De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

EEN BRIEF VOOR U!

14 minuten leestijd

„Een brief", hoor ik u zeggen. Een brief van wie ; welk stempel staat er op het adres ? Wie is toch wel de afzender ?
Het is toch geen brief van de dood ?
Ik denk aan dien hoogleeraar, die op 'n herfstmorgen op zijn studeerkamer was gezeten en wiens aandacht bij zijn studie plotseling werd afgeleid door het vallen van een vaal, geel blad tegen de ruiten van het venster, waarvoor hij gezeten was. Het was herfst en de vele vale bladeren werden door den herfstwind voortgedreven.
Die hoogleeraar mocht in die ure de sprake der natuur verstaan. Dat vallende blad, dat eventjes tegen de ruiten tikte, was als het ware een brief van de dood. Immers de Schrift predikt het ons, dat wij allen afvallen als een blad en dat onze misdaden ons daarhenen voeren als een wind.
Maar neen, de brief, die ge hier te lezen krijgt, is geen brief van de dood, maar een brief uit den hemel. Het is een van de zeven brieven, die de Ziener van Patmos op Gods bevel heeft moeten schrijven aan de zeven Klein-Aziatische gemeenten.
Wat loopen Gods wegen toch wonderlijk. Die trouwe dienstknecht Johannes., die eigenlijk in Efeze volstrekt niet kan worden gemist, wordt door de woede der vervolging naar het eenzame rotseneiland Patmos gevoerd.
En toch heeft de Heere zich niet vergist. Aan het strand van de luid ruischende rivier heeft de Heere hem het boek der Openbaring doen schrijven, een boek van vermaning en van vertroosting voor de Kerk Gods van alle eeuwen !
Den eersten brief, die de ziener van Patmos heeft geschreven, wensch ik dat ge lezen zult. Bij het vierde vers uit dien brief zullen we wat breeder stilstaan.
»Maar ik heb tegen u, dat gij uw eerste liefde verlaten hebt«. Openbaring 2 vers 4.
De ziener van Patmos richt zich in de eerste van zijn brieven, die hij op goddelijk bevel schrijven moet, tot zijne geliefde gemeente van Efeze. Van alle heilige Schrift geldt, dat ze van God den Heiligen Geest is ingegeven, maar van deze brieven geldt dit in dubbelen zin. Men mag dan ook wel met recht zeggen, dat we hier te doen hebben met een brief uit den hemel.
Vol majesteit luidt de aanhef : Dit zegt Hij, die de zeven sterren in Zijne rechterhand houdt, die in het midden der zeven gouden kandelaren wandelt. Ik weet uwé werken en uwen arbeid en uwe lijdzaamheid, en .dat gij de kwaden niet kunt verdragen en dat gij beproefd hebt, degenen, die voorgeven, dat zij apostelen zijn en zij zijn het niet, en hebt ze leugenaars bevonden en gij hebt verdragen en gij hebt geduld en gij hebt om Mijns naams wil gearbeid en zijt niet moede geworden.
Het is de begeerte van den ziener van Patmos om het goede, wat er door Gods genade nog in de gemeente van Efeze gevonden mocht worden, zooveel mogelijk naar voren te brengen.
En dan blijkt uit alles o zoo duidelijk, dat men in Efeze het water maar niet over Gods akker had laten loopen. Ze hadden het zich tot taak gesteld om de beginselen van het kruis van Christus uit te dragen op allerlei terrein des levens.
Wie dat doet, heeft op den smaad en den hoon der wereld te rekenen. Maar ziet, tegenover al die vijandschap hadden ze groote lijdzaamheid aan den dag mogen leggen.
Echter geen verdraagzaamheid, waarbij met het beginsel wordt gesold ! Van neutraliteit hebben ze niets willen weten. Ze hébben er zich maar niet bij neergelegd, dat valsche apostelen allerlei wind van leer zouden verbreiden. Neen, ze hebben wel terdege beproefd al degenen, die voorgaven, dat ze apostelen waren, doch inderdaad leugenaars werden bevonden. In dit opzicht hebben ze het voetspoor van Israels profeten gevolgd, die het hebben durven wagen om de goden der heidensche volkeren drekgoden te noemen.
Maar ziet, na deze woorden van grooten lof volgen nu ook weer ernstige woorden, waarin hij zijn droefheid te kennen geeft over grooten achteruitgang : „Maar ik heb tegen u, dat gij uwe eerste liefde verlaten hebt".
