De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

HET LEVEN NÀ DEN DOOD

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

HET LEVEN NÀ DEN DOOD

12 minuten leestijd

(Slot).
Er is een tijd geweest, dat men rationalistisch een evolutionistische levens-en wereldbeschouwing koesterde. Verstandelijk beredeneerde men, dat het leven hier op aarde hoe langer hoe volmaakter en heerlijker moest worden. We waren op weg naar een groote wereldrepubliek, van verbroedering vol; een groot vrederijk was op komst. En niemand dacht aan een leven na dit leven. Het leven hier, aan deze zijde van het graf, legde beslag op hoofd en hart. Optimistisch filosofeerde men over het aardsche leven. Voor het hiernamaals had men geen aandacht, men kon 't o, zoo gemakkelijk missen. Maar mee door den wereldoorlog is men ontnuchterd. Het vrederijk is een hel geworden. En er gaat een verzuchting op in vele kringen dat er gelukkig hiernamaals nog een ander leven is !« En daar interesseert men zich nu voor: getuige het Spiritisme. Wat kan men enthousiast spreken over het leven aan de andere zijde van het graf. Wondere verhalen geeft men, door geesten aan de levenden geopenbaard
Dan stelt men zich het leven na dit leven voor als een soort leven, zooals hier op aarde geleefd wordt, maar prettiger, aangenamer. Wat zuiver heidensch is. Onze voorouders, de Germanen, deden dat ook. Uit de schedels van de vijanden, die ze gedood, gescalpeerd hadden, zouden ze 't heerlijkste bier drinken ! De inwoners van Nieuw-Guinea, die een arm en ellendig bestaan hadden, droomden van een zalige tijd, dat ze volop sago zouden eten, zonder dat er een einde aan zou komen. En onder de Papoea's in Duitsch-Nieuw-Guinea leefde de voorstelling, door Sir James Frazer aldus beschreven : »Het leven in de andere wereld ontwikkelt zich precies als in dit leven. Huizen worden gebouwd op dezelfde wijze ais huizen op aarde ; er zwerven daar, evenals hier, varkens op straat; velden worden bebouwd en schoven verzameld. Vergeestelijkte mannen huwen vergeestelijkte vrouwen en verwekken vergeestelijkte kinderen. Dezelfde oude gang van liefde en haat, gekibbel en gevecht, oorlog, moord en doodslag gaat voort in de schaduwachtige wereld onder den grond, precies als in de vaste wereld boven den grond*. (Barkey Wolf: Het Eeuwige leven, blz. 27).
Het leven hiernamaals werd dus gedacht als een duplicaat van de aarde met al de lichamelijke en sociale beperkingen, die aan dit tijdelijk bestaan zijn verbonden. Soms was er de gedachte, dat alleen de zielen van de rijken, van de adel, zouden opstaan, maar de zielen van de armen waren gedoemd om te vergaan. Een „aristocratische" opvatting van het leven hiernamaals, naar de sociale structuur van het leven op aarde !
Wie de heidensche opvattingen van het eeuwige leven en het geloof in de onsterfelijkheid van den mensch naspeurt en er naast legt wat de Mohammedanen leeren, wat de Mormonen zeggen en wat de Spiritisten vertellen, voelt, dat het van één geest doortrokken is: het is leven, zooals we nu leven, maar prettiger. De Spiritisten spreken van cigaretten rooken, muziek maken, dansen en dergelijke dingen. En het is een troost voor velen, dat er na het moeilijke, teleurstellende leven van thans, zoo'n heerlijk leven wacht aan de overzijde van het graf! Men moet de brochures en geschriften maar lezen, die met handen vol verspreid worden in de stad en in de dorpen. (Wat stelt de Kerk daartegenover, b.v. door tractaatverspreiding of door lectuur bij huisbezoek uit te deelen ? ) —
