De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

DE RECHTVAARDIGMAKING

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

DE RECHTVAARDIGMAKING

8 minuten leestijd

In de geschillen, die later zijn opgekomen in verband met verschillende leerstukken, kan men zich niet altijd zonder meer op de hervormers beroepen, omdat de vragen, waar het over gaat, indien vorm door hen niet bekend zijn. Zoo is het ook met het stuk der rechtvaardigmaking.
Comrie vestigt er terecht de aandacht op, dat de hervormers zich met de onderscheidingen, die in zijn dagen waren opgekomen ten opzichte van de rechtvaardigmaking, nooit hebben bezig gehouden. Zij spreken immer van de rechtvaardigmaking in sensu concreto, zooals hij dat noemt; dat wil zeggen, dat zij niet spreken van een rechtvaardigmaking vóór het geloof of na het geloof, dat zij geen onderscheid maken tusschen een rechtvaardiging in de eeuwigheid en in den tijd, geen onderscheid ook kennen tusschen een dadelijke en lijdelijke rechtvaardigmaking, maar in de rechtvaardigmaking, van welke zij spreken, alles samenvatten, wat volgens de Schrift daar in ligt, de wortel en de stam, de takken zoowel als de vruchten.
Ook Bavinck vestigt in zijn dogmatiek daarop de aandacht, maar het schijnt mij toe, dat hij dit zelf af en toe uit het oog heeft verloren. Van Luther en de Augsburgsche geloofsbelijdenis zegt hij b.v.: Niettemin ontbreekt de helderheid op „menig punt. Eenerzijds wordt gezegd, dat de Heilige Geest geschonken wordt door middel van woord en sacrament en het geloof werkt in hen, die het evangelie hooren; en anderzijds wordt geleerd, dat het geloof den Heiligen Geest mede brengt en dat wij den Heiligen Geest ontvangen, nadat wij door het geloof gerechtvaardigd en wedergeboren zijn. Nu eens ontvangen wij den indruk, dat de belofte van de vergeving, van de rechtvaardiging en het eeuwige leven, ligt opgesloten in het Evangeliewoord en dat wij deze door het geloof aannemen; maar dan weer schijnt het, dat wij, door het geloof Christus als onzen Middelaar stellende tegenover den toorn Gods, de vergeving verlangen en gerechtvaardigd worden«. (IV. pag. 204, 205).
Naar het mij voorkomt, is hetgeen, waarop Bavinck den nadruk legt, volstrekt geen gevolg van gemis aan helderheid in voorstelling of uitdrukking bij Luther en de Luthersche geloofsbelijdenis, maar moet dit juist aangemerkt worden als een verdienste, een bewijs, dat de hervormers zoo zeer leefden uit de Schrift, dat zij de veelzijdigheid der Schrift in hun werken hebben laten weerspiegelen en zich niet, gelijk velen later, door een z.g.n. logische redeneering tot een gevaarlijke eenzijdigheid hebben laten verleiden.
Een dergelijk in mijn oogen lofwaardig getuigenis geeft Bavinck ook van de hervormers van het gereformeerd protestantisme. Sprekende over de dadelijke en lijdelijke rechtvaardigmaking, zegt hij : »Bij de hervormers vindt men deze diistlnctie nog niet, zij spreken gewoonlijk van de rechtvaardigmaking la sensu concreto, handelen niet over een rechtvaardigmaking van eeuwigheid, in de opstanding van Christus, in het Evangelie, vóór en na het geloof, maar vatten alles in het eene begrip samen. Vandaar, dat zij in sommige van hunne uitspraken steun bieden aan hen, die de rechtvaardigmaking vóór het geloof plaatsen, maar met niet minder recht kunnen „aangehaald worden als voorstanders van het gevoelen, dat de justificatie steeds geschiedt door „en uit het geloof«. (IV. pag. 211).
Wij willen thans uit de Schrift aantoonen, dat deze zoowel een rechtvaardiging vóór als na het geloof kent, dat God de Heere, die God is, die den goddelooze rechtvaardigt, maar eveneens die God, die den geloovige rechtvaardig spreekt. Men zie hierin geen paradox en denke hier niet aan twee aan elkander tegenovergestelde stellingen, die nochtans beide gehandhaafd moeten worden, maar men zie de eene stelling als gebouwd op de andere, men beschouwe ze als fundament en bovenbouw, die tesamengevoegd ons melden de wondere wijsheid Gods in de verlossing van zondaren.
Het is niet noodlg, hier opnieuw aan te toonen, dat wij om niet uit genade door de verlossing, die in Christus Jezus is, gerechtvaardigd worden, en dat daaruit volgt, dat de rechtvaardiging als vrije genadedaad niet op ons geloof steunt, maar vrucht is van Gods vrijmachtig welbehagen en in zooverre met het geloof verbonden is, dat zij door het geloof wordt aangenomen. Nergens wordt dit klaarder uiteengezet dan in de 23ste Zondagsafdeeling van den Heidelberger, en met nadruk wordt herhaald, dat wij niet om de waardigheid van ons geloof Gode aangenaam zijn, maar dat de gerechtigheid van Christus onze eenige gerechtigheid voor God is, doch dat wij deze niet anders dan door het geloof kunnen aannemen. Men zal zich herinneren, hoe deze waarheid de gedachte, dat de rechtvaardigmaking aan het geloof voorafgaat, vastmaakt, wijl de gave eerst bestand moet hebben, zal zij kunnen worden aangenomen. De aangeklaagde kan niet gelooven, dat hij vrij is, voordat hij de vrijspraak uit den mond van den rechter gehoord heeft. Het geloof is ook hier uit het gehoor van de vrijspraak en niet omgekeerd het gehoor uit het geloof.
