STAAT EN MAATSCHAPPIJ
VERHELDEREND GEWERKT.
Er zijn op dit oogenblik op politiek terrein twee onderwerpen aan de orde, die dermate verwarrend op de geestelijke gesteldheid van het volk inwerken, dat het vertrouwen in het beleid der Regeering dreigt zoek te raken.
Het eerste onderwerp betreft, wat men noemt, de actieve crisispolitiek of de constructieve welvaartspolitiek.
Ten aanzien van den economischen toestand van ons land toch doen de tegenstanders van het Kabinet, en tot deze behooren o.m. de Sociaal Democraten en vele Roomsch-Katholieken, het voorkomen, alsof de Regeering eenig en alleen oog heeft voor het in evenwicht Brengen der Rijksfinanciën, aan dit doel haar geheele werkkracht besteedt, doch van den grooten nood, waarin het bedrijfsleven verkeert, niets begrijpt, althans aan de zoo hoog noodige welvaartspolitiek niets doet.
Wijst men dan de critici op het 60 millioenfonds, het Werkfonds, dat dienen moet om daaruit groote en kleine openbare werken en industrieele projecten te financieren, of vestigt men hun aandacht op de honderden millioenen, die verwerkt worden terzake van het uitvoeren van Rijkswerken, — verbetering van wegen, aanleg van kanalen, inpolderingen enz. — indrukwekkende cijfers, waarvan wij de vorige week in ons blad gewag maakten, dan heet het, dat dit alles niets met actieve crisispolitiek of met constructieve welvaartspolitiek te maken heeft, een politiek, die, als ze maar flink wordt aangepakt, het 'bedrijfsleven er weer bovenop kan helpen.
Ten aanzien nu van dit onderwerp heeft het openbaar debat, dat bij gelegenheid van de behandeling van het groote bezuinigingsontwerp in de Tweede Kamer 'gehouden werd, verhelderend gewerkt.
Zij, die dit debat gevolgd hebben, en die heel wat verwachten van een politiek beleid, dat gericht is op het voeren van een positieve crisispolitiek, zullen intusschen wel wat ontnuchterd zijn geworden na de redevoeringen van die Kamerleden, die van de aanpassingspolitiek van de regeering niets moeten hebben.
Want wat hielden de redevoeringen van deze Kamerleden in ten opzichte van het punt der constructieve welvaartspolitiek ?
Wezen deze redevoeringen den weg om tot grootere export te geraken van onze zuivelproducten en tuinbouwproducten of gaven zij den weg aan, hoe b.v. Duitschland verplicht kan worden zijne achterstallige en nieuwe schulden aan ons land te betalen ? Zaken, die voor de welvaart van ons volk van zulke groote beteekenis zijn. Van lal deze dingen vernam men niets. Wat de critici van de Regeering met de leuze positieve welvaartspolitiek voor oogen hadden, was niet anders dan dat de Regeering moet overgaan tot het ondernemen van nuttige openbare werken, waarmede het Kabinet reeds lang bezig is en moet besluiten tot de industrialisatie, ten einde meerdere werkgelegenheid te scheppen.
Ziedaar het pover resultaat, dat de redevoeringen met betrekking tot de constructieve politiek opleverde.
Het grensde haast aan demagogie (volksmisleiding), dat de sprekers, die het hadden over industrialisatie, niet mededeelden dat de Regeering ook reeds dezen weg bewandelt, om daarmede tot meerdere volkswelvaart te komen.
De industrialisatie moet dienen — zoo zeide het de Regeering immers reeds in hare Memorie van Antwoord — tot het in stand houden van bestaande industrieën, waar zulks financieel verantwoord is en het bevorderen van de uitbreiding of oprichting van die bedrijven, die onder overigens normale verhoudingen, op de buitenlandsche markt zouden kunnen concurreeren.
Bovendien had het Kabinet juist Minister Gelissen, de groote man der industrialisatie, in zijn midden opgenomen om de plannen der Regeering op dit punt tot uitvoering te brengen.
Dat op het terrein der industrialisatie voorzichtigheid, zelfs groote voorzichtigheid .geboden is, zal voor een ieder duidelijk moeten zijn, wanneer overwogen wordt, dat wanneer in eigen land, voor eigen gebruik, goederen worden gefabriceerd, deze dan niet van het buitenland behoeven betrokken te worden. Doch het land, dat ons de goederen leverde, zal bij het niet meer betrekken van zijn artikelen, ook weigeren onze producten te aanvaarden.
Wat men dus aan den eenen kant wint, verliest men aan de andere zijde.
Hoe dit intusschen zij, de tegenstanders van het beleid van het Kabinet Colijn, die dit beleid, omdat het niet gericht zou zijn op positieve welvaartspolitiek, afkeuren, zouden, wanneer zij de leiding van zaken in handen kregen, niet anders kunnen handelen dan de Regeering dit thans doet. Zij zouden het misschien wel slechter, maar zeker niet beter doen.
