KERKELIJKE RONDSCHOUW
GEBED Nà HET ETEN
»Als gij dan zult gegeten hebben en verzadigd zijn, zoo zult gij den HEERE uwen God loven over dat goede land, dat Hij u zal hebben gegeven. Wacht u, dat gij den HEERE uwen God niet vergeet, dat gij niet zoudt houden Zijne geboden en Zijne rechten en Zijne inzettingen, die ik u heden gebied».
Heere God, hemelsche Vader, wij danken U voor alle Uwe weldaden, die wij zonder ophouden van Uwe milde hand ontvangen ; dat het Uw goddelijke wil is ons te onderhouden in dit tijdelijke leven en ons te verzorgen met al onze nooddruft; maar inzonderheid, dat Gij ons wedergeboren hebt tot de hoop van een beter leven, hetwelk Gij ons geopenbaard hebt door Uw heilig Evangelie.
Wij bidden U, barmhartige God en Vader, dat Gij niet toelaat, dat onze harten hier in deze aardsche en vergankelijke dingen zouden geworteld zijn; maar dat wij altijd mogen opwaarts zien ten hemel, verwachtende onzen Zaligmaker Jezus Christus, totdat Hij op de wolken verschijnen zal tot onze verlossing. Amen.
KANKEREN
Wij willen in deze rubriek niet veel zeggen van de Kabinetscrisis.
Alleen willen we wijzen op het woord „kankeren".
Wat is het toch ongelukkig, als er altijd weer menschen zijn, die uit den treure vertellen, dat die en die het niet goed doet; dat die en die niet beginselvast is; dat die en die en dan volgt een lange rij van beschuldigingen, verdachtmakingen en lasteringen. En daardoor wordt het werk van degenen, die werken willen met inspanning van alle krachten, bemoeilijkt; ja, niet zelden vergald, met allerlei moeite en verdriet. En als het er dan op aankomt, dat men eens eerlijk in 't openbaar zal zeggen, wat men nu eigenlijk voor grieven heeft en wat men zelf zou willen en kunnen doen, dan hakkelt men. Dan verweert men zich, maar 't gelukt niet. Dan zal men 't zelf gaan doen, en 't loopt op niets uit.
„Kankeren".
Daar dachten we telkens aan in de dagen, die achter ons liggen, rondom de Kabinetscrisis. En we hebben met smart gevoeld wat „kankeraars" kunnen bederven, waarbij ze gewoonlijk een heel onschuldig gezicht zetten, hoewel hun doen misdadig is.
„Kankeraars" kunnen veel bederven en maken gewoonlijk weinig goed.
Brekers zijn 't wel, bouwers niet.
Gelukkig, dat de Heere het zóó bestuurd heeft dat onze minister-president als een man des geloofs. Volk en Vorstenhuis hartelijk liefhebbend, het werk weer heeft aanvaard. Zelf door genade iets kennend van de rust in God, maant hij ook het volk aan tot rust en zelfbeheersching.
Niet kankeren. Niet elkaar verbijten en vereten. De handen in elkaar geslagen. Tweedracht breekt de kracht, eendracht maakt macht.
De Heere vervulle Zijn belofte aan den minister-president, dat Hij genade en eere zal geven allen, die op Hem betrouwen.
Die op Hem hopen, zullen de kracht vernieuwen. Ze zien andere machten en kennen andere sterkten dan de wereld ziet en kent. En daardoor wordt alles anders.
Welzalig, die op den Heere hopen; die den God Jakobs tot hun hulpe hebben.
Die God beschaamt ook de „kankeraars" — op Zijn tijd.
SCHRIFT EN OORLOG
De houding van den christen inzake de Schrift en Inzake den oorlog, behoort niet tot de makkelijkste.
We moeten de zaak maar niet zoo eenvoudig stellen, dat oorlog op deze zondige wereld nu eenmaal noodzakelijk is en daarom „vooruit maar!" — Soms schijnt het wel eens, alsof de christen er zoo over denkt. Maar dan is dat niet, zooals het een christen betaamt. We zullen, juist .als christen, alles hebben te doen, wat we kunnen, om oorlog tegen te gaan. Daarvoor hebben we daadwerkelijk te strijden, als christen, maar ook als staatsburger met of zonder christelijke confessie.
Ds. S. G. de Graaf, Geref. pred. te Amsterdam, zegt in zijn mooie, origineele brochure: „De Heilige Schrift, het Koninkrijk Gods en de Oorlog", op bladz. 16 : „Door de volkeren moet alle mogelijke wettige druk op de Overheden geoefend worden, opdat zij haar eigen onbeperkte zelfstandigheid prijs geven en zoo spoedig mogelijk komen tot de erkenning van het recht der internationale ordening. Het in herinnering houden van den jammer der laatste eeuwen, en vooral van de jaren aan 't begin van deze eeuw, moge voortdurend tot het oefenen van dien druk prikkelen".
