KERKELIJKE RONDSCHOUW
ONZE KONINGIN VERJAART.
Geen rechtgeaard Nederlander kan en zal 31 Augustus onopgemerkt laten voorbij gaan. En geen christen zal vergeten de beteekenis van dezen dag. Daarom willen ook wij onze bede voegen bij de vele beden, die nu zullen worden opgezonden voor het aangezichte des Heeren, om mee te vragen, dat de Heere het leven van onze geliefde Vorstin nog sparen mag tot in lengte van dagen en dat Hij Haar ook dit jaar goed. en nabij mag zijn.
Vooral in onzen tegenwoordigen tijd moet het ons bijzonder treffen, hoe de Heere ons Vorstenhuis en ons Vaderland wil zegenen boven zoovele andere landen en volkeren. En juist nu, nu de tijden zoo moeilijk zijn en de donkere wolken zich overal vertoonen, wordt de behoefte des te meer gevoeld, dat de Heere ons moet verblijden met Zijn genade en gunst, zal 't goed zijn.
De Heere spaarde onze Vorstin nu 55 jaar. Het is een kroonjaar dus. De Heere vermeerdere Zijn gunst en geve Moeder en Dochter Zijn zegen uit Sion te genieten tot in lengte van dagen !
Zaterdag 31 Augustus zij een goede dag voor Nederland.
Zondag 1 September zij een dankdag, overal waar Gods Gemeente vergaderd, is in 's Heeren huis !
EEN SCHERPE TEGENSTELLING.
Zondag 18 Augustus was een gewichtige dag. Te Parijs had toen een samenspreking plaats tusschen Engeland, Frankrijk en Italië, inzake de kwestie Italië—Abessynië: oorlog of geen oorlog. Aloïsi vertegenwoordigde Italië, maar zei niets als Eden namens Engelands regeering wat vroeg ; ook niet als Laval, de vertegenwoordiger van Frankrijk, wat beweerde. Aloïsi wist niets en hij kon ook per telefoon Italië niet aan 't praten krijgen. Mussolini was niet huis. Hij had wel wat anders te doen — en liet Engeland en Frankrijk (zooals de volksmond zegt) „voor gek zitten". "'
Waar was Mussolini ? Hij was op het vliegveld te Benevento. Daar waren de naar Oost-Afrika vertrekkende zwarthemden bij elkaar en dat soldatenleger, dat voor den oorlog toegerust was, wilde hij toespreken. En hoe ? Hij zei ongeveer dit: Soldaten ! gij kent uw roeping en Italië vertrouwt op u. Gij zult marcheeren en gij zult alle hinderpalen tot het einde toe uit den weg ruimen. Ik weet, dat gij uw plicht zult doen met ijzeren discipline ter verkrijging van de glorierijkste overwinning, die men zich denken kan. Gij zult niet terugdeinzen voor offers, zoolang wij ons doel niet hebben bereikt; het doel is : een fascistisch imperium".
Het beschaafde, christelijke Italië — woont daar de Paus niet ? — zal dus naar Oost-Arika gaan — en niemand mag Italië hinderen, geen enkele mogendheid —om Abessynië te veroveren — omdat het daar zoo onbeschaafd en zoo onchristelijk is, volgens Mussolini — en alles onder de macht van Italië te brengen, dat droomt van een groot fascistisch wereldrijk, dat gehoorzaam is aan één man, die oppermachtig zijn wil zal voorschrijven aan heel de wereld.
Daarvoor moeten de zonen des volks 't zwaard aangorden en ten oorlog gaan ! Engeland en Frankrijk kunnen intusschen zeggen en doen wat ze willen. Mussolini doet eenvoudig, alsof ze er niet zijn !
Dienzelfden Zondag werd te Addis Abeba, de hoofdstad van Abessynië, de door den keizer voorgeschreven biddag gehouden, teneinde het land te behoeden voor de gevaren, welke het van den vreemden indringer bedreigen.
Het keizerlijke paar — aldus de berichten — woonde de speciale dienst bij in de kathedraal van St. George, waar een menigte van circa 50.000 personen was bijeengekomen. De keizer met zijn gevolg zette zich neder bij een Christusbeeld.
De patriarch Abouna Marikos, die den dienst leidde, bad God, dat Hij aan Abessynië en aan de geheele wereld den vrede mocht schenken. Moge God hen verhooren, zoo sprak de patriarch. die voor ons bidden, en dat Hij hen zegene en met weldaden overlade.
De belangstelling voor dien Abessijnschen bidstond was zóó groot, dat vele menschen niet konden worden toegelaten ; in den stroomenden regen bleven zij buiten de kerk gebeden opzeggen !
Aldus ging 't in Moorenland, dat natuurlijke zooveel in „beschaving" ten achter is bij het over-beschaafde en aller-christelijkst Italië !
