De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

DE RECHTVAARDIGMAKING

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

DE RECHTVAARDIGMAKING

11 minuten leestijd

In de Schrift, zoo zeiden wij, wordt de rechtvaardiging van den goddelooze en de rechtvaardiging van den geloovige nauw met elkander verbonden.
Deze verbinding rust op den eisch des geloofs, zonder welke de rechtvaardiging van den goddelooze geen bestand heeft. Want deze rechtvaardiging van den goddelooze is gegrond in de belofte des evangelies en gelijk men zich herinneren zal, wU deze uitdrukking zeggen, dat zij alleen door het geloof kan worden aangenomen, terwijl ongeloof de beloften Gods krachteloos maakt. De rechtvaardiging van den goddelooze wordt dus alleen in en door het geloof een krachtdadig werk van God in den hemel, waarvan de vruchten eenmaal nadere getuigenis zullen afleggen.
Ook zij, die de rechtvaardiging van den goddelooze niet een plaats geven in de belofte des evangelies, maar slechts in dat ééne oogenblik, waarin deze belofte door den Heiligen Geest op het hart wordt geboonden, hetwelk zij dan zien als een bizondere openbaring, die buiten het Woord ligt, kunnen aan de noodzakelijkheid des geloofs niet ontkomen. In datzelfde oogenblik, waarin God den mensch krachtdadig rechtvaardigt en hem een eigendom geeft aan Christus en Zijn gerechtigheid, stellen zij de geboorte van het geloof, waardoor Christus én Zijn gerechtigheid wordt aangenomen en zonder welke omhelzing des geloofs er geen waarachtig eigendom aan Christus mogelijk is.
Maar dan is er toch ook niets geen bizonders in, dat God de Heere daarna dit eigendom aan Christus nader bevestigt, zoo als het door de omhelzing des geloofs tot stand gekomen i s en dat Hij dus dit geloof erkent in zijn zaligmakende beteekenis. Hij doet daarmede niet anders dan het geloof, dat Hij eerst gevraagd heeft en waaraan Hij de zaligheid verbonden heeft, te erkennen als werkelijk te voeren tot behoudenis.
Deze erkenning en bevestiging van het geloof heeft nu eerst weer plaats, in het geschreven Woord, waarin tal van beloften aan het geloof verbonden worden en het geloof zoowel in zijn zaligmakenden zin als in zijn rechtvaardigende beteekenis telkens onder onze aandacht wordt gebracht. Wanneer deze erkenning van het geloof, die in het Woord tot ons komt, door den Heiligen Geest bizonder wordt verlicht en krachtdadig op het hart wordt gebonden, verstaan wij, wat de Schrift onder de verzegeling des Heiligen Geestes begrijpt, de verzegeling, waardoor God Zijn eigen werk aan ons hart bevestigt en de Geest aan onzen geest getuigt, dat wij kinderen van God zijn.
In Romeinen 4 vinden wij een woord, waarin in één adem zoowel van de rechtvaardiging van den goddelooze als van de rechtvaardiging van den geloovige wordt gesproken. „Doch dengene, die niet 'werkt, maar gelooft in Hem, die den goddelooze rechtvaardigt, wordt zijn geloof gerekend tot rechtvaardigheid".
Wij moeten hier allereerst het voorwerp des geloofs aanmerken. Dat is Hij, die den goddelooze rechtvaardigt. Maar wijl het geloof uit het gehoor is, wil dit niet zeggen, dat het geloof de gedachte schept en wekt, dat God den goddelooze rechtvaardigt, doch dat omgekeerd de waarheid des evangelies, door Gods boden gepredikt, dat God den goddelooze rechtvaardigt, het geloof heeft verwekt in het hart van hem, die meende voor eeuwig te moeten omkomen.
De rechtvaardiging van den goddelooze, over welke de apostel hier spreekt, ziet hij dus als gegrond en bekend gemaakt in het evangelie. Zij is vóór het geloof, omdat zij het geloof heeft verwekt, dat haar aangenomen heeft. Gelooven in Hem, die den goddelooze rechtvaardigt, wU toch niet anders zeggen dan het woord van genade gelooven, waarin God den goddelooze vrijspreekt en al zijn zonden vergeeft; dat woord, gelooven ook met toepassing op zichzelf.
Het geloof, dat den geloovige gerekend wordt tot rechtvaardigheid, is dus niet een op zich zelf staande geestelijke werkzaamheid van den mensch, die naar haar zedelijk godsdienstige beteekenis hier gewaardeerd wordt. De beteekenis van het geloof wordt hier niet bepaald vanuit den mensch, die gelooft, maar vanuit zijn voorwerp, het woord en de belofte des evangelies. Er staat niet zonder meer, dat den geloovige zijn geloof gerekend wordt tot gerechtigheid, waarbij men zich dan het geloof ook zou kunnen denken zonder voorwerp, zooals zij doen, die zeggen : het komt er niet op aan, wat men gelooft, slechts dat men gelooft. Neen, nadrukkelijk staat er : die gelooft in Hem, die den goddelooze rechtvaardigt, wordt zijn geloof gerekend tot gerechtigheid. En om dit verschil te accentueeren, zegt de apostel nog met nadruk  die niet werkt, maar gelooft. Wie het geloof vanuit den mensch benadert en als geestelijke werkzaamheid van den mensch waardeeren wil, zooals de remonstrant, maakt van het geloof een werk en fundeert de rechtvaardiging alzoo op het werk van den mensch. Maar wie het geloof bepaald laat worden door zijn voorwerp, inzonderheid door het evangelie van vrije genade, moet een altijd doorgaande tegenstelling aannemen tusschen geloof en werk, wijl dit voorwerp des geloofs alle werk van den mensch veroordeelt en vrije genade aanwijst als den eenigen oorsprong des behouds.
