MEDITATIE
UIT GENADE ZALIG DOOR HET GELOOF.
Want uit genade zijt gij zalig geworden door het geloof; en dat niet uit u, het is Gods gave. Efeze 2 vers 8.
Lijnrecht tegenover het evangelie naar den mensch stelt de apostel het evangelie Gods in het getuigenis: Want uit genade zijt g ij zalig geworden door het geloof. Och, hoe zou het ook anders kunnen. Immers wij hebben ons zelf den dood gegeten in het nemen van de verboden vrucht. Door den band der gemeenschap met God te verbreken, hebben wij ons den weg ten leven afgesloten. En wat doet de mensch nu, door zijn eigenwijsheid gedreven in zijn zondestaat ? Altijd maar verder en verder van God afloopen, meenend zoo de rechtvaardige straf des Heeren te ontgaan en het leven te behouden. Maar op deze wijze gaat hij steeds verder van de bron des levens een wissen dood tegemoet. En wat nu de mensch ook worstelt en strijdt in zichzelf, hoe hij zich ook met godsdienst of geloof of werken oppoetst, van buiten mag hij dan schoon schijnen en aantrekkelijk zijn, van binnen blijft de onreinheid der zonde, de gruwel der ongerechtigheid. Nimmer kan hij door zijn arbeid de zaligheid bereiken.
Weet en verstaat gij dit, doordat gij door den Geest Gods geplaatst werd onder de tucht van Zijn Woord ? Wanneer dit u nog vreemd is, dan kunt gij er zeker van zijn, dat gij nog loopt op de paden des doods. Zelfs al uw werken zullen niet verhinderen, dat gij verzinkt in de diepte der hel.
Ontzettende toestand' van den in. zonde gevallen mensch, van de in zonde gezonken wereld. Van die zijde is de zaligheid een onmogelijkheid. Immers in ons is toch geen enkele reden te vinden, dat wij beërvers zullen zijn van het leven. Neen, wat in ons gevonden wordt, maakt ons slechts den dood waardig. Maar nu heeft God den uitnemenden rijkdom Zijner genade willen betoonen door de goedertierenheid over ons in Christus Jezus. Want dit is het evangelie — een ander evangelie kent Gods Woord niet — uit genade zalig. God heeft de zaligheid bereid in weerwil van onzen dood en niettegenstaande onze vijandschap. De zaligheid is dus een daad van Zijn goddelijke genade, waardoor de zondaar om niet gerechtvaardigd wordt. Tot Gods eer zal Zijn gemeente dit hartelijk beamen onder de overweging van de vraag, hoe zij zelf was zonder die genade. In zich zelf toch geen grond, waarop zij hopen kan of pleiten mag. Want in den weg der aanvankelijke en voortgaande ontdekking wordt de mensch afgebroken. Het wordt zonde en nog eens zonde, zoodat hij ziet rechtvaardig den dood verdiend te hebben, ondanks al zijn werken. Zit gij misschien zoo in donkerheid, terwijl gij over en door uw zonde niet kunt heenzien ? Wat is dan toch het evangelie Gods voor u rijk en ruim. Het menschehjk evangelie wacht van u een offer. O, wat benauwend, daar gij gevoelt geen offer te kunnen brengen. Maar Gods evangelie predikt u: niet uw offer, niet uw verdienste, niet uw werken, maar uit genade zalig.
Verwerpt dan toch die genade niet in uw ongeloof, alsof God, een leugenaar en niet een Waarmaker van Zijn Woord is. Want dan duurt uw duisternis voort en gij blijft met uw zonde staan, omdat gij als een ufgebrokene toch nog wat in u zelf zoekt en God niet vertrouwt.
Neen, 't oog moet van ons zelf af gericht worden op God in Christus. Hij is 't eenige offer, dat ook voor u genoegzaam is, het Lam, dat God Zichzelf ten brandoffer voorzien heeft. Het kruis van Golgotha werd, opgericht als een teeken van Gods ontfermende liefde, waardoor Hij zondaren uit genade zaligt. Daarbij gaat het onze er wel aan, ook onze eigengemaakte vroomheid en onze eigenwillige godsdienst. Maar daar alleen leert gij met Paulus en met Gods gansche gemeente jubelen : Want uit genade zijt gij zalig geworden door het
geloof; en dat niet uit u, het is Gods gave. De zaligheid, vloeit dus den zondaar toe uit de onuitputtelijke bron van Gods genade. En zoo iemand dorst heeft die kome en drinke van de levenswateren om niet.