Hiertegenover staat echter, dat de Schrift ook spreekt van een rechtvaardiging na het geloof en dat het niet dan een schadelijke eenzijdigheid is, indien men deze duidelijke uitspraken van de Schrift verwaarloost.
Een van de bekendste en duidelijkste uitspraken in dezen vinden wij in Galaten 2 vers 16, waar de apostel zegt: »wetende, dat de mensch niet gerechtvaardigd wordt uit de werken der wet, maar door het geloof van Jezus Christus, zoo hebben wij ook in Christus geloofd opdat wij zouden gerechtvaardigd worden uit het geloof van Christus en niet uit de werken der wet, daarom, dat uit de werken der wet geen vleesch zal gerechtvaardigd worden«.
De nadruk valt thans op het woord opdat, waardoor de rechtvaardiging als doel van het geloof wordt aangewezen en men dus door het geloof tot de rechtvaardiging komt.
In overeenstemming daarmede is het woord van Petrus in Hand. 10 vers 43 : Dezen geven getuigenis al de profeten, dat een iegelijk, die in Hem gelooft, vergeving der zonden ontvangen zal door zijnen naam. De vergeving der zonden, dat is de rechtvaardiging uit genade, wordt hier toegezegd aan wie gelooft.
Haast gelijkluidend aan deze plaats is Hand. 13 vers 38 en 39 : „Zoo zij u dan bekend, mannen broeders, dat door dezen u vergeving der zonden verkondigd wordt en dat van alles, waarvan gij niet kondt gerechtvaardigd worden door de wet van Mozes, door dezen een iegelijk, die gelooft, gerechtvaardigd wordt. Ook hier wordt duidelijk gesproken van de rechtvaardiging van den geloovige. En het is niet voor tegenspraak vatbaar, dat de rechtvaardiging van den geloovige alleen plaats heeft, waar het geloof aanwezig is, dus op het geloof en na het geloof valt.
Trouwens de klassieke plaats uit Genesis, waarop Paulus zijn heele leer van de rechtvaardiging bouwt: Abraham geloofde God en het is hem tot rechtvaardigheid gerekend, geeft ook in klaren zin weer, dat Abraham eerst geloofd heeft en dat hij in dien weg en daardoor van God rechtvaardig verklaard is, op grond waarvan de apostel in Romeinen 4 het geloof aanprijst als van meerdere waardij dan de werken der wet en aantoont, dat alleen, als wij in den weg des geloofs van onzen vader Abraham wandelen, wij met hem van God zullen gerechtvaardigd worden.
Nu is het echter zaak, dat wij deze rechtvaardiging, die op en na het geloof volgt en in zekeren zin op het geloof gegrond is, niet los maken van de rechtvaardiging van den goddelooze, die aan het geloof voorafgaat en door het geloof wordt aangenomen, want dan rukt men het gansche stuk van de rechtvaardigmaking uiteen en komt alles scheef te staan. Wie uitsluitend spreekt van een rechtvaardiging, die op het geloof volgt, moet op den duur den aard van het geloof geweld aandoen. Het geloof is dan niet meer een eenvoudig aannemen van wat God in zijn vrije genade geeft, zoodat de grond des geloofs niet in het geloof zelf ligt, maar in wat God geeft, maar het geloof moet dan noodzakelijk aangemerkt worden als die daad van den mensch, waardoor hij zich van andere menschen gunstig onderscheidt; 't wordt met andere woorden tot een werk, zoodat men terecht komt bij wat de Catechismus zoo krachtig afwijst, n.l. dat het geloof onze waardigheid voor God wordt om der wille waarvan wij door God worden aangenomen.
Dit remonstrantsche gevaar, waartegen Comrie terecht met al wat in hem was heeft getuigd, wordt echter vermeden, als men klaar de rechtvaardiging van den goddelooze uit vrije genade aan het geloof doet voorafgaan en door het geloof laat aannemen. Want zooals deze reohtvaardigmakinig van dien zondaar uit vrije genade het geloof eischt en daarmede de onmisbaarheid van het geloof aanwijst, doet de rechtvaardiging van den geloovige niet anders dan de goedkeuring Gods zetten op dit geloof, dat alleen van vrije genade weet. Deze goedkeuring Gods van het geloof is de zegenende handoplegging Gods op den geloovige, waardoor Hij de beloften van vrije genade, die door het geloof zijn aangenomen, nader bevestigt en de aanneming tot kinderen Gods in de harten der geloovigen bedoelt vast te maken.
In een volgend artikel willen wij zien, dat de Schrift in dezen zin de rechtvaardiging van den goddelooze en den geloovige verbindt en dat ook de Catechismus, al is het dan niet in de afdeeling over de rechtvaardigmaking, op treffende wijze deze verbinding van tweeërlei rechtvaardiging als uit elkander volgende leert.

O. a/d IJ.

Woelderink

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 september 1935

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

DE RECHTVAARDIGMAKING

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 september 1935

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's