WOORD EN SACRAMENT
De Kerk der Reformatie, welke God heeft vrijgemaakt en uitgeleid uit het diensthuis van de Roomsche Kerk — naar welk gevangenhuis we niet hebben terug te verlangen, om weder te keeren naar - de plaats, waaruit de Heere onze Vaderen heeft verlost — heeft altijd gezegd : wij zijn geen nieuwe Kerk, maar wij zijn de voortzetting van de eigenlijke, aloude Kerk, zooals de Heilige Geest die na het Pinksterfeest onder Jood en heiden, als de algemeene, Christelijke Kerk, heeft te voorschijn geroepen, waarvan de Apostelen en die na hen kwamen, de getrouwe getuigen zijn geweest. Onze Vaderen zeiden, dat Rome het wezen van die Christelijke Kerk verloochend had en dus geen aanspraak meer op dien naam mocht maken. De Roomsche Kerk was de misvormde, de gedeformeerde Kerk, in onze Belijdenis, Artikel 29, genoemd: de valsche Kerk. En de Kerk der Reformatie was de hervormde of gereformeerde Kerk, welke een nieuwe vorm had aangenomen, terugkeerende tot het Woord en tot de Sacramenten, die door Christus Zelf zijn ingesteld. Geen nieuwe Kerk, maar de aloude Christelijke Kerk, uit de misvormde Kerk van Rome vrijgemaakt! Zóó diende de Kerk der Reformatie zich aan.
Waartoe „vrijgemaakt" ? Tot de vrijheid van den natuurlijken mensch ? Tot de vrijheid van het zondige geweten ?
Immers neen !
De Reformatie heeft zich altijd beroepen op de Heilige Schrift. — Een andere autoriteit, een ander gezag dan Gods Woord erkende de Hervorming niet, althans het Gereformeerd Protestantisme niet (want Luther ging soms den kant uit, dat de regeerende vorst óók een autoriteit voor de Kerk was, wat Calvijn principieel nooit heeft gewild). En de Gereformeerde Kerk heeft altijd als kenteekenen van de geïnstitueerde Kerk met haar ambten en bedieningen, genoemd : 1. de reine, zuivere prediking des Woords, en 2. de rechte, zuivere bediening der Sacramenten. Rein, zuiver, recht, d.w. z. overeenkomstig de Heilige Schrift, zijnde de Canonieke boeken des Ouden en Nieuwen Testaments. „Alle deze boeken alleen ontvangen wij voor heilig en canoniek, om ons geloof daarnaar te reguleeren, daarop te gronden en daarmede te bevestigen" (Art. 5 Ned. Geloofsbelijdenis). Of, zooals artikel 7 Ned. Geloofsbelijdenis zegt: Wij gelooven, dat deze Heilige Schrift den wille Gods volkomenlijk vervat, en dat al hetgeen de mensch schuldig is te gelooven om zalig te worden, daarin genoegzaam geleerd wordt". En vervolgens : „Overmits de geheele wijze van dienst, dien God van ons eischt, aldaar in den breede beschreven is, zoo is het den menschen, al waren het zelfs Apostelen, niet geoorloofd, anders te leeren, dan ons nu geleerd is door de Heilige Schrift; ja, al ware het ook een engel uit den hemel".
Wij behoeven dus niet te twijfelen aan de braafheid en vriendelijkheid van welke leeraars ook, maar in de Kerk der Reformatie gaat Gods Woord boven alles. Zelfs boven menschen, als engelen zoo lief. De Kerk is niet van ons. De Kerk is van Christus (daarom is dat „lief" spreken van „onze" Kerk soms heel bedenkelijk!) en Hij bouwt Zelf Zijn Kerk (niet wij), „'t Is Mijn Gemeente", zegt de Heiland, en „Ik zal haar bouwen". En het fundament noemt Hij dan Zelf: „Jezus Christus, de Zoon des levenden Gods" (Matth. 16).