De bestrijding van het tegenwoordig regeeringsbeleid op grond van het feit, dat het in gebreke is een politiek te voeren van constructieve welvaartspolitiek, is misleidend. Die bestrijding werkt tevens verwarrend op de geestelijke gesteldheid van het volk.
Naast het onderwerp van de actieve crisispolltiek staat nu het tweede punt, waarover wij iets willen zeggen, n.l. de devaluatie.
Positieve welvaartspolitiiek en devaluatie zijn de twee onderwerpen, die op het oogenblik veler belangstelling hebben.
Wij zullen, na hetgeen wij eenigen tijd geleden over de schijnbare voordeelen, maar inderdaad groote nadeelen van de devaluatie schreven, het over deze voor-en nadeelen ditmaal niet hebben. Alleen willen wij er op wijzen, dat, van wat de landen, die tot vermindering van de goudwaarde van hun munt overgingen, van de devaluatie voor den opbloei van het bedrijfsleven en terzake van een teruggang van de werkloosheid verwachtten, niets is gebleken.
Alleen reeds wat de werkloosheid betreft, toedroeg het aantal werkloozen in de Vereenigde Staten, waar de dollar devalueerde, in het begin van dit jaar 10.671.000 tegen 10.122.000 in de overeenkomstige maand van het jaar te voren. Voor Engeland herinnerde dr. Colijn in zijn antwoord bij het openbaar debat van de vorige week over het bezuinigingsontwerp in de Tweede Kamer er aan, dat sedert het Engelsche pond naar omlaag ging, 't werkloozencijfer wel met 700.000 daalde, doch het aantal armlastigen met een zelfde cijfer toenam.
De groote Staatsman in Engeland, Lloyd George, zeide onlangs in zijn rede, waarin hij zijn herstelplan ontvouwde :
»Het is hoog tijd, dat onze regeering de hopelooze politiek van afwachten opgeeft, die er slechts toe heeft geleid, dat ondanks alle verzekeringen over een langzame, maar gestadige herleving van den handel, het werkloozencijfer thans nog altijd hooger is dan verleden jaar«. Zoo is ook voor ons land van een gunstige wending, b.v. van het werkloozenvraagstuk, door middel van devaluatie niets, te verwachten.
Zij, die ons volk voorspiegelen dat door den val van den gulden een betere economische toestand voor ons land zal intreden, zullen, wanneer het daartoe ooit mocht komen, bedrogen uitkomen.
Het voorzichtig financieel beleid, dat het Kabinet—Colijn voert en de maatregelen, die het treft om het bedrijfsleven te steunen en de werkloosheid te bestrijden, verdienen nog altijd de voorkeur boven hetgeen de bestrijders van de politiek der Regeering ons volk aanbevelen.
DE KABINETSCRISIS
Toen wij bovenstaand artikel: „Verhelderend gewerkt" schreven, waarin wij deden uitkomen, hoe de tegenstanders van het Kabinet elke gelegenheid te baat nemen om de positie der Regeering te verzwakken, stond het nog niet vast, dat reeds zoo spoedig een der grootste Kamergroepen, waarop het Kabinet steunt, de Roomsch Katholieken, het vertrouwen aan de Regeering zouden opzeggen.
Dat het op den langen duur tot een breuk zou komen, was te verwachten.
In de vergadering van de Kamer van Dinsdag is de slag gevallen. De Roomsch-Katholieke Kamerclub verklaarde bij monde van mr. Aalberse, dat, wanneer een motie van vertrouwen zou gesteld worden, de Roomsch-Katholieke Kamerleden eenstemmig tegen deze motie hun stem zouden uitbrengen.
Met dit feit voor oogen, en met de verklaring, die te voren door de Sociaal-Democraten en Communisten was afgelegd geworden, dat ook de laatstgenoemde partijen het economisch-en sociaal beleid der Regeering afkeurden, kwamen de zaken zóó te staan, dat een groote meerderheid in de Tweede Kamer zich tegen de politiek van het Kabinet verklaarde.
Dr. Colijn en zijn ambtgenooten konden onder deze omstandigheden niet anders doen, dan schorsing van de beraadslagingen over het bezuinigingsontwerp vragen, teneinde zich nader te beraden over de houding, die de Regeering in deze politieke situatie had aan te nemen.
En zoo is de Kabinetscrisis een feit geworden.
Hoe nu verder het verloop der zaken zijn zal, is niet vast te stellen.
Het is zelfs niet uitgesloten dat er een Kamerontbinding volgt.
In ieder geval is het duidelijk geworden dat de Roomsch-Katholieken er niet voor teruggedeinsd zijn om in deze moeilijke, donkere tijden de verantwoordelijkheid van een crisis op zich te nemen.
Deze verantwoordelijkheid is wel groot.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 juli 1935
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 juli 1935
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's