MEDITATIE
TROUW.
En zie, Ik ben met ulieden alle de dagen tot de voleinding der wereld. Mattheüs 28 vers 20.
Daar staat geschreven : de Heere heeft de wereld gegrond op de zeeën. Dus staat alles wankel. Maar de Heere houdt alles drijvende, de Heere houdt alles boven water. Hoort dan wat de Heere zegt: Ik ben met ulieden alle de dagen tot de voleinding der wereld. Bij een verschijning, waar wij niets van weten, heeft de Heere de discipelen naar een berg in Galilea laten komen. En welke berg, weten wij ook alweer niet. Daar spreekt de Heere dit woord. Hij spreekt dit woord dus tot de Kerk van alle tijden en van alle plaatsen. Want de verschijning en de berg zijn ons onbekend. Daarom kunnen wij gelukkig dit woord niet vastleggen in een bepaalde tijd en op een bepaalde plaats. Tot de Kerk van alle tijden spreekt de Heiland dit woord, en de Kerk heeft tijden gehad van tegenspoed, van vervolging en verdrukking. Maar ook zijn er tijden geweest van voorspoed, van pracht en praal, van vrijheid en eer. Maar door alle tijden heen heeft de Kerk — zoo zij althans het wilde — het kunnen hooren : Ik ben met ulieden.
Tot de Kerk van alle tijden spreekt de Heiland dit woord. En tot de Kerk van alle plaatsen. De Heere heeft Zijn Kerk gezet midden in de grenzelooze wereld. Dat kan niet anders, want de Kerk is de draagster van het grenzelooze Evangelie. Met het grenzelooze Evangelie zet de Heiland Zijn Kerk in de grenzelooze wereld ; hoort wat Hij zegt in ons teksthoofdstuk : Gaat dan heen, onderwijst alle volken. In het Oude Verbond was dat anders. Zeker, ook dan breekt soms het volle Evangelie door, zeker, ook dan worden soms de grenzen doorbroken, ja, elk der vorsten zal zich buigen; wendt u tot Mij, alle gij einden der aarde. Maar toch telkens trekken de profeten zich binnen de grenzen terug, telkens nemen zij voor hun woord weer richting op Israël en Jeruzalem. Maar de verrezen Heiland maakt Zijn Kerk wereldburgeres. Hij zet Zijn Kerk met het grenzelooze Evangelie in de grenzelooze wereld. Dat valt niet mee. Gebondenheid aan een bepaalde plaats geeft een gevoel van rust en veiligheid en zekerheid. De meesten van ons zouden raar opzien, wanneer zij opeens gezet werden in het hart van Parijs. Wellicht zouden wij angstig schreien, zooals een kind, dat in het gedrang moeder heeft verloren. Maar daar behoeft geen angst te zijn, wanneer wij daar staan in de grenzelooze wereld, want de Heiland belooft het ons : Ik ben met ulieden alle de dagen tot de voleinding der wereld.
Een belofte van onzen Heere. En daarmee staan wij terstond onder de verantwoordelijkheid. Want de belofte wordt nu een roeping. De roeping, om juist elke dag van ons leven en op elke plaats waar wij staan, met Christus te zijn. Wonderlijk gebeuren : de grenzelooze wereld vernauwt zich nu tot de vierkante meter grond, waarop wij staan. En alle dagen trekken zich nu samen in dit uiur, waarin wij het woord lezen. Op elke plaats en dag met Christus, ziedaar de roeping. En hoe beginnen wij iedere dag ? Er zijn er, die eiken nieuwen dag beginnen met de oude zorgen. Met de oude zorgen voor het dagelijksch brood.