Als hier dus van den geloovige gezegd wordt, dat het geloof hem aangerekend wordt als rechtvaardigheid, kan dit uit kracht van de beteekenis van het geloof, dat uitdrukkelijk als werk ontkend wordt en, uit kracht van de beteekenis, van het voorwerp des geloofs, dat vrije genade als den eenigen grond des behouds aanwijst, nooit in remonstrantschen zin worden , gevat. De rechtvaardiging van den goddelooze uit vrije genade is reeds voorafgegaan en door het geloof aangenomen en daarom kan dit geloof niet de waardigheid zijn, om dewelke wij van God aangenomen worden. De beteekenis van deze woorden dat het geloof hem tot rechtvaardigheid wordt , gerekend, is dus geen andere, dan dat God den geloovige als rechtvaardig voor Hem erkent en het geloof niet alleen eischt tot rechtvaardiging en zaligheid, maar dit geloof, als het in het hart van den mensch geboren is, ook erkent als werkelijk daartoe te leiden. Alleen de geloovigen zijn waarlijk kinderen Gods en zullen ook alleen als zoodanig door Hem erkend worden.
Alleen in dezen weg kunnen wij wederkeeren tot een gezonde exegese van de klassieke woorden : hij geloofde in den Heere en Hij rekende het hem tot gerechtigheid. Deze woorden zijn uit vrees voor het remonstrantisme op een ontzettende wijze exegetisch verknoeid, en op allerlei manier heeft men in deze woorden, die niet anders kunnen beteekenen dan dat God het geloof als gerechtigheid heeft aangerekend, de schenking en toerekening van Christus' gerechtigheid willen onderbrengen. Zelfs Bavinck heeft zich aan deze verkrachting der woorden, die langzamerhand gemeen goed was geworden, niet weten te onttrekken en schrijft: »De woorden : het geloof wordt toegerekend tot gerechtigheid, zijn een verkorte uitdrukking daarvoor, dat God zijne in Christus geschonken gerechtigheid in het geloof aan iemand toerekent en op dien grond hem vrijspreekt*, (rv, p. 223).De verwarring wordt in 'den regel verwekt door het woord toerekenen, dat wij ook geb
ruiken ten opzichte van de mededeeling van Christus' gerechtigheid aan ons, zooals de Catechismus spreekt van dat nochtans, volgens hetwelk God zonder eenige verdienste onzerzijds uit louter genade de genoegdoening, gerechtigheid en heiligheid van Christus mij schenkt en toerekent. Deze schenking en toerekening uit genade heeft , echter bestand vóór het geloof en wordt door het geloof aangenomen. Daarvan is dus geen sprake meer, als vervolgens dit geloof als gerechtigheid wordt aangerekend.
Het is dan ook een vrij grove afwijking van de leer der Schrift, als door sommige onzer godgeleerden in de achttiende eeuw geleerd is, dat de rechtvaardiging van den geloovige daarin bestaat, dat God dien, die gelooft, de gerechtigheid van Christus schenkt en toerekent. Niet alleen, dat men zoo het geloof tot verdienende oorzaak maakt, waardoor men Christus deelachtig wordt, maar men zou hier ook kunnen vragen, of het geloof hier nog een voorwerp heeft en of het niet in de lucht hangt.
Men doet echter evenzeer de beteekenis der woorden geweld aan, als men op andere wijze de toerekening van Christus' gerechtigheid in deze woorden wil onderbrengen, zooals Bavinck doet, en dan zegt, dat God zijne in Christus geschonken gerechtigheid la het geloof iemand toerekent. Trouwens, deze wijze van uitdrukking verduistert de zaak in plaats van die te verhelderen, want dat God, Christus' gerechtigheid iemand in het geloof toerekent, is niet anders dan een gekunstelde uitdrukking, door welke men schijnbaar de moeilijkheden ontvlucht, maar wie zich de moeite getroost om deze uitdrukking te ontleden, komt tot de erkenning, dat men met woorden gegoocheld heeft. Dat men door de geloovige omhelzing van Christus' gerechtigheid deze als zijn eigendom mag rekenen, is duidelijk, maar wat het beteekent, dat God in het geloof iemand iets toereken t, zal degene, die in deze uitdrukking vlucht, waarschijnlijk zelf wel niet duidelijk zijn.
