De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

9 minuten leestijd

Wat klaagt dan een levend mensch ! Een ieder klage vanwege zijn zonden! Laat ons onze wegen onderzoeken, en doorzoeken, en laat ons wederkeeren tot den Heere ! Klaagliederen van Jeremia 3 : 39 en 40.

HET WARE KLAGEN
Jaren geleden bevond zich in onze toenmalige gemeente een ernstig-krank meisje. Thans mogen we gelooven, dat zij in den hemel juicht voor den troon van Jezus' heerlijkheid. Het grootste deel van haar jeugd had zij met veel pijnen op het ziekbed doorgebracht. Wat echter het voornaamste was : zij bezat een schat van blijvende waarde, zij behoorde tot Gods wedergeboren volk en wist zich door geloof en liefde verbonden aan den eenigen Zaligmaker van zondaren. Daardoor was zij rijker en gelukkiger dan menig ander, die met een gezond, sterk lichaam wandelt op den weg des verderfs.
Op zekeren morgen gingen we deze lijderes bezoeken. Haar ouders, behoorden tot de eenvoudige, doch zeer nette menschen. De zuster der kranke sprak reeds aan de voordeur : „Zij heeft een nacht van veel pijn achter de rug". In haar kamertje troffen wij haar aan, pas geholpen en gewasschen, tusschen de heldere lakens, maar met nog de teekenen van een smartelijken nacht op het gelaat.
Uit den aard der zaak begonnen we met haar te spreken over de pijnen en smarten, die zij weer had moeten lijden. Zij hoorde ons aan, luisterde rustig verder, en toen zij zelf het woord kon krijgen, begon zij te klagen, te klagen, maar over haar eigen zondig hart, haar gebrek aan meer liefde voor Jezus, en over haar duizend tekortkomingen in het algemeen.
Wonderlijk! niet waar ? dat een meisje, dat toen de meeste pijn leed van al onze gemeentenaren, wel klaagde, doch niet over haar lichaamssmarten in de eerste plaats, maar over haar zonden allermeest. Dit laatste nu is een klagen, dat geleerd wordt op de lijdensschool van Christus.
Het hierboven geschreven woord onzer overdenking wijst de valsche klacht af, prijst de ware klacht aan, roept op tot zelfonderzoek en noodigt uit tot werkelijken wederkeer.
De valsche klacht afgewezen. „Wat klaagt dan een levend mensch!" roept de profeet uit. Inderdaad, zoolang de mensch leeft, klaagt hij. Die dood zijn, kunnen niet meer klagen. Die bevinden zich daar, waar de boozen ophouden van beroering, en de vermoeiden rusten van kracht, waar de kleine en de groote is, de knecht vrij van zijn heer. Of de zielen der dooden klagen of roemen, zal de eeuwigheid openbaren.
Zoolang echter de mensch nog leeft op deze aarde, verricht hij o.a. twee werkzaamheden:1. verlangt hij, 2. klaagt hij. Van zijn prille jeugd afaan begint de mensch reeds met een verlanglijst aan te leggen, en met het volschrijven van een klachtenboek. Nimmer komt hieraan een einde, hij is hiermee doende, zoolang de reis duurt, van de wieg naar het graf. Hoe dik worden die boeken ! Heel veel komt er in te staan; niet het minst in het klachtenboek.
De door den profeet gebruikte uitdrukking „levend mensch" herinnert er ons bovendien aan, dat er ook een zeker soort levende menschen bestaat, buiten en behalve de gewone, natuurlijk levende menschen, n.l. zij, die een geestelijk leven leerden ervaren, die wederomgeboren werden door Woord en Heiligen Geest. Dat zijn de begenadigden ; dat zijn de aan zich zelf ontdekte zondaren, die hun eigen booze hart leerden kennen en liefhebbers van en zoekenden naar Koning Jezus mochten worden.
Een vraag, lezers : Behooren wij ook tot hen ? Bezitten ook wij dat leven der ziel ? Indien niet, o laten wij er om vragen bij Hem, Wien alle macht gegeven is in den hemel en op de aarde ! Hij wil dit schenken, zonder prijs en zonder geld, enkel uit genade, op het ootmoedig smeekgebed.
Deze geestelijk levende menschen krijgen van hun Koning een nieuw klachtentooek en ook een nieuwe verlanglijst. Ze klagen niet over hun Koning, doch over zich zelf, over hun eigen gebrek aan heiligmaking en waar Christendom; terwijl hun lust en begeerte mag zijn, zich zelf hoe langer hoe nauwer aan Jezus te verbinden en teerder met Hem om te gaan. Een beter Machtenboek, zult gij met mij eens zijn, lezers, en een betere verlanglijst. Van beter gehalte en hooger waarde.
De woorden onzer overdenking prijzen de ware klacht aan. In den naam zijns Zenders noodigt de profeet aldus : „Een ieder klage vanwege zijn zonden!" Ziethier een gegronde, goede, Gode aangename klacht, die veel uit ons hart moge opwellen, waarnaar we ernstig mogen streven.