De Heilige Schrift spreekt van een leven na dit leven, dat bestaat in eeuwige genieting der zaligheid. „Maar (blij vooruitzicht, dat mij streelt!) ik zal, ontwaakt. Uw lof ontvouwen, U in gerechtigheid aanschouwen, verzadigd met Uw godlijk beeld" (Psalm 17 vers 8). En dat vooruitzicht verblijdt het gemoed. „Gij maakt eerlang mij 't levenspad bekend, waarvan, in druk, 't vooruitzicht mij verheugde ; Uw aangezicht, in gunst tot mij gewend, schenkt mij ui 't kort verzadiging van vreugde : de lieflijkheên van 't zalig hemelleven, zal eeuwiglijk Uw rechterhand mij geven" (Psalm 16 vers 6).
Waarin dan die zaligheid zal bestaan ?
De Heiland zegt tot den moordenaar aan het kruis : „Heden zult gij met Mij in het Paradijs zijn !" M e t Christus! „Ik leef en gij zult leven", zegt de Heiland tot allen, die in Hem gelooven. „Dit is het eeuwige leven, dat zij U kennen, den eenigen, waarachtigen God, en Je2ius Christ; is, dien Gij gezonden hebt".
Christus brengt hier op aarde een heel ander leven, aan allen die in Hem gelooven. En Christus brengt voor de eeuwigheid een heel ander leven, voor allen die in Hem gelooven. Christus is de levensbron. „Ik ben de opstanding en het eeuwige leven", zegt Hij.
Van de vromen van het Oude Testament kan gezegd worden (met prof. Bavinck) : „zij verwachtten niet alleen bevrijding van aardsche druk en tegenspoed, maar drongen met het oog des geloofs ook menigmaal door tot de overzijde van het graf en verwachtten een zalig leven in gemeenschap met God''. Dat zien we in Jacob, die stervend uitroept: „op Uwe zaligheid wacht ik, o Heere". En de Hebreërbrief zegt van Abraham: „Want hij verwachtte de stad die fundamenten heeft, welker kunstenaar en bouwmeester God is" (Hebr. 11 vers 10 en 15, 16). Ze waren reizigers naar een beter Vaderland. „Daarom schaamt zich God hunner niet, om hun God genaamd te worden, want Hij had hun eene stad bereid".
En dan is er tweeërlei weg. Daniël zegt: „en velen van hen die in het stof der aarde slapen, zullen ontwaken, deze ten eeuwigen leven en gene tot versmaadheid en tot eeuwig afgrijzen".
Hieraan twijfelden de Farizeën en de Schrift­ geleerden niet in Jezus' dagen. Wel de verlichte Sadduceërs. En een niet onbelangrijk deel van het onderwijs van den Heiland bestaat in het . recht zetten van hun denkbeelden aangaande het leven na dit leven. Bekend is Zijn antwoord op hun vraag : „Indien een vrouw méér dan eens huwt, wiens vrouw zal zij zijn in het eeuwige leven ? " Waarbij de Heiland aan^ den eenen kant laat voelen, dat de dooden zullen opstaan^, maar aan den anderen kant leert Hij, dat het leven hiernamaals gehéél anders zal zijn dan het leven op aarde. En de Christelijke gemeente denkt niet aan eten en drinken en vroolijk zijn, niet aan huwen en ten huwelijk geven. Zooals zij hier op aarde geleerd hebben, dat het waarachtige leven bestaat in het kennen van den éénen waren God in Jezus Christus, onzen Heere, zoo weten ze, dat het leven na dit leven zal bestaan in het zalig genieten van Gods nabijheid door Hem, Die ons verlost heeft door Zijn dierbaar bloed. „Want indien wij met Hem gestorven zijn, zullen wij ook met Hem leven" ; of zooals de apostel Paulus óók zegt: „Want indien wij met Hem één plant geworden zijn in de gelijkmaking Zijns doods, zoo zullen wij het óók zijn in de gelijkmaking Zijner opstanding".
Die hoop moet al ons leed verzachten !
Wij bezitten in de opstanding van Christus het onderpand onzer zalige opstanding. Daarom treuren we ook niet op de graven van degenen, die in Christus ontslapen zijn, als degenen, die geen hope hebben. Want ieder persoonlijk, die in Christus Jezus zijn Heiland en Zaligmaker mag leeren kennen, mag ook met 's Heilands' mond hooren : „Ik leef, en gij zult leven. In het huis Mijns Vaders zijn vele woningen; Ik ga heen om u plaats te bereiden; en als Ik u plaats zal bereid hebben, kom Ik weder en Ik zal u tot Mij trekken, opdat gij moogt zijn waar Ik ben, deelend in Mijne heerlijkheid".