Onze Vaderen hebben op grond van Gods Woord de Roomsche Kerk op zij gezet, met haar priesterschap, met haar hiërarchie, met haar pausdom, met haar traditie of overlevering, met haar mis; met haar heiligenvereering (de heillgen genomen zoowel als bemiddelaars ter verzoening als helpende voorbidders) ; met haar leer der verdienstelijkheid der goede werken, enz. enz.
Al beriep de Roomsche Kerk zich op haar oudheid, onze Vaderen zeiden : het rijk van satan en leugen is óok heel oud, en kan toch aan zijn eeuwen langen duur geen bestaansrecht ontleenen. En de oudheid is wel een bewijs van levenskracht, maar volstrekt niet van deugdelijkheid. Er zijn heel wat ouden van dagen, met grijze haren, die men echter daarom volstrekt nog niet een eerkroon opzet!
En dat Rome's kerk zoo sierlijk, zoo vol luister, vol rijkdom, grootheid en eer is — is dat voor Christus' Kerk ooit een bewijs geweest van waarlijk Gods Kerk te zijn ? Heeft de Heiland voor Zijn Kerk geen andere kenmerken gegeven ? Wij meenen, dat Gods Woord hieromtrent geen onzeker geluid laat hooren.
De Kerk der Reformatie is teruggekeerd tot het Woord. Maar daarmee is volstrekt niet gezegd, dat zij het ideaal heeft verwezenlijkt. Ook niet, dat het daar nu rust en vrede is. Integendeel. Zij is en blijft onvolmaakt. Zij is ook altijd tot hinken en tot zinken gereed. Ze wordt ook altijd bedreigd — dikwijls onder de schoonste leuze van vrijheid en waarheid en recht! — om haar van haar grondlagen los te maken. En daarom is onlosmakelijk aan de Kerk der Reformatie verbonden, dat zij een strijdende Kerk is. En dat zij te strijden heeft met het geestelijk zwaard, met het Woord!
Kerk des Woords heeft de Kerk van Christus te zijn. En het Woord is het boek des Geestes (Catech. Zondag 25, antw. 67). Welke Geest des Heeren Christus' Kerk wil leiden in alle waarheid, opdat zij daarin een getrouwe getuige mag zijn, een pilaar en vastigheid der waarheid, Gode tot eer en den mensch tot zegen. De verhoogde Heiland heeft nooit nagelaten Zijn Kerk op aarde bij deze dingen ernstig te waarschuwen. En Hij prijst het, als Zijn Kerk om der waarheid wil de verdrukking verdraagt en als zij beproeft degenen, die voorgeven dat zij Apostelen zijn, en zijn het niet. Dat behoort mee tot de smarten der Kerk. Maar het is ook haar eer en vreugd, haar sterkte en kroon (Openb. 2 vers 2, 9, enz. enz.). 't Welk de Kerk als Kerk (niet enkele personen individueel, maar de Kerk als Kerk) moet verstaan.
De kenteekenen van de ware Kerk, die werkelijk Kerk van Christus wil zijn, zijn twee, hoewel er soms ook drie worden genoemd, maar dan is dat derde kenmerk eigenlijk niets anders dan een nadere omschrijving en toepassing van de twee kenmerken. Welke twee kenmerken zijn : de zuivere bediening des Woords en de rechte bediening der Sacramenten, naar de instelling van Christus. Waarbij de Kerk toezicht heeft te houden en heeft te waken, dat het èn met de bediening des Woords èn met de bediening der Sacramenten — en dus met het Kerkelijk leven — niet mis loopt. Vandaar wordt als derde kenmerk wel genoemd: de kerkelijke tucht. Welke tucht een tucht des Woords moet zijn. Van welke kerkelijke tucht b.v. wordt gesproken in Matth. 18, maar ook in Artikel 32 Ned. Geloofsbelijdenis : „Van de orde en discipline of tucht der Kerk" ; en ook onze Heidelbergsche Catechismus, het aloude Troostboek der Kerk, spreekt er van in Zondag 31, vr. en antw. 83—85. Zonder tucht kan geen persoon, kind noch volwassene; geen gezin, geen school, geen Kerk. En de tucht des Christens moet dan zijn een trekken met het Woord der waarheid. Tucht des Woords tot behoudenis of tot verderfenis. (Matth. 18 : 15—17). Welke tucht èn voor de Gemeente zelve èn voor de leden persoonlijk noodzakelijk is.
