VAN DEN WOORDE GODS
UIT HET ONGESCHREVEV WOORD.
Genesis 7 : 12—16. En een plasregen was op de aarde veertig dagen en veertig nachten. Even op dienzelfden dag ging Noach en Sem en Cham en Japhet, Noach's zonen, desgelijks Noach's huisvrouw en de drie vrouwen zijner zonen met hen in de ark : Zij en al het gedierte naar zijnen aard en al het vee naar zijnen aard en al het kruipend gedierte, dat op de aarde kruipt, naar zijnen aard, en al het gevogelte naar zijnen aard, alle gevogelte van allerlei vleugel. En van alle vleesch, waarin een geest des levens was, kwamen er twee en twee tot Noach in de ark. En die er kwamen, die kwamen mannetje en wijfje, van alle vleesch, gelijk als hem God bevolen had. En de Heere sloot achter hem toe.
4 e Serie.
XXI.
Het oordeel was ingetreden. De regen stroomde neer en een ongewoon natuurverschijnsel voltrok zich voor de oogen der verbaasde menschheid dezer oude wereld. Zij was er zich niet van bewust, wat er eigenlijk met haar plaatsgreep. Zij had voortgeleefd in hare godvergetenheid, was opgegaan in hare genoegens, haren arbeid uitgevende voor wat niet verzadigen kan. Voor het Woord des Heeren, dat tot haar uitging, bleef haar oor gesloten. De Heere had wel tot haar gezonden, had haar wel geroepen eeuwen lang, door de gemeente, die er nog was, maar met onwil en spot had zij de profeten begroet, die haar het getuigenis brachten. En die oude wereld, had zich gedragen op eene wijze, die eeuwen later den apostel Petrus aanleiding gaven van die menschheid te spreken als van „geesten, in de gevangenis". Zij waren eertijds ongehoorzaam in de dagen van Noach, als de ark werd toebereid, hoewel Gods lankmoedigheid. over hen was geweest. Daarom gingen zij onder, waren zij tot het oordeel bewaard.
En nu was het vreeselijk oogenblik gekomen. De plasregen stroomde van den hemel, en, zoo zegt de Schrift, „Even op dienzelfden dag" ging Noach in de ark. Daarop wordt nadruk gelegd, dat op hetzelfde oogenblik, waarop de vloed verwekt werd, Noach inging.
Zoo lang verkeerde hij onder de menschen, leefde hij met hen, getuigde hij tot hen, maar als de eerste teekenen van het aangekondigde oordeel worden gezien, dan wordt Noach ook terstond weggenomen, opdat hem geen leed genaken zal. Er wordt ons ook niet gezegd, dat Noach voor dat oogenblik ook maar eenigen bijzonderen maatregel nam, die zijne vrees verraden en zijn ingang in de ark als eene vlucht kunnen kenmerken. Ook in dat opzicht blijkt Noach een door waarachtig, levend geloof gedragen man. Alle vrees is hem vreemd, ook al was hij, door het licht, dat de Heere hem over hetgeen geschieden zou, had doen opgaan, diep doordrongen van het geweldige in het oordeel, dat komen zou. Hij wist, dat hij in de schuilplaats des Allerhoogsten was gezeten en daarom ook vernachten zou in de schaduw des Almachtigen. De Heere was hem een toevlucht en een burg en hij kende Hem als den God van zijn vertrouwen. En zoo werd aan hem ook vervuld, dat hij er aan zijne zijde duizend zag vallen en tienduizend aan zijne rechterhand, terwijl hij er zich van bewust was, dat het tot hem niet genaken zou. Met zijne oogen moest hij het alles aanschouwen en de vergelding der goddeloozen zien.
Op zichzelf was dat iets ontroerends, zooals het de zielen van Gods kinderen ontroeren kan in deze dagen van verval en afval, van zedelijke ontwrichting en verwarring, wanneer zij voor hunne oogen zien, hoe deze cultureele wereld ondergaat, hoe Gods Kerk wegsmelt tot onzichtbaar wordens toe, hoe haar invloed taant, de stem van het Woord des Heeren tot zwijgen wordt gebracht en daarmede de ondergang wordt ingeluid. Ja, er kan ontroering gaan door de zielen van Gods kinderen, wanneer zij de levensontwikkeling aanschouwen. Het wordt aan hen wel bevestigd, dat zij hunne ziel zullen uitdragen als een buit. En de Heere geeft hun de rust des geloofs, dewijl zij zich aan Hem mogen vasthouden als ziende den Onzienlijke, maar toch kunnen zij met diep leedwezen het lot der wereld beschouwen, ontroering kennen over de komende oordeelen. De wereld merkt er niet op, is druk met hare toekomstplannen, met haar politieke, economische en sociale idealen, maar dat de grond onder hare voeten wegspoelt, blijft haar verborgen. En zoo was het nu ook met de oude wereld gesteld, tot op den dag zelven, waarop de vloed een aanvang nam.