Nu noemt de apostel als 't middel, waardoor wij de zaligheid verkrijgen, waardoor wij de levenswateren smaken, het geloof. Immers hij zegt „uit genade zalig door het geloof". Het geloof kan van de zaligheid niet worden afgescheiden. En zonder geloof kunnen wij de zaligheid niet deelachtig worden.
Immers die niet werkt, maar gelooft in Hem, die den goddelooze rechtvaardigt, wordt zijn geloof gerekend tot rechtvaardigheid. (Rom. 4:5). Gij gevoelt reeds, dat geloof staat tegenover werk ; dat door het geloof al onze werken worden buiten gesloten.
Het geloof nu, zegt Calvijn bij de verklaring van dezen tekst, brengt den mensch ledig tot God, opdat hij met Christus' goederen vervuld wordt. Gelooven is dus de erkenning : in Gods genade ligt mijn behoudenis en zonder haar was ik voor eeuwig rampzalig. Het geloof rust dus in niets van ons, maar in de genade. Langs geen anderen weg wordt de zaligheid ons deel.
Moet gij misschien in uw zonde klagen, dat gij op die plaats maar niet komen kunt ?
En bovendien nog de vraag in het hart: hoe kan ik er komen ? Teeken het mij nu eens van stap tot stap, opdat ik dien weg volgen kan. Weet gij hoe dit komt ? Gij wilt zelf nog gaan; uw werk staat u nog in den weg, gij zoekt in uzelf nog 'n grond voor de behoudenis ; gij wilt uzelf nog redden; gij wilt het nog niet in Gods hand leggen. En dat is niets anders, dan dat gij in den grond der zaak nog in vijandschap gekeerd ligt tegen de genade Gods. Maar zoo komt gij nimmer tot het geloof.
Immers volgens de genade is er voor den zondaar vergeving van zonden om niet; vrijspraak van schuld en bevrijding van straf in Christus Jezus. Dat is de zaligheid; die de mensch deelachtig wordt door het geloof.
En om alle misverstand af te snijden voegt de apostel er nog aan toe : en dat niet uit u, het is Gods gave. Sommigen betrekken deze woorden alleen op het geloof. Maar het is duidelijk, dat zij op het geheel slaan, n.l. op „uit genade zijt gij zalig geworden door het geloof". De apostel wil er door te kennen geven, dat de geheele zaak der zaligheid, ook het geloof inbegrepen, een gave Gods is. Wij hebben er geen recht of aanspraak op. Als wij ons verdiende loon ontvangen, dan is het voor eeuwig rampzalig. Dus de gezaligde heeft zich op niets te beroemen ; niet op het feit, dat God Zijn genade schonk, want het. is verbeurd ; ook heb ik mijn geloof niet te prijzen als eenige waardigheid voor den Heere, want ook dat is van Hem. Uit mij zelf kon en wilde ik niet gelooven. Ik kon en wilde niet als een ledige tot God om met Christus' goederen vervuld te worden. Lag de grond der zaligheid in mijn geloof, dan zou ik zeker de zaligheid moeten derven.
Maar Gode zij dank, het is geheel Gods werk, een gave van Zijn hand. Hierin juist schittert de uitnemende rijkdom van Gods genade, waardoor Hij zich ontfermt over goddelooze en doemwaardige zondaren. .Niet ons, o Heere, niet ons, maar Uwen naam geef eer om Uwer goedertierenheid, om Uwer waarheid wil.
Niet ons, o Heer, niet ons. Uw naam alleen Zij, om Uw trouw en goedertierenheên. All' eer en roem gegeven.
Oud -Beijerland.
W. Rijnsburger
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 augustus 1935
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 augustus 1935
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's