KERKELIJKE RONDSCHOUW
HET AVONDGEBED
O barmhartige God, eeuwig licht, schijnende in de duisternis. Gij die den nacht der zonden en alle blindheid des harten verdrijft; naardien Gij den nacht verordend hebt om te rusten, gelijk den dag om te arbeiden; zoo bidden wij U, geef dut onze lichamen in vrede en stilheid rusten, opdat zij daarna bekwaam mogen zijn den arbeid, dien zij dragen moeten, te doorstaan. Matig onzen slaap, dat die niet onordelijk zij, opdat wij aan lichaam en ziele onbevlekt mogen blijven, ja, dat onze slaap zelfs geschiede tot Uwe eere.
Verlicht de oogen van ons verstand, opdat wij in den dood niet ontslapen, maar altijd verwachten onze verlossing uit deze ellendigheid. Bescherm ons ook tegen alle aanvechting des duivels, ons in Uw heilig geleide nemende.
En naardien wij dezen dag niet doorgebracht hebben, zonder tegen U grootelijks gezondigd te hebben, zoo bidden wij U, wil onze zonden bedekken door Uwe barmhartigheid, gelijk Gij alle dingen op aarde met de duisternis des nachts bedekt, opdat wij daarom van Uw aanschijn niet verstooten worden.
Geef ook rust en troost aan alle kranken, bedroefden en aangevochtene harten, door onzen Heere Jezus Christus. Amen.
CALVIJN EN DE EENHEIDSBEWEGING
In onze dagen van oecumenisch streven, om n.l. de verschillende Kerken van de onderscheidene landen en werelddeelen meer en meer tot één te vergaderen, kan het goed zijn te luisteren naar de verklaring van Psalm 133, door Calvijn gegeven.
Psalm 133 is een „Dankzegging voor de heilige eendracht des volks, tot welker onderlinge beoefening de profeet alle geloovigen opwekt".
De gedachtengang van dezen toekenden Psalm, die immers aldus begint in de berijming : „Ai ziet! hoe goed, hoe lieflijk is 't, dat zonen van 't zelfde huis, als broeders, samen wonen", wordt door Calvijn, wat het eerste vers betreft, weergegeven op deze wijze : „David heeft God willen danken, omdat het volk van Israël, dat zoolang verdeeld en verscheurd was geweest, weer tot één geworden was. En er is geen twijfel aan, of de Heilige Geest roemt hier grootelijks de broederlijke eensgezindheid, die tusschen alle kinderen Gods bloeien moet, opdat een ieder zich daartoe beijvere. Maar wanneer haat ons scheidt en twistingen ons verdeelen, zullen wij wel ten opzichte van God broeders blijven, doch omdat wij brokken zullen zijn van een verscheurd lichaam, zullen wij niet één worden gerekend. Alzoo, gelijk wij in God den Vader en in Christus één zijn, zoo ook moet door wederzijdsche samenstemming en broederlijke liefde onder ons de éénheid bevestigd worden.
Wanneer de Heere dan ook mocht geven, dat de papisten van hun afval terugkeerden tot godvruchtige eendracht, zullen we met deze woorden God mogen danken. Inmiddels betaamt het aan te nemen, al wie rustig zich Gode onderwerpen. Maar omdat satan voortdurend onrustige geesten oproept, laten wij daartegen optreden en ijverig trachten vast te houden, wie zich leerzaam en gehoorzaam betoonen. Overigens is het noodig hardnekkigen los te laten, met wie geen broederlijke eensgezindheid kan onderhouden worden, of wij zouden den Hoogsten Vader, van Wien alle broederschap haar oorsprong heeft, moeten verloochenen. Want de vrede, dien David aanprijst, moet bij het rechte begin beginnen, waardoor genoegzaam de onbeschaamdheid der papisten weerlegd wordt, die ons op hatelijke wijze verwijten, dat wij scheurmakers zijn en tweedracht zaaien, alsof onzerzijds niet voldoende bewezen was, dat wij niets anders zoeken, dan dat zij met ons samenstemmen in de Waarheid Gods, welke de eenige band van heilige éénheid is".