Op den doodenakker wordt dan een natuurlijk lichaam gezaaid ; als een zaad in de aarde. In de opstanding zal een geestelijk lichaam worden opgewekt, om te leven het eeuwig zalig leven, vereenigd met de ziel.
Daarom is de Christen ook gewoon om voorzichtig een eerbiedig om te gaan met het lichaam van degene, die gestorven is, omdat we gelooven in de opstanding des vleesches. De ure komt, dat degenen, die in de graven zijn, zullen opstaan. En dan zal het zelfde lichaam, dat begraven is, toebereid worden voor de eeuwigheid. Waarvan Paulus, met het oog op de geloovigen zegt, dat er een natuurlijk lichaam gezaaid wordt en dat er een geestelijk lichaam zal worden opgewekt. (1 Corinthe 15).
Dat natuurlijk lichaam van den geloovige is het lichaam van vleesch en bloed, dat voor het leven op deze aarde geschikt is. Dat geestelijk lichaam is hetzelfde lichaam (anders zou het een geheel nieuwe schepping zijn), maar dan geschikt gemaakt voor het eeuwig zalig hemelleven. Wel vleesch en bloed. Want we belijden elken Zondag met de gemeente des Heeren : „Ik geloof het eeuwige leven" — maar óók: „ik geloof de opstanding des vleesches". Niet het eerste zonder het tweede.
Daarom antwoordt de Catechismus op de vraag : „Wat troost geeft u de opstanding des vleesches? " als volgt: „Dat niet alleen mijne ziel na dit leven van stonden aan tot Christus, haar Hoofd, zal opgenomen worden, maar dat ook dit mijn vleesch, door de kracht van Christus opgewekt zijnde, wederom met mijne ziel vereenigd en aan het heerlijk lichaam van Christus gelijkvormig zal worden".
Dat geestelijk lichaam zal dus wel degelijk toestaan uit vleesch en bloed, zooals Christus in Zijn verheerlijkte menschelijke natuur in den hemel is als Middelaar Gods en der menschen, maar het zal een lichaam van vleesch en bloed zijn, geschikt voor het eeuwige leven en daarom een „geestelijk" lichaam genoemd, een „hemelsch" lichaam. (1 Corinthe 15).
Dat lichaam, dat begraven wordt en als een zaad in den akker wordt gelegd, wachtend op die ure der opstanding, verbrandt de Christen daarom niet. Willen de vijanden dat lichaam van den belijder van des Heeren Naam verbranden, dan moeten zij t' weten ! De Heere is machtig genoeg om ook uit de asch van de brandstapel een lichaam toe te bereiden, dat voor het hemelsch leven geschikt is. Maar de Christen zelf gaat de dooden niet verbranden, gelijk de heidenen wel deden. Juist de eeuwigheids-gedachte doet het lichaam van onze dooden weg bergen in de aarde, wachtende op de ure, dat het bazuingeschal zal worden gehoord, ter opwekking van degenen, die in Christus ontslapen zijn en wachten op Zijn wederkomst op de wolken.
Eerst worden de zielen ingeleid in de erve der zaligheid. „Heden zult gij met Mij in het Paradijs zijn". Zonder tusschenplaats, zonder zieleslaap, zonder vagevuur. „Van stonde aan tot Christus, haar Hoofd, opgenomen" (Catech. Zondag 22, antw. 57). En dan later, in de groote opstanding, bij de wederkomst van Christus, zal het lichaam uit het stof der aarde worden opgewekt.
Vraagt men ons, hoe dat kan en op welke wijze het geschieden zal, dan antwoorden we: wij weten het niet. Zooals we ook niet weten, noch begrijpen of verklaren kunnen, hoe de rups zich inspint als een pop, terwijl er dan straks een bont gekleurde vlinder uitvliegt, gaande van bloem tot bloem, vroolijk zich bewegend, overgoten van 't heldere zonlicht.