Noach zelve kende geene vrees, al was zijn ziel met smart vervuld en al zag hij het oordeel komen. De Heere was zijn licht en zijn heil, voor wien zou hij dan vreezen ? De natuur zag hij, als het ware, opstaan, hare krachten zag hij ontbinden, doch hij had het vertrouwen des geloofs. En dus hij haastte niet, deed geen stap tot zijne redding, voordat de Heere zelve hem er toe leidde. En die leiding trad in op hetzelfde oogenblik, waarop de vloed begon. De Heere komt op het juiste oogenblik en het geloof leert op Hem wachten. Daarom zegt de profeet : „Zoo Hij vertoeft, verbeid Hem, Hij zal gewlsselijk komen". Dat verbeiden is voor het vleesch wel eens moeilijk. Ook Gods kinderen staan wel soms, als gaat Gods werk hun te langzaam. Denk slechts aan Jona, die zich in zijne profetie beschaamd waande. En ook in de ure van den nood komt hun de redding soms niet zoo snel als zij wenschen. Zij zien soms hunne vurige begeerten voor gebeden, hunne verlangens voor verzuchtingen aan. En als dan de vervulling uitblijft, dan komt het ongeduld der teleurstelling en dit is de vrucht van ongeloof. Het waarachtig geloof leert wachten op den Heere, loopt niet vooruit op Gods weg, maar leeft uit de zekerheid : „Ik zal geduriglijk bij U zijn. Gij hebt mijn rechterhand gevat"'. Zoo doorleeft nu ook Noach den ingang in de ark. Hij maakt geene aanstalten, stelt zich niet zelven in den weg, loopt niet vooruit, maar wacht. Vele jaren had hij gewacht, vele jaren in geloofsgehoorzaamheid aan den bouw der ark besteed en nu de ure daar is, blijft hij wachten. Hoe anders is het leven des geloofs dan het leven naar den natuurlijken mensch. Als de natuurlijke mensch hetgeen hij lang begeerde en verwachtte, eindelijk ziet naderen, dan wordt hij in de laatste oogenblikken ongeduldig en haastig. En als het gevaar dreigt en het leven er mede gemoeid schijnt, dan wordt hij angstig en bevreesd en doet dan soms daden, die bewijzen, dat de vreeze eene slechte raadgeefster is. Doch Noach geeft het voorbeeld des geloofs. Hij blijft den Heere verwachten, ziet naar Gods oogen, beidt Zijne leiding. En als de plasregen nederdaalt en het oordeel aanvangt, dan wacht hij nog tot het laatste oogenblik, waarin het hem duidelijk wordt gemaakt, dat hij de ark betreden moet, die hij in het geloof had toebereid.