De tegenstelling is wèl groot tusschen den fascistischen hoofdman hier, en den Mooren keizer ginds. Hier gebral; ginds gebed — aldus „de Geldersche Post".
Hier een hoogmoedig pochen op eigen krachtsbetoon; ginds een ootmoedig inroepen van Gods hulp en bijstand !
We kunnen niet anders wenschen, dan dat de Almachtige het gezwets van dien Italiaanschen Ratsaké te schande moge maken !
DE KERK EN DE PUBLIEKE ZONDAGSRUST.
Met de publieke Zondagsrust staat het niet zoo heel schitterend. En vooral optochten en sportwedstrijden — om nu niet te spreken van herbergen enz. — doen veel kwaad de laatste jaren. Het Gemeentebestuur draagt hier de verantwoordelijkheid in den persoon van den Burgemeester, als hoofd der politie. De Kerk komt er bijzonder mee in aanraking, maar kan er helaas gewoonlijk weinig of niets aan doen.
In Antirevolutionaire Staatkunde, orgaan van de Dr. Abraham Kuyperstichting, wordt door mr. .dr. J. W. Noteboom in de „Vragenbus" over deze belangrijke kwestie geschreven, waaraan we zakelijk het voIgende ontleenen. De vragen (want er zijn er meer dan één gedaan) gaan over de Zondagswet, de Kerk en de Burgemeester. En dr. Noteboom schrijft dan zakelijk als volgt:
De Zondagswet van 1815 strekt, naar uit hare considerans blijkt, om „op het voetspoor onzer godsdienstige voorvaderen, die daarop steeds den hoogsten prijs stelden, de plichtmatige viering van den dag des Heeren en andere dagen, den openbaren godsdienst toegewijd, door eenparige en voor de geheele uitgestrektheid der Vereenigde Nederlanden algemeen werkende maatregelen te verzekeren".
De Zondagswet bedoelt dus de Christelijke Zondagsviering te bevorderen. Doch ze tracht dit doel niet te bereiken door het voorschrijven van allerlei positieve maatregelen. Er staan b.v. geen bepalingen om het houden van godsdienstoefeningen of het bezoeken van godsdienstoefeningen verplicht te stellen. Natuurlijk niet. De Zondagswet beperkt zich tot negatieve maatregelen, die er op gericht zijn storende invloeden te weren. En daar ligt het aanknoopingspunt voor de Kerken en vereenigingen om er bij de Overheid op aan te dringen, dat aan de bepalingen van de Zondagswet tot bevordering van de Christelijke Zondagsviering, nauwgezet de hand wordt gehouden.
Hier kan gewezen worden op een tweetal artikelen van de Zondagswet en wel artikel 4 en 5.
Artikel 4 bepaalt het volgende : »Dat geene openbare vermakelijkheden, zooals schouwburgen, publieke danspartijen, concerten en harddraverij en, op de Zondagen en algemeene feestdagen zullen gedoogd worden; zullende het aan de plaatselijke besturen worden vrijgelaten hieromtrent eene uitzondering toe te staan, mits niet dan na het volkomen eindigen van alle godsdienstoefenlngen«.
De regel is dus hier : geene openbare vermakelijkheden (zooals schouwburgen en publieke danspartijen), concerten en harddraverljen zullen gedoogd worden op de Zondagen en algemeene feestdagen.
Uitzonderingen zullen kunnen worden toegestaan door de plaatselijke besturen.
Maar de conditie is en blijft dan, dat het alléén, bij uitzondering, mag: na het volkomen eindigen van alle godsdienstoefeningen.
Nu moet hierbij al dadelijk worden opgemerkt, dat optochten en demonstraties niet onder deze bepaling van artikel 4 van de Zondagswet vallen. Dat zijn geen „openbare vermakelijkheden" in den zin van dit artikel.
Optochten e.d. kunnen pas dan als „openbare vermakelijkheden" in den zin van dit artikel beschouwd worden, indien ze gehouden worden om het publiek te amuseeren en ook door het publiek ter wille van het amusement worden bijgewoond. De b.v. optochten met muziek of zang, met vertooning van maskeradepakjes, het houden van voordrachten, tooneelstukjes, dans, e.d.
Voor zoover optochten enz. dus volgens artikel 4 wel geoorloofd zouden zijn, volgens artikel 4 mogen ze in geen geval worden toegestaan door de plaatselijke besturen dan na het volkomen eindigen van alle godsdienstoefeningen. En dat is dan in de meeste gevallen b.v. niet om 12 uur 's middags, maar gewoonlijk 's avonds om 8 uur.
Onder de bepalingen van artikel 4 vallen wel voetbalwedstrijden, waarbij het publiek tegen betaling wordt toegelaten (zooals de Hooge Raad reeds herhaaldelijk heeft uitgemaakt) en natuurlijk evenzeer amusement, welke tijdens een z.g.n. „feestweek" of kermis plaats vinden.