Zóó zal het lichaam, op Gods tijd, worden opgewekt of, van degenen die nog ia leven zullen zijn ais Christus verschijnt op de wolken, worden getransformeerd of veranderd in een punt des tij ds. En 'dan zal ziel en lichaam weder vereenigd worden en het zal eeuwige zaligheid zijn in „het huis des Vaders, met zijn vele woningen".
Die gedachte van „het huis des Vaders" — de God en Vader van onzen Heere Jezus' Christus, Die om Zijnentwil ook ónze Vader wil zijn (Cat. Zondag 46) — wijst er op, dat liet leven na dit leven geen ordeloos leven zal zijn, waarbij we als zwervers zullen ronddolen en als vreemd aan elkaar zullen leven. We zullen als kinderen thuis zijn, leden van één en hetzelfde gezin, behoorend tot het huisgezin des Heeren, om Hem eeuwig te loven en te prijzen. Die ons heeft liefgehad en Die ons Gode heeft gekocht met Zijn bloed en ons gemaakt heeft tot koningen en priesters. Niet vleesch en bloed beshssen hier. Dat zijn niet Mijne broeders en Mijne zusters, zegt de Heiland, die door bloedgemeenschiap Mij verwant zijn, maar die den Heere vreezen en Zijn wil doen, die uit God geboren zijn en Hem liefhebben. Zóó zal het één groot gezin zijn, waar de vreeze Gods gevonden wordt in allen. Geen gelaatskleur, geen ras, geen bloed beslist hier. Het zal zijn van alle vleesch en alle tong en alle naties, dat ze zullen ingaan in de vreugde des Heeren door Christus Jezus. Om dan saam den Heere groot te maken.
Zalig het volk, dat het geklank kent. Zalig allen en een ieder, die mag zeggen : „Ik leef, maar niet meer ik, doch Christus leeft in mij". Heerlijk uitzicht op de eeuwigheid, als hier het eeuwig leven ons in Christus is geworden. „Maar onze wandel is in de hemelen, waaruit wij ook den Zaligmaker verwachten, namelijk den Heere Jezus Christus; Die ons vernederd lichaam veranderen zal, opdat het gelijkvormig worde aan Zijn heerlijk lichaam naar de werking, waardoor Hij ook alle dingen zichzelven kan onderwerpen".
Hier vernederd door de zonde, maar daar verhoogd en verheerlijkt door den Geest. Alle vernedering, alle ellende, alle schande, alle verdriet, alle gebrek raken we kwijt. En als we een nieuw lichaam zullen ontvangen en de Naam des Hee­ ren op onze voorhoofden zal staan, zullen alle deugden des Heeren van ons uitschitteren in heerlijkheid, om als beelddragers Gods Zijn Naam te belijden en in Zijne wegen te wandelen en Zijn werken te doen, met blij gemoed zeggend: „wij mogen zijn in de dingen van onzen Vader ! Eeuwig en altoos!"
Alle beletselen en hindernissen wég. Geen zonde meer. Geen tranen meer. Geen ziekte meer. En niemand zal zeggen in het eeuwig Godsrijk : „ken den Heere", want ze zullen in het eeuwig zalig leven allen Hem kennen met geheel het hart en Hem dienen m.et alle kracht. Als de hemel zal vernieuwd zijn en de aarde zal vernieuwd zijn, dan zal voor het volk des Heeren, dat alle heil in Christus kent, .alles nieuw zijn. Zij zullen ook zelf nieuw zijn. Al 't oude is dan weg. En een eeuwig nieuw leven zal het deel zijn van allen, die in Christus Jezus tot God, den Heere mogen zeggen : „Abba, lieve Vader !" Zoolang we nog inwonen in dit lichaam, wonen we uit van den Heere, als pelgrims in den vreemde. Maar straks, dan zijn we in het nieuwe Jeruzalem dat boven is, in het hemelsch Kanaan. Dan is de vreemd'lingschap vergeten.
„Er blijft een ruste over voor 't volk van God !"

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 september 1935

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

HET LEVEN NÀ DEN DOOD

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 september 1935

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's