Er wordt zoo dikwijls gesproken over „souvereiniteit in eigen kring". Prachtig! Maar we moeten dan toch wel heel voorzichtig zijn, als we die mooie woorden gebruiken. Want de mensch is in geen enkel opzicht souverein. We kunnen spreken van een onderscheiding van terreinen. Maar dan is het altijd zóó, dat we, levend en werkend in al die onderscheiden terreinen, ondergeschikt, ja, onderworpen zijn aan den Souverein over alle terrein; aan God !
Er mag geen verwarring komen van de onder scheidene terreinen, maar in gezamenlijke onderwerping aan den Souverein, zullen de terreinen niet met elkaar mogen botsen, maar in harmonische openbaring naast elkaar en in verband met elkaar zullen ze moeten en kunnen voortleven. Wat ik in mijn gezin doe, kan en mag toch nooit het leven van de sociale gemeenschap in gevaar brengen. Ik mag mijn „souvereiniteit in eigen kring" niet misbruiken tegen wet en regel ingaande. En daarom kan het noodig zijn, dat de Overheid straffend Intreedt, als ik in het gezinsverband doe, wat voor de onderlinge samenleving en gemeenschap zeer gevaarlijk is.
Het is zeer noodzakelijk, dat de gedachte van het recht van internationale ordening hoe langer hoe meer ingang vinde.
Het is wel zóó, dat ons in de Schrift, met name in het Boek de Openbaring, een internationaal rijk geteekend wordt, waarin de zonde heerschappij heeft en de Antichrist het bewind voert. En daarom is het wel te verstaan, dat het voor sommige geloovigen niet altijd even gemakkelijk is om de openbaring van zulk een internationaal rechtsbestaan voor te staan. Ze schijnen daarin en daarbij zoo heel dicht te komen bij de openbaring van het antichristelijk rijk — maar zóo kunnen we als geloovigen ons toch van de zaak niet afmaken. Als er een bepaald instituut is, dat een verkeerde ontwikkeling laat zien in het wereldleven, is daarmee het bestaan van dat instituut nog niet veroordeeld en kan het roeping zijn om de juiste ontwikkeling van het instituut voor te staan en te streven naar een Schriftuurlijke openbaring van dat toch noodzakelijke instituut.
Het is eisch van noodzakelijkheid, dat door een internationale ordening de volkeren beschermd warden tegen het kwaad van den oorlog. Dat met nadruk voór te staan, is zeker eisch van het christendom. En hier kan ook het christelijk geloof als een zuurdeesem in het midden van de wereld werken. Vooral het geloof heeft hier een taak en roeping te vervullen, want de christenen hebben te bedenken en te loeren, dat de zonde een schandvlek der natie is, maar dat gerechtigheid een volk verhoogt; en niet alleen één volk, maar de volkeren saam, 't volkerenleven in z'n geheel.
De christen moet voorstaan een rechtsorde, waarin de gerechtigheid gehandhaafd wordt In alle wereldgebied en wereldverhouding, dus óók in de verhouding der volkeren. En dat kan gebeuren, zeker, door geschonden onrecht uit te bannen en tegen te gaan, maar het gaat toch bovenal om een rechtsordening, waarin het onderling recht geregeld wordt en waarin men zich verbindt eikaars belangen te verdedigen en te handhaven.
Intusschen nu is en blijft de moeilijkheid, dat we zulk een Internationale rechtsordening, bindend voor alle volkeren, nog niet bezitten. Wat moeten we nu ? We hebben onze taak in de werkelijkheid van het heden te zien. Moeten we dan nu het recht maar laten schenden ? Moeten we dan nu maar dulden, dat het recht met voeten getreden wordt ? Moeten we ons maar onder den voet laten loopen ?
Ik geloof, dat het zoó staat, dat het volkerenbestaan wel heelemaal is de wil van God in de historie. De menschen, die bij elkaar wilden blijven, werden door den Heere zelf over de aarde verstrooid en in onderscheiden bestaan over de aarde gedeeld. Dat is het werk van den almachtigen God. Hij heeft ieder volk een eigen terrein gegeven. We hebben dus in dat alles te doen met bezit des Hoeren. Het is de erve, ons van den Heere toevertrouwd.