Trouwens is dit een klacht, die uit het hart van alle ware vromen opwelt. Zoo zucht Israels Koning David in zijn Boetepsalm : „Ik ken mijn overtredingen, en mijn zonde is steeds voor mij. Tegen U, U alleen heb ik gezondigd, en gedaan, wat kwaad is in Uw oogen". De tollenaar uit de gelijkenis sloeg op zijn borst, uitroepend: „O God, wees mij, zondaar, genadig!" De verloren zoon beleed: „Vader, ik heb gezondigd tegen den hemel en voor u, en ben niet waardig, uw zoon genaamd te worden". En, om niet meer te noemen, hoe menigmaal heeft Luther, eer hij vrede vond aan des Heilands voeten, het uitgeschreid: „Ach, mijne zonden, mijne zonden !"
Waarom nu is dit een gelukkige en geoorloofde klacht ? Wijl zij voortkomt uit de behoefte der ziel, en uitdrijft naar den Borg en Middelaar Jezus. En die troost ons dan, gelijk Hij alleen doen kan met: „Uw zonden zijn u vergeven !" „Mijn bloed reinigt van alle zonden !" Dan daalt bij u de hemel in uw hart. Dan mogen we gelooven, dat we eens in den zaligen hemel omhoog God drieëenig zullen dienen in volmaaktheid en heerlijkheid.
Mijn lezer, hebt gij kermis aan deze gelukkige ondervindingen ?
Onze tekst roept ook op tot ernstig zelfonderzoek. Gods profeet schreef : „Laat ons onze wegen onderzoeken en doorzoeken !"
Wanneer wij, zondaren, iets noodig hebben, dan is het zeker de ware zelfkennis. Reeds in het voorportaal van een ouden Griekschen tempel stond te lezen : „Ken u zelven !" Ditzelfde staat, zoo te zeggen, ook geschreven in het voorportaal van Jezus' genadetempel.
Zelfkennis inderdaad behoort tot de nuttigste en noodigste aller kennissen. Ook leidt zelfkennis tot Godskennis. Vandaar de genoemde aansporing des profeten.
Blijkbaar bedoelt Jeremia een grondig, dat is, niet een oppervlakkig, zelfonderzoek ; immers spreekt hij niet alleen van een onderzoeken van onze wegen, maar zelfs van een doorzoeken ervan.
Wanneer we nu werkelijk, daarbij geleid door Gods Geest, onze wegen, ja heel ons bestaan, onze gedachten, woorden en werken, de tochten en roerselen onzer harten doorzoeken, dan moeten we wel tot de slotsom komen, dat we voor God schuldig zijn door erfelijke en dadelijke zonden, dat we verdoemelijk zijn tegenover onzen Wetgever en Weldoener.
Laten we om genade bidden, opdat we tot dit grondige zelfonderzoek overgaan. Het is, ja, een pijnlijk, maar een heel noodzakelijk werk. Het is het stellen van onze geestelijke diagnose, het constateeren van de kwaal, waaraan we lijden. En dat is toch heel noodzakelijk. Het is de weg, om te komen tot het eenig goede medicijn ; hieruit wordt de ware behoefte geboren. Zoo gaan we met ons zondepak naar Golgotha en raken we onze zonden kwijt aan den voet van des Heilands kruis.
De profeet noodigt ook uit tot wederkeer. We hoorden zijn teedere woorden : „Laat ons wederkeeren tot den Heere !"
We moeten terug, lezers, terug naar God !
Eenmaal heeft de Heere ons goed en naar Zijn evenbeeld geschapen, en ons het schoone Paradijs ter woning geschonken. Tengevolge van onzen moedwilligen zondeval echter werden wij door den rechtvaardigen Rechter daaruit verdreven. En nu moeten we, wil het wèl wezen, terug naar Hem, tegen Wien we zondigden, die echter een God is, niet alleen van heilig recht, maar ook van genade en barmhartigheid.
Wanneer wij het goed beschouwen, bestaat de ware bekeering van den zondaar tot God ook uit deze drie weggedeelten : inkeer, afkeer en wederkeer. Let immers slechts op den verloren zoon ; hij keerde in tot zich zelf, keerde zich af van de zonde, en keerde weder tot zijn vader. Zoo gaat het ook met ons tegenover den Heere.
„Is wederkeer dan mogelijk ? " vraagt ge. Zeker! Doch alleen achter onzen Borg en Middelaar, als Leidsman. Deze toch heeft de brug over de afgrond geslagen ; deze is de Ladder Jacobs, staande tusschen hemel en aarde. Hij is de weg, de waarheid en het leven ; niemand komt tot den Vader dan door Hem.
En hoe staat het nu met ons, mijn lezers ?
Kinderen des Heeren, vrienden en volgelingen van den Goeden Herder, ongetwijfeld moogt gij al uw zorgen en nooden, moeilijkheid en strijd, gerust bij God bekend maken. En daarnaar wil uw God ook luisteren. Maar laat het niet zijn in opstandigheid en met murmureeringen; immers dat zou een kind tegenover zijn Vader niet betamen. Bovendien heeft die trouwe God met alles

