gegeven, zeggen wij meestal, dat het hem aangeboden is. De aanbieding gaat echter van de veronderstelling uit, dat de persoon, wien het geldt, het geschenk zal aannemen. Aanbieden beteekent hier dus niet vragen, of de persoon in kwestie het geschenk wil aanvaarden, om, als hij het niet wil hebben, het weer mee te nemen; maar aanbieden beteekent hier geven en overhandigen.
In dien zin kan alleen van de aanbieding van het Evangelie gesproken worden. Als God in het Evangelie ons Zijn genade biedt, beteekent dat niet, dat Hij ons vraagt, of wij Zijn genade soms aanvaarden willen, maar dan kan dat alleen beteekenen, dat God ons daar Zijn genade geeft en als het ware overhandigt. Want God biedt zoo aan, dat Hij tevens wenscht en eischt, dat wij aannemen. Als Hij het Evangelie laat prediken, dan roept Hij ons toe: bekeert u en gelooft het Evangelie. Juist daarom staat het den mensch niet vrij om naar eigen verkiezing aan te nemen of te verwerpen, maar stellen wij ons onder een verschrikkelijk oordeel, indien wij den Zoon van Gods liefde niet aannemen en de duisternis liever hebben dan het licht. Wanneer dit in acht wordt genomen, is tegen de uitdrukking aanbieden, in den zin van geven, geen Schriftuurlijk bezwaar.
Wanneer God de Heere ons in het Evangelie de verzoening onzer zonden en de gerechtigheid van Christus geheel uit genade, zonder éenige verdienste onzerzijds, geeft of aanbiedt, kan men echter de rechtvaardiging daarvan niet scheiden. Als God ons de gerechtigheid van Christus schenkt, wil dat tevens zeggen, dat .Hij ons in Christus rechtvaardig spreekt. Dat laat Paulus in Romeinen 4 duidelijk naar voren komen.
Want de rechtvaardigheid toerekenen (wat hier niet wil zeggen, een rechtvaardigheid schenken, maar eenvoudig voor rechtvaardig rekenen en houden) wordt daar in vers 6 en 7 op één lijn gesteld met de zonden vergeven. In overeenstemming daarmede zegt de Ned. Geloofsbelijdenis in artikel 23 over de rechtvaardigmaking : „Wij gelooven, dat onze gelukzaligheid gelegen is in de vergeving onzer zonden om Jezus Christus' wil en dat daarin onze rechtvaardigheid voor God begrepen is". Ook Calvijn legt in zijn Institutie hier meer dan eenmaal den nadruk op, dat onze rechtvaardiging bestaat in de verzoening en vergeving onzer zonden, en hij doet dat, opdat tegen over Rome klaar zou zijn, dat de rechtvaardiging geheel uit genade is.
Evenwel, als God de Heere ons in het Evangelie de verzoening en vergeving onzer zonden biedt of geeft, kan dat niet anders beteekenen dan dat onze rechtvaardigspreking daarin mede .besloten is. De rechtvaardiging is een weldaad, die ons in het Evangelie wordt toegebracht en gegeven en alleen door het geloof kan worden aangenomen. En het is tot groote schade van de zuivere prediking des Evangelies geweest, dat tal van theologen, in onderscheiding van alle reformatoren, de mededeeling van Christus' gerechtigheid los hebben gemaakt van de rechtvaardigmaking, want wijl die mededeeling van Christus en Zijn gerechtigheid gegrond is in het Evangelie, of gelijk de Heid. Catechismus zegt, in de belofte des Evangelies, hebben zij daardoor de rechtvaardigmaking los gemaakt van het Evangelie en die tot een op zichzelf staande daad Gods gemaakt In het leven van den individueelen geloovige, volgende op de geloofsdaad.
De volkomen overeenstemming, die er bij den apostel is tusschen het gerechtvaardigd worden uit geloof en uit genade, moet hier noodzakelijk zoek raken, omdat wat in het Evangelie ons gegeven wordt, enkel uit genade ons gegeven wordt, maar als de rechtvaardiging uitsluitend op het geloof wordt gegrond, wordt zij gebouwd op wat in den mensch wordt gevonden, inplaats dat men de rechtvaardiging uit genade aan het geloof laat voorafgaan en door het geloof laat aannemen.
Het moet ongetwijfeld ds. Van Schuppen als een verdienste aangerekend worden, dat hij in navolging van Comrie — al volgt Comrie een gansch anderen weg — opnieuw de rechtvaardiging aan het geloof wenscht te doen voorafgaan, zoodat zij niet op het geloof wordt gegrond, maar door het geloof wordt .aangenomen. Echter vervalt hij daarbij in de fout van a Marck, dat ook hij de rechtvaardiging losmaakt van het Evangelie en deze tot een op zichzelf staande daad Gods maakt in het leven van den individueelen mensch.
Met dankbaarheid heb ik er reeds vroeger melding van gemaakt, dat men bij ds. Van Schuppen niet van een afsnijdende prediking kan spreken in dien zien, dat de weg tot Christus voor den zondaar gesloten wordt. Er is bij hem nog plaats voor een ruim Evangelie, in zooverre hij den Christus met Zijn gerechtigheid voorstelt .als den eenigen weg des behouds, de menschen opwekt bij Hem alleen hun behoud te zoeken, ja, dezen Christus hen op grond van het Evangelie aanbiedt uit genade, zonder eenige verdienste onzerzijds.