Deze beeldspraak is u niet onbekend.
Wat gebeurt het menigmaal, dat in het huwelijksleven de liefde tusschen man en vrouw verkoeld is. O, waar is dan toch de innige liefde uit den tijd van den ondertrouw gebleven ? Twist en krakeel nemen de plaats in der liefde. Voor de innige vurige liefde kwam in de plaats koudheid en lauwheid en traagheid.
Ik denk daar aan de schoone beeldspraak uit het hooglied van Salomo. Daar lezen we van de bruid, die zich had neergevleid op het bed van de zorgelooze rust. Ze stoorde zich niet aan het geklop van haren bruidegom, die daar buiten stond en zoo vurig wenschte om te worden binnen gelaten.
Zijn haar was vervuld met nachtdruppels. Een vermoeiende tocht lag achter hem. Ach, waarom stond zijne bruid niet op om hem open te doen ?
Maar neen : ik heb mijn rok uitgetogen, hoe zou ik hem weder aantrekken, en ik heb mijne voeten gewasschen, waartoe zou ik ze wederom bezoedelen ? — zoo klonk het van binnen. En eindelijk trok haar liefste, moe van het kloppen, zijn hand terug van het gat der deur, echter de mirre aan de handvaten van het slot achterlatende.
Helaas, zoo was ook de gemeente van Efeze, ondanks al haren uitwendigen ijver voor de waarheid, in de waarachtige innige liefde vertraagd en verachterd.
Hoewel we gaarne toegeven, dat er van verachteren in de genade eigenlijk alleen slechts sprake kan wezen bij een kind van God, zoo durven wij het toch ook te wagen om te spreken van een verachteren bij een mensch, die nog onbekeerd is.
Of gebeurt 't niet menigmaal, dat een mensch, die in de dagen van zijne jonkheid nog wel de knieën boog om den Heere te bidden om een nieuw hart, later misschien zoover afzakt, dat hij de middelen veracht en niet eens meer opgaat naar Gods huis of thuis den bijbel niet meer leest.
Zijn dan nu de teedere indrukken van de eeuwigheid totaal verdwenen uit uwe ziel ? O, wie gij ook zijt, de eisch der bekeering, die onmiddellijk volgt op ons tekstvers, geldt ook u.
O, wat ge vroeger wel eens hebt gedaan, namelijk in de eenzaamheid de knieën buigen, doe dat weer. O, naar de eenzaamheid van het bidvertrek om uw Rechter om genade te bidden !
Het is misschien de laatste roepstem in uw leven, die ge vandaag nog krijgt te beluisteren, de roepstem van dien rijken Heiland, die zondaren roept tot bekeering.
Er kwamen al zoovele roepstemmen tot u. Roepstemmen in den weg van voorspoed, maar ook in den weg van bittere tegenheden. O, sla ze toch niet langer in den wind, opdat de Heere niet, evenals de bruidegom uit het Hooglied van Salomo, Zijn hand voor altoos aftrekke van de deur uws harten om nimmer meer te kloppen. O, waar ge ook voor te vreezen hebt, weest nergens zoo bang voor als voor het oordeel der verharding en gedenk aan het vermanende woord der Heilige Schrift: Zoo gij Zijn stem dan heden hoort, gelooft Zijn heil-en troostrijk Woord, verhardt u niet, maar laat u leiden.
Er was eens een zeilschip op den Stillen Oceaan verzeild geraakt in het gebied van de windstilten. Geen windje maakte de zeilen bol. De stuurman kon de stuurpen gerust los laten en de kapitein verliet de commandobrug. De bemanning van het schip kwam tenslotte in het grootste gevaar. En dat niet tengevolge van stormen en orkanen, maar van de schrikkelijke windstilte, omdat water en proviand weldra op waren na weken van rust.
Was de windstilte gevaarlijk in dat verraderlijke gebied, nog gevaarvoller is windstilte op geestelijk gebied. Dat moet het scheepke van ons leven naar den eeuwigen afgrond voeren.
Spraken we tot hiertoe over de verachtering van den onbekeerden mensch, ge gevoelt dat er eigenlijk alleen bij een kind van God sprake zijn kan van een verlaten van de eerste liefde.