Zijn wijze bedoelingen, ook al begrijpen wij het dadelijk niet.

Zijn doen is enkel majesteit En aanbiddelijke heerlijkheid.

Klaagt meest over uw zonden. Dan mag er ook veel behoefte in uw ziel zijn. Dan zult ge veel van Jezus' liefde en vertroosting genieten, en zal uw Hemelvader het goedmaken met hetgeen Hij wil ; Hij heeft immers slechts te spreken, en het is er; te gebieden, en het staat er.
Maar gij allen, die nog genade mist, komt ook gij tot dien eenigen Borg en Middelaar Jezus! Nog is het immers het heden der genade. Velen gingen u voor naar het eeuwig huis, en daaronder mogelijk, die u lief en dierbaar waren, maar gij zijt nog hier, en kunt nog geholpen worden.
Gij klaagt over veel en velerlei zaken, mocht ge leeren dagen over uw zonden ! Dan zoudt gij zetten de eerste schreden op den weg naar den hemel.
Vraagt om 's Heeren Geest; die alleen kan u wijs maken tot zaligheid.
De wereld biedt u niets van blijvenden aard. Straks komt de eeuwigheid.
O, bedenkt nog in dezen uwen dag, wat tot uwen vrede dient! Wij bidden u van Christus' wege met tranen : „Laat u met God verzoenen !" Mocht ge hiertoe door genade komen, o zeker, dan wordt gij een klager over uw zonden, maar zult ge ook leeren roemen in vrij genade, onvolmaakt hier, volmaakt daarboven ;
Hoe zalig zal dat zijn ! Wat het oog niet heeft gezien, en het oor niet heeft gehoord, en in des menschen hart niet is opgekomen, dat heeft God Zijn volk bereid, en dat niet voor een langeren of korten tijd, maar voor de eindelooze eeuwigheid !
De goddelooze verlate zijn weg, en de ongerechtige man zijn gedachten, en hij bekeerde zich tot den Heere, zoo zal Hij zich zijner ontfermen ; en tot onzen God, want Hij vergeeft menigvuldiglijk !
Zoo gij Zijn stem dan heden hoort. Gelooft Zijn heil-en troostrijk woord! Verhardt u niet, maar laat u leiden !

Neerlangbroek.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 augustus 1935

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 augustus 1935

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's