Er zijn er, die de dagen beginnen met een overdenking van den dag van gisteren. Er zijn er ook, die niet zonder gebed de nieuwe dag in willen. Zij vouwen de handen en spreken de oud-bekende woorden. Zoo gaat het, in de gunstigste gevallen. Maar wanneer wij de verantwoordelijkheid kennen waar het tekstwoord ons onder zet, dan zullen wij de nieuwe dag alleen daarmee kunnen beginnen, dat wij uit de weg trachten te ruimen al wat er staat tusschen Christus en ons. Dat wij zoo Jezus dicht bij ons laten komen. Echter : dit woord van den Heiland is een woord tot de discipelen en zoo tot de geheele Kerk. En tot welke verantwoordelijkheid roept de Heere dan de Kerk door dit woord. ? In de eerste wordt de gemeente geroepen om van Christus te zijn. Dat is : zich goed bewust te maken, dat zij geen vereeniging is. Een vereeniging heeft altijd een bepaalde reden van bestaan. De leden hebben een bepaald doel, dat zij nastreven en zij zullen trachten veel en aanzienlijke leden te krijgen, opdat het doel des te eerder kan worden bereikt. Maar de gemeente heeft geen reden van bestaan. De Kerk heeft geen reden van bestaan in zichzelf. Zij is geen vereeniging tot bevrediging van godsdienstige behoeften, zij is geen maatschappij tot exploitatie van een belijdenis. Neen, haar reden van bestaan ligt buiten haarzelf. Zij kan alleen maar van Christus zijn. Zij is op de zeeën gegrond. Zij staat wankel, maar God houdt haar drijvende; de Heere: houdt haar boven water. Zij kan alleen maar zeggen: ik ben niets, maar de Heere houdt mij in stand. Zij kan alleen maar van Christus zijn. Zij zegt: ik weet maar één ding : de Heere is mij nabij, alle de dagen tot de voleinding der wereld. Zij kan alleen maar zeggen : ik heb den Heere hooren spreken. Luistert met mij naar wat God zegt. De gemeente kan alleen haar Heiland maar prediken. Wij willen dat graag anders. Wij zouden zoo bitter gaarne wat zien. Wij stellen de daad altijd boven het woord. Wij zouden zoo graag hebben een gemeente van Christenen. Van menschen, waar je nu eens echt aan kan zien dat zij ware Christenen zijn. Van menschen ook, die veel hebben meegemaakt en doorgemaakt. Maar het is anders: de gemeente heeft alleen maar van Christus te zijn, heeft alleen maar Hem te prediken. Wil dat nu zeggen, dat de gemeente maar mag leven zooals zij wil ? Neen, dat wil juist het omgekeerde zeggen. De gemeente heeft zelf te beginnen met te luisteren naar 'het Woord. En dan heeft zij te leven in de presentie, in de tegenwoordigheid van haar Heiland. Want in het gepredikte Woord is de Heiland nabij. Dat is juist het wonder. De (predikende, de getuigende gemeente kent de tegenwoordigheid van den Heiland. Prediken en getuigen, zietdaar dan de tweede roeping, die tot de gemeente komt in de belofte van haren Heere : Zie, Ik ben met ulieden alle de dagen tot dé voleinding der wereld.
De predikende gemeente is vlak bij haren Heere. Of liever gelegd : de Heiland is de predikende gemeente nabij. De kracht der gemeente is dus niets anders dan het Woord. Paulus zegt van de Joden als van de Kerk des Ouden Verbonds, dat dit hun kracht was, dat hen de woorden Gods waren toebetrouwd. Het Woord, de kracht der gemeente. Het is niet voor niets, dat er eerst het bevel komt: Onderwijst alle volken, en dat er dan staat: En ziet, Ik ben met ulieden. Het Woord is de kracht der gemeente en het is meteen haar zwakheid. Want de gemeente kent het Woord alleen maar als een woord, door menschen gebracht. Zij .hoort het alleen maar door de profeten en de apostelen, in de bijbel en door de predikers van de, kansel. Ziet daar de zwakheid der gemeente. Maar wij willen niet zwak zijn. Dat is altijd weer onze zonde, ook onze kerkelijke zonde. We willen de bijbel verdedigen als Gods Woord, en dat kan niet. Wij kunnen het Evangelie niet verdedigen, wij kunnen het alleen maar prediken. Wij kunnen alleen maar tegen de wereld zeggen : wij hebben Gods Woord gehoord dwars door het menschenwoord heen.