O, gij allen, die Hem hebt leeren dienen en vreezen, gij weet van die eerste heilige liefde. O, wie zal beschrijven de schrik, toen de blinddoek van uw aangezicht werd weggenomen en de Heere u uwe zonden ordentelijk voor oogen stelde. Met recht sprak de apostel Paulus, dat Hij den schrik des Heeren wist.
Zonden met gedachten, zonden met woorden en zonden met werken, ze getuigen tegen ons. En het is niet maar dit of dat groote kwaad, hetwelk om straf roept, neen, de dichter heeft het in al zijn zwaarte beseft, dat hij reeds verdoemelijk lag voor het aangezicht van God vanaf de ure van zijne ontvangenis af.
O, wat rees er toen een vurig geroep om genade naar omhoog, toen het voor uw zielsoog duidelijk werd, dat geen deugd, geen plicht u kon redden van het eeuwig verderf. Gij hadt een Borg noodig voor uw zondaarsziel.
En de Heere hoorde. Hij deed het wel niet óm uw gebed, maar dan toch óp uw gebed. Uw geloofsoog werd in meerdere of in mindere mate ontsloten voor den rijkdom der genade, die daar gevonden wordt voor arme zondaren in dien rijken Borg en Middelaar, Christus Jezus.
Ziet, toen werd een blijdschap uw deel, die de wereldling niet kent. Dat er voor u, den grootste der zondaren, nog redding was, moest u doen uitroepen : Wij zien het, maar doorgronden 't nie(t. En toen werd de liefde God's in Christus Jezus in het hart uitgestort, die u deed roemen in vrije ontferming.
Met al de liefde van uw hart wenschtet ge nu uw Heiland te volgen en te dienen. Ge wildet Hem overal volgen, door bezaaide, maar ook door onbezaaide landen.
Ik zal U hartelijk liefhebben, o Heere, mijne sterkte ! Dat was toch zeker ook toen de taal van uw hart. Ge hebt u stellig voorgenomen om nimmer meer tegen den Heere te zondigen en Hem nooit meer met uw ongerechtigheden te bedroeven.
O, zeg mij : is het altijd bij dat heilig voornemen gebleven ? Is de liefde nimmer verkoeld ? Hebt gij den Geest Gods niet uitgebluscht ?
O, wat kan er op de tijden der eerste liefde spoedig een andere tijd volgen. Satan gaat weer rond als een brieschende leeuw. De wereld begint weder tot zonde te verlokken en het eigen vleesch, de overgeblevene zwakheid, begint zich wederom te verheffen. Het schuldbesef is niet meer zoo levendig. Het gebed is niet meer zoo innig ; de behoefte om zich in de eenzaamheid af te zonderen, wordt niet meer zoo diep gevoeld.
Van dat brandende verlangen om op te gaan naar de voorhoven des Heeren is geen sprake meer. De lust tot lezen en onderzoeken van des Heeren Woord begint te verminderen of soms zelfs geheel te ontbreken.
Het geloof wordt niet meer geoefend. O, wat leeft men dan weer ver van zijn hart, en woorden moeten nu goed maken, wat er aan innerlijk leven wordt gemist.
Gevoelt ge nu niet de smartkreet van den hemelschen Bruidegom, dat ge uwe eerste liefde verlaten hebt ?
Maar dan zult ge ook begrijpen, waarom Hij zoo ernstig vermaant: Gedenk dan, waarvan gij uitgevallen zijt en bekeert u, en doe de eerste werken, en zoo niet, Ik zal u haastelijik bijkomen en zal uwen kandelaar van zijn plaats weren, indien gij u niet bekeert.
De Heere wil den mensch, maar in het bijzonder Zijn kind, doen terugzien op hét afgelegde levenspad, opdat het berouwvol tot Hem zoude wederkeeren.
O, afgedwaalde Sioniet, gij moet weer bij vernieuwing van uwe blindheid worden genezen om te zien hoe ver ge wederom van het Vaderhart zijt weggezworven.
De Heere roept u tot bekeering. De valsche lijdelijkheid van onze dagen wil van dezen strengen eisch des Heeren niet weten. Men hoort liever met Efraïm klagen : Heere, bekeer Gij mij, dan zal ik tot U bekeerd zijn. En inderdaad, de bekeering is óók des Heeren werk. Alle Sionieten, die zullen zijn binnen gegaan, zullen het ook met den dichter moeten instemmen: We steken het hoofd omhoog en zullen d' eerkroon dragen. Door U, door U alleen, om het eeuwig welbehagen ; maar dat neemt toch niet weg, dat het een ernstige waarheid blijft, dat God den mensch in Zijn Woord nergens toespreekt als een stok of als een blok, maar veeleer als zedelijk verantwoordelijke schepselen.