Bij vers 2 : „Het is gelijk de kostelijke olie op het hoofd, nederdalende op den baard, den baard Aarons, ^die nederdaalt tot op den zoom zijner kleederen", teekent Calvijn aan:
„Klaarblijkelijk bevestigt David, wat ik zoo pas zei, n.l. dat de ware eendracht der broederen bij God beginnen moet en dat het rechte doel er van moet zijn, dat allen God zuiver dienen en één van zin aanroepen. Waartoe immers ontleent hij een vergelijking aan de heilige zalfolie, dan opdat de religie altijd den voorrang houde ? Alsof hij zeggen wilde, dat laf zijn zal de vrede, dien menschen onder elkaar aankweeken, zoo hij niet van de reuke des dienstes Gods doortrokken is. Nu vatten wij het dan, dat zóó door wederzijdsche liefde de menschen vereenigd worden, opdat God allen tegelijk bestiere. Aan wie echter deze voorwaarde niet zal bevallen, met hen zal het beter zijn heftig te strijden, dan den vrede te koopen, door God te verachten".
Vers 3 luidt: „Het is gelijk de dauw Hermons, die nederdaalt op de bergen Sions".
Calvijn schrijft: „Wijst het beeld van de zalf er op, dat godvruchtige eendracht een aangename reuk geeft bij God', het beeld van de dauw spreekt er van, dat die eendracht ook goede vruchten voortbrengt, zooals de dauw door het aardrijk te bevochtigen, vocht en groeikracht geeft. Onvruchtbaar en in den grond der zaak ellendig zou het leven der menschen zijn, wanneer het niet door broederlijke eensgezindheid gekoesterd werd".
Ook voegt David er nog, aan toe, dat de Heere daar den zegen gebiedt, waar de vrede beoefend wordt, d.i. „dat Hij door een blijden overvloed van goed betuigt, hoezeer Hem behaagt, dat menschen eensgezind leven". Daarom zegt ook de apostel Paulus : „Houdt vrede onder elkander en de God des vredes zal met u zijn" (2 Cor. 13 vers 11; Filipp. 4 vers 9).
Ca1vijn besluit zijn uitlegging met deze woorden :
„Laten wij derhalve, zooveel in ons is, ons benaarstigen, aan de broederlijke liefde plaats te geven, opdat ook bij ons Gods zegen blijve. Laten wij ook verlangen met uitgebreide armen te omvatten, die van ons verschillen, als zij ten minste niet weigeren tot de eenigheid des geloofs terug te keeren. Zijn er, die wederstrevig zich betoonen, dan moeten wij ze laten gaan, omdat, gelijk gezegd is, voor ons geen broederschap bestaat, dan met de kinderen Gods".
In de Groninger Kerkbode, waar we deze verklaring vonden, wordt ten slotte gezegd :
»Zoo schrijft Calvijn bij de verklaring van Psalm 133, den lofzang op de broederlijke eensgezindheid. Zichzelf noemt hij niet, maar dat hij dezen Psalm verstaan heeft, blijkt uit zijn toelichting. Zijn handelen is ook dienovereenkomstig geweest. Vijanden der waarheid heeft hij heftig bestreden, want een valschen vrede wilde hij niet. Oók keerde hij zijn wapenen tegen hen, die de ééndracht verstoorden, waar ze had kunnen zijn, maar met hen, die Jezus Christus lief hadden in onverderfelijkheid, zooals met die uit Bern en Zurich, met de Zuid-Duitschers en met de belijders des Heeren in Engeland en haast alle landen van Europa, ook met Luther en de Lutherschen, zocht hij zooveel mogelijk éénheid.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 augustus 1935
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 augustus 1935
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's