Er kan geen ware Kerk zijn, zonder de bediening des Woords. Zoomin als er een bloem of plant kan zijn zonder zaad. „Zoo is dan het geloof uit het gehoor en het gehoor door het Woord Gods" (Rom. 10 vers 17). De Kerk ontstaat nergens en nooit spontaan uit zich zelf, maar zij ontkiemt onder de bedauwing des Geestes uit het Woord, dat te voren uitgestrooid werd als een levend zaaisel. Niet door ceremoniën of plechtigheden, maar door het gepredikte Woord, dat beluisterd en gehoord wordt, wil de Heilige Geest niet alleen de geloofsdaad, maar ook het geloofsvermogen werken. God, die alles kan, heeft het in Zijn Woord geopenbaard, dat het Zijn wil is, door het zaad des Woords te wederbaren ten leven.
De prediking des Woords is dan ook noodig, opdat de ongeloovige leeren zal, waar hij het zoeken moet wat ten eeuwigen leven is. En de heilbegeerige wordt door de prediking ingeleid in de rechte kennis der zaligheid en den wandel des nieuwen levens, tot Gods eer en des naasten heil.
Vooral de ambtelijke bediening des Woords (dit in tegenstelling met allerlei secten en geestelijke stroomingen) is het middel, waardoor de Heere zondaren wil overzetten uit den dood in het leven en de kinderen Gods de rechte wegen wil leeren, welke zij in gedachtenis hebben te houden, opdat zij den Heere prijzen voor Zijn onuitsprekelijke genade en den welstand der ziel bevorderen en niet schaden.
De prediking des Woords staat in de Kerk der Reformatie altijd voorop. En onder verschillende beelden heeft de Schrift de buitengewoon groote beteekenis der prediking geteekend, daarin aantoonend, dat zij onmisbaar is. Als een geestelijk zaad wordt het Woord in den akker der ziel gestrooid. Denkt maar aan de gelijkenis van den zaaier (Lukas 18 vers 11). Het schijnt als een licht in de duisternis van het natuurlijk hart en doet de morgenster opgaan (2 Petrus 1 vers 19). Het is levend en krachtig als een tweesnijdend zwaard, het gaat door tot de verdeeling der ziel en des geestes en der samenvoegselen en des mergs, het is een oordeeler der gedachten en der overleggingen des harten (Hebreen 4 vers 12). Door de prediking worden zondaren er toe gebracht, om met een verslagen hart te roepen om verlossing (Hand. 2 vers 37). Lydia dronk met een begeerige ziel, door den Heüigen Geest toebereid, het water des levens in, dat in de prediking van Paulus haar geboden werd. (Hand. 16) Vandaar, dat Paulus in Hand. 26 vers 18 zegt: tot de heidenen gezonden te zijn, om hun oogen te openen en hen te bekeeren van de duisternis tot het licht en van de macht des satans tot God. Met Rom. 1 vers 16 zegt de Kerk, dat het Evangelie een kracht Gods tot zaligheid is, een iegelijk die gelooft. Daarom is zij ook geroepen tot den arbeid der Zending en der Evangelisatie. Hoe zullen ze gelooven, als 't Woord hun niet gepredikt wordt ? Naar Gods beschikking is de Kerk de moeder der geloovigen. De vraag, of de Heere, buiten den middellijken arbeid der Kerk om, zielen kan wederbaren, behoeft onder ons geen bespreking. Zijn macht is, ook volgens onze belijdenis, onbeperkt. Doch niet de macht, alleen de wil des Heeren is richtsnoer voor Zijn volk. En Jacobus zegt: naar Zijn wil heeft Hij ons gebaard, door het Woord der waarheid (Jacobus 1 vers 18). Wij zijn wedergeboren niet uit vergankelijk, maar uit onvergankelijk zaad, door het levend en eeuwig blijvend Woord Gods, hetwelk aan de Kerk is toebetrouwd.