Wanneer wij dus goed beseffen, dat de schenking en toerekening van Christus' gerechtigheid aan het geloof is voorafgegaan en door het geloof is aangenomen, is er geen bezwaar om de woorden : het geloof is hem gerekend als gerechtigheid, in letterlijken zin te nemen. God erkent dit geloof als het eenige beginsel van ware rechtvaardigheid en godsvrucht en erkent deze geloovigen alleen als Zijn kinderen. Het geloof wordt hier dus niet de gerechtigheid, waarmede wij voor God bestaan, maar het geloof is die subjectieve gerechtigheid, die door de objectieve gerechtigheid van Christus is voortgebracht en waardoor ons aandeel aan Christus zich bewijst niet fictief, maar werkelijk te zijn.
In de uitlegging van de Galaterbrief, van welk werk Bunjan getuigt dat volgens hem naast de Schrift niet zulk een schoon werk bestaat, aarzelt Luther, die juist hier het vertrouwen op de werken op intense wijze bestrijdt, niet om. het geloof de eenlge gerechtigheid te noemen, die God erkent als aan Hem aangenaam. Met vrijmoedigheid kon hij zoo spreken, omdat hij dit geloof niet geteekend had als een werk van den mensch, maar als de vereenigingsband met Christus en een spruit van Christus' gerechtigheid in den mensch. De gerechtigheid van Christus, den mensch toegerekend, verwekt het geloof. De objectieve gerechtigheid van Christus plant zich door toerekening voort als subjectief gerechtigheidsbeginsel in het geloof. Daarom wordt ook dit geloof, dat niet uit ons is, maar uit Christus en Zijn gerechtigheid, door God als gerechtigheid gerekend. Want het is de inwoning van Christus in ons. Het Is daardoor ook het herstel van de oorspronkelijke gerechtigheid, die wij door de zonde verloren hebben. Vandaar, dat het geloof ook in de heiligmaking zulk een grondleggende beteekenis heeft.
Gaarne wil ik erkennen, dat men door de eigenaardige uitlegging van de woorden: het geloof Is tot gerechtigheid, gereekend, bedoeld heeft het stuk van de rechtvaardigmaking vast te maken in de toegerekende gerechtigheid van Christus, maar door een verkeerde uitlegging bevestigt men de waarheid nooit maar verzwakt haar. Het gaat hier mede als met die andere verklaring, door velen toegepast op de uitdrukking : .gerechtvaardigd uit of door het geloof. Men zegt dan, vaak met een triomfeerende gelaatsuitdrukking naar de kant van Rome: in het oorspronkelijke staat het woord dia niet met den vierden maar met den tweeden naamval; het is niet vanwege ons geloof maar door middel van ons geloof. En men bemerkt niet, hoe zinloos deze opmerking is; omdat ook in de uitdrukking gerechtvaardigd uit de werken voor uit eenzelfde woord wordt gebruikt als in de uitdrukking gerechtvaardigd, uit het geloof. Onwetend komt men zelfs Rome in het gevlei. De tegenstelling, die de Schrift maakt tusschen de werken en het geloof, is duidelijk genoeg en afdoende en wij moeten niet door een verkeerde exegese gaan aandikken, wat onze onderstreeping volstrekt niet noodlg heeft. Anders werken wij mede tot verzwakking der waarheid in plaats dat wij haar bevestigen.
Dat men de woorden : het geloof is hem gerekend tot gerechtigheid, door een verkeerde exegese verdraaid heeft, heeft ten gevolge gehad, dat in de ontwikkeling van het godsdienstig leven ten onzent het geloof meer en meer zijn waarde heeft verloren. Terwijl God juist in deze woorden de groote beteekenis van het geloof ons voor oogen stelt, onmisbaar als het is tot onze rechtvaardiging en zaliging, is in het godsdienstig leven ten onzent het geloof al meer op den achtergrond getreden en komt het zelfs voor, dat het geheel niet meer genoemd wordt. De objectieve grond van onze rechtvaardiging in Christus' gerechtigheid bovenmate willende onderstreepen, heelt men alleen gerekend met de objectieve openbaring des Geestes aan het hart, waardoor deze grond onzer rechtvaardiging ons klaar wordt en sprak niet meer van de subjectieve toeëigening door het geloof noch van de beteekenis daarvan. Subjectief stelde men zich tevreden met indrukken en gevoelens en verkrachtte daardoor de natuur van den mensch, zooals die door God is geschapen en juist door de openbaring en het werk des Geestes wordt herschapen tot geloof en gehoorzaamheid.
Geen hernieuwing van het godsdienstig en kerkelijk leven ten onzent mag verwacht warden, indien deze verkeerde ontwikkeling niet te niet wordt gedaan en zoowel in de leer als in het leven het geloof weer de plaats ontvangt, die God het gegeven heeft.
O. a/d IJ.

Woelderink

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 september 1935

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

DE RECHTVAARDIGMAKING

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 september 1935

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's