Nu is echter bij ds. Van Schuppen het verband tusschen deze aanbieding, deze gave van den Christus in het Evangelie, en het moment, waarin Hij aan den zondaar wordt geschonken en toegeëigend, geheel en al zoek. Daarom denkt hij er niet over om de rechtvaardiging objectief in het Evangelie te gronden. De rechtvaardiging heeft alleen een plaats in dat ééne moment, waarin een zondaar zich de gerechtigheid van Christus ziet toegewezen en hij in dat zelfde oogenblik die omhelzende, zich van God gerechtvaardigd, weet.
Het kenmerkende van dezen gedachtengang is dus, dat de gave van Christus in het Evangelie, de aanbieding van Hem aan den zondaar, iets gansch anders is dan de gave van den Christus in het bewuste moment der rechtvaardiging. Maar daarmede wordt de prediking van het Evangelie waardeloos gemaakt, want wat zegt de aanbieding van het Evangelie, als ik Christus op dien grond niet kan en mag aannemen, maar moet wachten op dat ééne moment, waarop Hij mij op gansch andere wijze gegeven wordt ?
Als ds. Van Schuppen mocht inzien, dat de rechtvaardiging, die hij leert, niet anders is dan de toepassing van de rechtvaardiging, die ons in de belofte des Evangelies geschonken wordt, zoodat in dat moment der bewuste rechtvaardiging Christus niet voor het eerst aan dien zondaar van God gegeven wordt, maar dan voor het eerst gezien en erkend wordt als ook hem gegeven en daarom door het geloof omhelsd wordt, zou hij zijn theorie, dat vóór dit moment geen geloof aanwezig kan zijn, kunnen laten vallen en toch tot de oude waarheid kunnen terugkeeren, dat de rechtvaardiging aan het geloof vooraf gaat en door het geloof wordt aangenomen. Want de belofte des Evangelies, waarin God ons Zijn genade doet toekomen, ook de genade der rechtvaardiging, gaat aan alle geloof vooraf en is zelfs de kracht van God, waardoor het geloof verwekt wordt. Hij zou dan tevens verlost zijn van het subjectivisme, dat aan het Evangelie zijn vastigheid ontneemt, om die tevergeefs te leggen in de bevinding, want wie in tijden van aanvechting niet terug kan naar het geschreven Woord, maar terug moet naar zijn bevinding van eertijds, zal bevinden, dat dit een schrale troost is.
Het moment der rechtvaardigmaking, dat ds. Van Schuppen voorstaat, kan nooit een bron van steeds vloeiende genade en troost zijn, maar wel het Evangelie, dat dezen Christus, in Wien men zijn gerechtigheid vond, telkens opnieuw nabij brengt en dat uit Zijne volheid genade voor genade geeft. Dat dit Evangelie het eeuwig Evangelie in de Schrift wordt genoemd, geeft treffend het groote verschil weer tusschen het Evangelie der Schriften en het evangelie der rechtvaardiging, dat in een punt des tijds wordt opgesloten.
Zooals wij later nog nader hopen aan te wijzen, heeft de overweging van de kwesties, die hier liggen, mij tot de overtuiging gebracht, dat wij nimmer het rechte theologische spoor terug Zullen vinden, indien wij niet opnieuw leeren begrijpen, wat onze Vaderen bedoelden met de belofte des Evangelies, waarin ons Christus geschonken wordt met al het heil en de genade, die in Hem zijn, zoodat Christus en de genade, die in Hem is, alleen door het geloof kan worden aangenomen, maar ook van een iegelijk mag en moet aangenomen worden, zal de zonde des ongeloofs ons niet ten verderve voeren.
Een artikel van ds. Kersten in „De Saambinder" over de Verbondsleer, waarin wij dezelfde dwalingen vinden, als wij boven aanwezen, maakte mij dat dezer dagen nog weer eens opnieuw duidelijk.
Ds. Kersten beweert, dat het vertoond der genade alleen met de uitverkorenen is opgericht en beroept zich daartoe op de uitspraak van de Synode der Gereform. Gemeenten in 1931. Dit i s opgericht, is echter niet volkomen juist, want uit de mededeeling van de daar genomen uitspraken blijkt, dat de Synode heeft uitgesproken, dat het verbond met Christus als het vertegenwoordigend Hoofd is opgericht, maar met de uitverkorenen wordt opgericht, als zij door wedergeboorte en geloof in den tijd in dat verbond worden ingelijfd. Het verbond is dus niet opgericht, maar wordt eerst opgericht en nu verschilt ds. Kersten van ds. van Schuppen, dat hij niet zegt, in het moment der bewuste rechtvaardiging, maar als de mensch wederomgeboren wordt en tot het geloof komt. Ook hier wordt de openbaring in het Woord vereenzelvigd met de toepassing aan het hart. De oprichting van het verbond valt samen met de aanvaarding van het verbond van 's menschen zijde. De kinderdoop verliest hier alle beteekenis, of men moest met dr. Kuyper aannemen, dat de uitverkorenen onder de kinderen van hun geboorte af reeds wedergeboren zijn, en door het geloofsvermogen Christus reeds dadelijk zijn ingelijfd.
Onnoemelijk veel kwaad heeft deze dwaling in onze gemeenten gedaan. Men schuift het Woord op zij en wacht lijdelijk op nieuwe openbaringen.

O. a/d. IJ.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 juli 1935

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

DE RECHTVAARDIGMAKING

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 juli 1935

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's