Stellen wij dus de vraag : is het wettig of onwettig, wanneer in een gedeelte van de stad de feestvermakelijkheden of andere publieke vermakelijkheden 's middags of 's avonds om 6 uur — dus vóór het volkomen beëindigd zijn van alle godsdienstoefeningen — beginnen ? dan is het antwoord niet moeilijk. Artikel 4 van de Zondagswet is hierin duidelijk. Publieke vermakelijkheden op Zondag zijn verboden. En de uitzondering moet rekening houden met de bepaling „mits niet dan na het volkomen eindigen van alle godsdienstoefeningen". Een beroep op de onwettige practijk in andere gemeenten ter verdediging van een onwettige practijk in eigen gemeente, houdt natuurlijk geen steek. Omdat een ander steelt, mag ik nog niet stelen.
Letten we nu nog even op Artikel 5 van de Zondagswet.
Artikel 5 bepaalt: »Dat de plaatschelijke politie zorg zal dragen, ten einde alle hinderiijike bewegingen en gerucht in de nabijheid der gebouwen, tot de openbare eeredienst bestemd, en in het algemeen alles wat „dezelve zoude kunnen hinderlijk zijn, voor te komen of te doen ophouden«.
Ook hier ziet men weer, dat de Zondagswet niet uitdrukkelijk optochten, vermakelijkheden, enz. verbiedt. Ze verbiedt alleen hinderlijke beweging en gerucht in de nabijheid der kerkgebouwen. Doch in een betrekkelijk kleine plaats kan iedere optocht of demonstratie hinderlijke beweging of gerucht in de nabijheid der kerkgebouwen veroorzaken en daarom is het in het belang van de handhaving van Artikel 5 gewenscht, dat optochten en demonstraties gedurende den Zondag niet worden toegelaten. En ik elk geval dient er op grond van dit artikel voor te worden gezorgd, dat niet vlak vóór of tijdens de godsdienstoefeningen en in de nabijheid der kerkgebouwen dergelijke optochten of demonstraties worden gehouden.
Dat de voetbalwedstrijden, waarbij het pubiek tegen betaling wordt toegelaten, als publieke vermakelijkheid beschouwd kunnen worden, blijkt uit hetgeen de Hooge Raad reeds herhaaldelijk heeft uitgemaakt. (Zie het arrest van den Hoogen Raad van 9 November 1925. Het arrest is te vinden in de Ned. Juriprudentie 1925, p. 1232).
Wat de kwestie van den invloed van den Gemeenteraad op deze dingen betreft, merkt mr. Noteboom het volgende op :
»De Burgemeester als hoofd van de plaatselijke politie, is niet verplicht aan den Raad verantwoording te doen omtrent hetgeen hij als zoodanig heeft gedaan. Vroeger was het onzeker, of er een dergelijke verantwoordingsplicht bestond. Doch sinds de wijziging van de Gemeentewet van 31 Januari 1931, S. 41, is de politietaak van den Burgemeester geheel aan den verantwoordingsplicht van B. en W. onttrokken. (Zie Artikel 216 Gemeentewet). De Kroon heeft dan ook herhaaldelijk vernietigd besluiten van den Raad, waarbij de Burgemeester verzocht werd inlichtingen te verstrekken nopens de handhaving van de openbare orde of van daarop betrekking hebbende politieverordeningen, of nopens het toestaan of weigeren van vergunningen of ontheffingen ingevolge die verordeningen.
Doch al is de Burgemeester ook, volgens de wet, niet verplicht aan den Raad verantwoording te doen wat betreft zijn politiebeleid, dit neemt toch niet weg 's Raads bevoegdheid om een verordening vast te stellen, waarin bepaalde politievoorschriften worden opgenomen. Want naar luid van Artikel 168 der Gemeentewet betreft de bevoegdheid van den Raad tot het maken van verordeningen, niet slechts de openbare gezondheid en zedelijkheid, maar evenzeer de openbare orde«.
Dit laatste wordt geantwoord aan iemand, die mededeelde, dat een der A.R. raadsleden bij B. en W. had aangedrongen op handhaving van de Zondagswet en op het indienen van een voorstel om te komen tot een verbod van optochten en demonstraties, gedurende den Zondag.
Dit raadslid werd toen door den Burgemeester „afgestraft" : hij zou zich in beginsel op den stoel van den Burgemeester hebben willen plaatsen en hij zou in strijd hebben gehandeld met de wet!
Hierop antwoordt dr. Noteboom :
»Bedoeld raadslid was volkomen in zijn recht, toen hij B. en W. uitnoodigde om bij den Raad in te dienen een voorstel inzake het weren van straatbetoogingen. En zonder twijfel is de Burgemeester buiten zijn boekje gegaan, door hem naar aanleiding van dat verzoek een afstraffing te geven«.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 augustus 1935
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 augustus 1935
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's