De bijbel willen wij verdedigen en de predikers willen wij verbeteren. Wij zouden de predikers zoo „dierbaar" willen, dat zij geen menschen meer waren. Dan was de aanstoot weg, dat menschenmond ons Gods Woord ibrengt. Maar het verbeteren van de predikers is al even dwaas als het verdedigen van de bijbel. De bijbel wil gepreekt zijn en het gepredikte Woord wil gehoord zijn. En verder, verder hebben wij niets. Onze grootste kracht is onze grootste zwakheid. Maar Gods kracht wordt in zwakheid, volbracht. En in het gepredikte Woord is Hij nabij. Die het vandaag tegen ons zegt: En ziet. Ik ben met ulieden alle de dagen tot de voleinding der wereld. *
Een zware verantwoordelijkheid legt het tekstwoord op ons. En toch : de volle zwaarte van dat Woord hebben wij nog niet gevoeld. Zeker, wij weten het nu : in het gepredikte Woord is Christus ons nabij, maar wij moeten het nu ook weten, dat waar Jezus is, daar ; zijn alleen maar zondaren. Wij mogen dat niet omdraaien. Wij mogen niet zeggen : waar zondaren zijn, daar is Jezus. Dat zou zijn een vrijbrief aan de zonde geven. Maar waar is en blijft: waar Jezus is, daar zijn alleen maar zondaren. Met Jezus geconfronteerd worden wil zeggen : zichzelf alleen maar als zondaar kunnen zien. In de schaduw van het kruis blijft er van onze beste daden, woorden en gedachten, niets over dan zonde en schuld voor God. Daarom nog eens : waar Jezus komt, daar zijn alleen maar zondaren. Wij weten dat natuurlijk wel. Daarom houden wij tenslotte Jezus op een afstand. Wij schuiven telkens wat in tusschen ons en den Heere. Nu eens is het de zuivere leer, dan weer de zuivere belijdenis, of ook de zuivere Kerk. Maar altijd is het iets, dat wij zuiver kunnen noemen. Dan kunnen wij ons er des te gemakkelijker achter verschuilen voor den Heere. Want daar moeten wij voor zorgen, dat de Heere ons niet te na komt. Want waar Jezus is, daar zijn alleen maar zondaren. Zoo houden wij Hem op een afstand, en daarmee berooven wij onszelf van de eenige troost. Want dat alleen kan de eenige troost zijn, dat wij alleen als zondaren worden gered. Maar als wij dat zien, als wij zien hoe wij vol innerlijke vijandschap staan tegenover dit woord van den Heiland, dan zien wij ook, hoe nochtans midden in dit woord de wachtende Heiland staat. Koe midden in dit woord de Heiland op ons staat te wachten. Dan zien wij ook : aan het einde van alle dwaalwegen staat Jezus op ons te wachten.
Zooals een vrouw aan de deur van de kroeg staat te wachten op haar dronkaard van een man. Zooals een moeder thuis uren zit te wachten op de weerkomst van een verloren zoon of een verloren dochter, zoo staat de Heere te wachten op u en mij, in dat woord, dat Hij heden tot ons spreekt: Ik ben met ulieden alle de dagen tot de voleinding der wereld. Hij zegt dat tot ons, opdat wij ons door dat woord zouden laten gezeggen.
En wanneer wij ons wel door dat woord laten gezeggen, wat dan ? Dan gaan wij met Jezus door het leven. Dat is een wonderlijke gang. Want wie met Jezus door het leven gaat, hij past nergens meer. Hij past nergens meer precies. Hij heeft datgene, wat een werklooze wel eens moet gevoelen, hij heeft dat gevoel nergens meer de rechte man op de rechte plaats te zijn. Hij past niet meer op zijn plaats in gezin en Staat en maatschappij. Want hij weet het: overal is hij zondaar. Hij weet het, hij is de vadernaam, waar zijn kinderen hem mee noemen, onwaardig. Hij heeft ook te duidelijk het Koninkrijk der hemelen gezien om op te kunnen gaan in een politiek streven. Hij ziet in de naaste te veel de broeder, om een echte felle concurrent te kunnen zijn. Wie met Jezus door het leven gaat, past nergens meer precies. Want hij is een vreemdeling op aarde geworden. En toch past hij overal wél. Want hij, die met Jezus door het leven gaat, kan op elke vierkante meter grond, waar hij op staat, neerknielen en het op Christus' bevel bidden : Onze Vader, Die in de hemelen zijt. Hij past overal: want hij weet het, de aarde is des Heeren, mitsgaders hare volheid. Hij past overal, want hij weet, Jezus Christus is het Lam Gods, dat de zonden der wereld wegneemt. Zoo gaat hij door het leven, die zich heeft laten gezeggen door het woord van den Heiland : En ziet, Ik ben met ulieden alle de dagen tot de voleinding der wereld. Hij weet wat het is, om dagelijks met Christus te worden gekruist, maar ook wat het is, te leven uit de opstanding van den Heere, Die het gezegd heeft: Ik leef en gij zult leven.
Hoogeveen
J.A. van Nie
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 juli 1935
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 juli 1935
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's