De bediening des Woords zal voor de Kerk dan ook een voorwerp van aanhoudende zorg moeten zijn. En reeds de voorbereiding of de opleiding tot den dienst des Woords moet de Kerk zich aantrekken. Gaat 't zich niet wreken, dat de Kerk een opleiding van predikanten heeft die in het geheel niet aanpast aan den aard en — het wezen der Kerk ?
En in de bediening zelve zal de heilige zorg moeten wezen, dat men blijve „in de leer van Christus". Niet van een eigengemaakten Christus, maar „de leer van Christus", die naar het Woord is ; met Jezus Christus, den Gekruiste, als inhoud. „Indien iemand tot ulieden komt en deze leer niet brengt, ontvangt hem niet in huis" (Joh. 8 vers 31 ; 2 Joh. 9 vers 10 enz.). Het Woord zal men laten staan ! En dan niet een eigengemaakt Woord, maar het Woord, der Apostelen en der Profeten, waarvan de Kerk der Hervorming getuigenis geeft. Eensgezind in de leer der Apostelen en in de breking des broods.
Want naast het Woord krijgen we de Sacramenten.
Het Woord is een spijze der zielen, de redelijke en onvervalschte melk (1 Petrus 2 vers 2). Doch met het Woord alléén kunnen we niet volstaan. Gelooven is zoo moeilijk en zoo zwaar. Geloof met ongeloof vermengd is aan de orde van den dag. „Ik geloof, Heere, kom mijn ongeloof te hulp." En toch zal alleen in den weg des geloofs vrede en blijdschap worden gesmaakt. Nu willen wij zoo gaarne zien bij onis geloof. Thomas heeft veel geestverwanten, die zulke ongeloovige geloovigen zijn. En de Heere komt ons hierin tegemoet. Al die sprongen in 't duister en dat neerplonsen van de springplank, enz., hooren in de Kerk niet thuis. God rekent met de geloovigen, die dikwijls zoo klein-en zwakgeloovig zijn. En nu komt de Heere met de sacramenten, welke Hij ons laat zien en tasten, met oogen, hand en mond, opdat zóó ons hart de beloften des Evangelies zal benaderen en daarvan vreugd en vrede zal smaken. Zwakke kinderen hebben versterkende middelen noodig. Zoo ook Gods kinderen. In Doop en Avondmaal geeft Christus aanschouwelijk onderwijs. Maar tevens zijn ze zegelen, die dienen ter bevestiging van het Woord, van de 'beloften des Evangelies, waarvan de hoofdinhoud is „de eenige offerande van Jezus Christus".
De Heidelbergsche Catechismus zegt dat aldus (25ste Zondagsafdeeling) :
67. Vraag : „Zijn dan beide, het Woord en de Sacramenten, daarop gericht en daartoe verordend, dat zij ons geloof op de offerande van Jezus Christus aan het Kruis, als op den eenigen grond onzer zaligheid, wijzen ? "
Antwoord : „Ja, zeer zeker; want de Heilige Geest leert ons in het Evangelie (let eens op die mooie gedachte !) en verzekert ons door de Sacramenten, dat onze volkomene zaligheid in de eenige offerande van Christus staat, die voor ons aan het Kruis geschied is."
En in ons Avondmaalsformulier lezen we:
„Uit deze uitzetting des Heiligen Avondmaals van onzen Heere Jezus Christus zien wij, dat Hij ons geloof en betrouwen op Zijne volkomene offerande (die eenmaal aan het Kruis geschied, is) als op den eenigen grond en fimdament onzer
zaligheid wijst, enz." In dat teeken staat de prediking des Woords èn de bediening der Sacramenten in de Kerk der Reformatie, die noch van het Roomsche bijgeloof, nóch van de Humanistische dwaalleer iets hebben moet.
(Slot volgt).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 augustus 1935
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 augustus 1935
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's