De Schrift legt er grooten nadruk op, dat hij precies op dien dag inging, waarop de vloed een aanvang nam. Ja, er ligt zelfs in, dat hij het middaguur van dien dag afwachtte. Niet vroeger en niet later, maar op des Heeren tijd. En dan gaat Noach in en al wie en al wat met hem de redding zal deelachtig worden. Merkwaardig is nu ook weder de opsomming van de personen en van de dieren, de volgorde, die de waardigheid tot uitdrukking brengt. Toen de Heere met Noach het verbond oprichtte, was tot hem gezegd (Gen. 6 : 18) : „gij zult in de Ark gaan". En nu het oogenblik der vervulling gekomen is, staat er geschreven : „Even op dienzelfden dag ging Noach in". Zoo is er dus volkomen overeenstemming tusschen wat God in het verbond beloofde en nu in de vervulling hem bereidt. Noach was de eerste in het verbond en is de eerste, die ingaat. Na hem komen zijne zonen, in de belofte aangewezen, en hier weder met name genoemd. Zij worden als gespecificeerd opgegeven, opdat wij zullen zien, hoe nauwkeurig de Heere hetgeen Hij eenmaal heeft toegezegd, vervult. Daarom worden de zonen, Sem, Cham en Japhet, met name vermeld. En als deze zijn ingegaan, dan is de beurt aan Noach's huisvrouw en aan de drie vrouwen van Noach's zonen. Zoo wordt ons hier duidelijk, hoe de linie des geslachts loopt over het mannelijk zaad. De namen der zonen worden voor de toekomstige geslachten bewaard, opdat zal worden vastgelegd de linie des verbonds, maar noch de huisvrouw van Noach, noch van die zijner zonen, worden ons genoemd, want zij zijn naar den eisch der patriarchale verhoudingen in hunne mannen begrepen. De man is het hoofd der vrouw, zoo wordt het ons daarin geleerd. Dat was reeds zoo in de alleroudste tijden, van den beginne, naar het woord van den Heere Jezus. De verbonds-gedachte wordt alzoo reeds in de geschiedenis van Noach's redding op den voorgrond gesteld.
Doch behalve dit, is er in deze teekening van den ingang in de ark ook nog opmerkenswaardig, dat er uit blijkt, hoe in Gods Kerk niet het polygame, maar het monogame huwelijk slechts gekend en geoorloofd is van de oudste tijden af. Hoewel de polygamie reeds voor lang hare intrede had gedaan m de wereld, want Lamech was er reeds volgens Genesis 4 : 19 mede voortgegaan, blijkt Gods volk daaraan zich niet te hebben schuldig gemaakt. In de oude, om hare zedelijke verwording ondergaande wereld, vierde ook de sexueele ongebondenheid hare triumphen. Met betrekking tot de huwelijksverhoudingen heerschte onder die verdorven menschheid groote losbandigheid. Doch bij Noach's redding wordt het ons nogmaals duidelijk, dat ui Gods Kerk, bij Gods volk, slechts het huwelijk tusschen één menschenpaar in eere was. Gods volk bleef vasthouden aan de ordinantie des Heeren, in Zijne scheppende daden gegrond. Noach en zijne huisvrouw, zijne zonen en hunne huisvrouwen, gingen in de arke der behoudenis en hebben alzoo voor alle latere eeuwen getoond, dat van het paradijs af en wederom van den zondvloed af de norm van het huwelijksleven in het rnonogame huwelijk is gegeven als de eenig ware menschelijke, in de menschelijke natuur gegronde huwelijksvorm.
Daaruit wordt nu echter ook duidelijk de groote waarde der levensbeginselen, in Gods openbaring aan Zijne Kerk ten richtsnoer gegeven. Temidden eener wereld, die in het booze ligt, houdt Noach aan Gods orde vast, getuigt hij daarvan door zijne daden. En alzoo wordt hij nu ook een prediker zelfs tot deze moderne wereld in haren ondergang. Ook onze cultuur onderscheidt zich door haar sexueele ongebondenheid, die steeds afgrijselijker, steeds bestialer vormen aanneemt. De gemeente des Heeren heeft vooral in deze dagen van verwarring en ontwrichting eene hooge en heilige roeping, door haar zedelijk leven een exempel te zijn, een licht op den kandelaar, eene stad op den berg. En misschien spreekt het verval nergens klaarder, dan juist in het verval van Gods Kerk. De zedelijke toestand van dit moderne leven toont, dat, helaas, ook in de kringen dergenen, die zeggen te behooren tot de Kerk, de onzedelijkheid der wereld doordrong. Hare verwereldlijking blijkt uit de lijsten der ontbonden huwelijken, uit het vele, dat er ook in de kringen dergenen, die zeggen de oud-Vaderlandsche belijdenis te willen handhaven, geschiedt, dat wel in de wereld gewoon, maar door Gods Woord geoordeeld wordt. Daarom is Noach door zijn voorbeeld een prediker, wiens daden spreken tot alle eeuwen na hem. Hij roept ons op, zooals Petrus het ons leere, tot een levenswandel in de vreeze Gods, tot de vraag van een goed geweten tot God, door de opstanding van Jezus Christus. Laat ons luisteren naar Zijne vermaning : „Als gehoorzame kinderen wordt niet gelijkvormig aan de begeerlijkheden dezer wereld".
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 augustus 1935
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 augustus 1935
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's