Ik geloof, dat het dan ook zoo te zeggen is, dat wij hebben te bewaren dat, wat God ons heeft toevertrouwd. Dat wij hebben toe te passen de middelen, die ons ter bewaring gegeven zijn. Dat wij daarin te leven hebben onder de toestand, die een bepaalde tijd openbaart.
Ieder, die dit alles in Schriftuurlijk licht ziet, zal tot de erkenning moeten komen, dat naar de Schrift het Koninkrijk Gods de overheid en haar gezag tot handhaving van het recht en in het algemeen rechtshandhaving, niet uitsluit, maar insluit. Vóór alle dingen zijn we geroepen tot handhaving van het recht in het midden der wereld. De overheid draagt tot dit alles 't zwaard niet tevergeefs.
Het kan nooit eisch des Heeren zijn, dat we maar zoo ons laten ontnemen, wat de Heere aan onze zorgen heeft toevertrouwd. We moeten ons naar het bevel des Heeren teweer stellen tegen de schending van het recht. Daarvoor alles over hebben. Recht en gerechtigheid zijn van hooger waarde dan het leven zelf. In het doen schenden van recht en gerechtigheid maken we ons ook schuldig aan sterke levensverderfenis en levensondergang. Wat we dan zouden willen voorkomen, door met de eene hand het zwaard te laten rusten, zouden we met de andere hand toch verrichten. Zoo kan eenvoudig het nalaten van den oorlog, zonder het bestaan van een internationale rechtsregeling, nooit oplossing zijn. Dat is evenzeer levensondergang, als het de oorlog is in dat vergieten van bloed, ; integendeel, de oorlog kan het recht handhaven en het leven beschermen.
Nu komt er deze spanning in het leven van den christen, aan den eenen kant gevoelt hij, dat hij er toe geroepen is om tegen het kwaad van den oorlog te strijden, en aan den anderen kant kan hij zich in de noodzakelijkheid weten van geroepen te zijn, waarlijk geroepen, om in den oorlog te strijden voor de handhaving van het recht Gods ook in de verhouding der volkeren. Aan den eenen kant zal zijn hart moeten schreien bij zooveel weedom, over de wereld uitgegoten, en toch zal hij soms dat wee moeten aanvaarden om het wee van geschonden recht te overwinnen. En in dat alles zal hij er voor hebben te waken, dat zijn staan in den strijd zij een staan voor het recht, opdat niet wraaklust en haat hem drijve, maar liefde voor de rechtsverhoudingen, die God in het leven gegeven heeft.
Daarom, wie het recht Gods ook in de volkerenwereld liefheeft, zal als oplossing niet kunnen en mogen zien eenzijdige ontwapening of dienstweigering. We maken nu eenmaal met een houding van lijdelijk toezien in rechtschending aan het onrecht niet een einde. Revolutionair is de geest van het evangelie nooit en nergens.
In deze houding van den christen in dezen tijd blijft een element, dat niet verstandelijk en theoretisch op te lossen is. Strijdend voor een internationale rechtsregeling, zoolang die regeling er nog niet is, de roeping om te staan in den strijd aanvaarden, zoo is het levenseisch in den tijd, waarin de Heere ons te leven geeft. We zullen alleen dan in den strijd eerlijk kunnen staan, indien we weten in het vervullen van onze roeping vrij uit te gaan. Schelden tegen het kwaad van den oorlog, zonder te strijden voor internationaal recht en de verwerkelijking daarvan en het gebed daarvoor en de belangstelling daarin, is een verweer tegen den oorlog, opkomend uit het menschelijk gevoel en niet ingegeven door den Geest van het Woord, waarin het staan voor het recht zoo op den voorgrond staat. We moeten het recht liefhebben. Dat moet op den voorgrond staan. De openbaring van het Kruis brengt ons altijd bij de groote geestelijke waarde van het recht. Zoo is heel het Evangelie. Wij schermen zoo graag met de liefde, maar het Evangelie stelt het werkelijk zoo : Zoekt eerst het Koninkrijk Gods en zijne gerechtigheid. Met gevoelsoverwegingen komen we niet zooveel verder. Daar gaat ook niet zoozeer kracht van uit. In den strijd voor het recht zoeken naar het verdwijnen der oorlogen en toch ook weer den oorlog aanvaardend in de worsteling voor het recht. Evenwicht brengend in eigen leven, die de spanning tusschen die beide met zich brengt.
Buigen onder het Woord, is buigen onder het recht. Leven uit het Evangelie, is strijden voor het recht. In alles. Ook in de verhouding van het volkerenleven. Gerechtigheid verhoogt ook het samenleven der volkeren.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 augustus 1935
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 augustus 1935
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's