O, laat daarom de eisch der bekeering u op de knieën mogen brengen. Wat was de bedreiging, die de Heere er aan toevoegde, verschrikkelijk. Het licht zou van den kandelaar genomen worden.
Ik denk met weemoed aan die Klein-Aziatische gemeenten. Voor het Kruis kwam de halve maan In de plaats, en van het Christendom is bijna niets meer te bespeuren.
Laat het tot waarschuwing ook voor ons allen mogen wezen. De Heere kan ook in onze landpalen het licht van den kandelaar wegnemen. Reeds zijn er vele streken van ons Vaderland, waar het o zoo donker is op geestelijk terrein des levens.
O, lezers van deze overdenking, ik mocht u voorlezen een ernstige brief uit den hemel. Behoort ook gij tot degenen, die in de genade verachterd zijt, of bekommerdet gij u nog nimmer over de eeuwige dingen.
O, bedenk toch dat gij een eeuwigheid tegemoet reist. Er is als maar ééne schrede tusschen ons en den dood. In de gemeente, die ik dien, werden we er door treffende sterfgevallen zoo ernstig aan herinnerd. O, wat ik u bidden mag, wacht toch op geen hoorbare stem, op een brief, uit den hemel aan uw adres, in den letterlijken zin.
De wensch van den rijken man uit de gelijkenis van den rijken man en de arme Lazarus om dezen naar de aarde te zenden om de broeders van den rijken man te waarschuwen, wordt van de hand gewezen met het zooveel zeggende : Ze hebben Mozes en de proleten.
Verwacht het niet van de vervulling van deugden en plichten. Denkt toch niet, dat het wèl met u is, omdat ge ieder het zijne gegeven hebt. Tusschen wieg en graf moet wat anders worden gekend dan de natuur ons leert. Vermanend klonk het van de lippen van den Zoon des menschen, dat zonder wedergeboorte niemand het Koninkrijk Gods kan zien.
Er is maar één weg : naar het Kruis van Gol­gotha.
Daar gebeden om genade, en geen recht. Hij, die de verachterde gemeente van Efeze tot bekeering riep, omringt ook u met Zijne roep­ stemmen.
Zijt gij, o kind des Heeren, in de genade verachterd ? Misschien dat gij het niet eens beseft. Lezen wij niet van Simson, dat hij niet wist dat de Heere van hem geweken was. Vernieuwde zelfontdekking is telkens weer van noode. Graaf nog dieper in dien wand, en ge zult nog meer gruwelen vinden, is het gevleugelde woord van Ezechiël, wat telkens weer van toepassing is op het leven van Gods kind, ook van deze twintigste eeuw. Maar waar de zonde meerder wordt, en met ootmoed en Innerlijke zieleworstelingen mag worden beleden, daar wordt ook de genade Gods bij vernieuwing overvloediger.
Ik denk weer aan de bruid uit het Hooglied, nadat de bruidegom zijn hand van het gat der deur had afgetrokken.
Onrust begon haar hart opeens te vervullen. Dat was het gevolg van de werking van de heerlijke mirre die hij aan de handvaten van het slot had achter gelaten. O ze stond op en snelde naar de deur, maar ach, haar liefste was geweken.
Krank van liefde ging ze nu uit om hem overal te zoeken. En mocht hij zich al een wijle voor haar zoekend oog verbergen, Hij laat zich verrassend vinden gelijk Hij het zelf heeft gezegd : „Eer ik het wist zette mij mijne ziel op de wagens van mijn vrijwillig volk".
O verachterde. Hij zoekt ook u, opdat ge hem weer met angst zult zoeken, want het is Zijn lust om zich te laten vinden.
O laat er mogen wezen een toenemen in zondekennis, maar ook in de kennis van God in Christus, die Zijn leven aan het kruis gaf om zondaren te zaligen.
O, wat zal het dan eens syn, als Gods kind den hemel zal zijn binnengegaan. Dan geen vertragen of verachteren meer, maar een eeuwig aanschouwen en een genieten van de liefelijkheden die zijn aan Gods rechterhand.
Ermelo
J. J. Timmer

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 augustus 1935

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 augustus 1935

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's