DE REFORMATIE
IN BE CLASSIS NEDER-VELUWE VAN 1592 — 1620 22)
PUTTEN.
Het kerkgebouw te Putten dateert uit de 14e eeuw en was voorheen aan den H. Pancratius gewijd.
In 1580 gelastte de Geldersche Synode de Kerk van Harderwijk om het kerspel Putten te reformeeren, waar echter niets van kwam, doordat de steden Nijmegen, Zutfen en Deventer van den Prins afvielen. Doch toen Maurits in 1591 deze steden hernam, kwam in 1592 het bevel tot reformatie, ook al bleek Putten met zijn pastoor, beschermd als deze werd door de Kehary aldaar, er „nog niet rijp voor". In de geheele Classis is niet zoo'n strijd geweest als te Putten, daar de pastoor Willem de Wees zich tot 1610 heeft verzet, en dat niet lijdelijk zooals de pastoor te Vaassen tot 1608, doch krachtdadig, trotseerende elk protest. Dit maakt de geschiedenis des te interessanter.
Zoo werd hij dan tegen 4 Juli 1592 te Harderwijk opgeroepen ten einde onderzocht te worden naar leer en leven en gezindheid. Maar dit examen beviel hem direct al bitter slecht, en zoo bewoog hij Henricus Wolteri, pastoor van Voorthuizen, met hem zich aan het examen te onttrekken reeds na den eersten dag, waarvan zij schriftelijk de reden opgaven, gelijk wij bij de schets over Voorthuizen hebben beschreven.
Aan de Synode, den 11 Sept. 1592 te Nijbroek bijeen, had hij te kennen gegeven Roomsch te willen blijven of afgezet te worden. De Synode raadpleegde het Hof en kreeg machtiging om de onwillige pastoors af te zetten, waartoe zij dan ook in 1593 te Arnhem besloot. Er waren pastoors, die zich dit geheel of ook gedeeltelijk lieten welgevallen, doch de pastoor van Putten in het geheel niet. Hoewel hij dus eigenlijk in 1593 was afgezet, was er practisch nog niets geschied'. De Classis, den 13 April 1594 te Harderwijk vergaderd, besloot de Heeren gecommitteerde Raden van Veluwe aan te schrijven, ten einde zijn verwijdering gedaan te krijgen, daar hij met die van Elspeet, „jedoch die schadelikste onder den pastoren" waren. In September werd dit verzoek herhaald, geadresseerd aan ds. Fontanus van Arnhem, doch er staat bij aangeteekend, dat het wel geschreven is, doch niets heeft uitgewerkt.
Aangezien de reformatie ziender oogen veld won, was het vermoeden gegrond, dat Putten eerlang wel vacant zou zijn. Zoo vroeg ds. Johs. Hookel, van Nijland, bij Bols ward, of hy niet naar Putten mocht komen. De Classis was echter voor vreemdelingen beducht, doch beloofde hem informaties te nemen bij ds. Thomas Ruthuis, van Bolsward. Van zijn overkomst naar Putten is echter niets gekomen.
Het aanblijven van den pastoor was de Classis echter een doorn in het oog, en zoo drong de Synode van 15 Juli 1595 wederom op zijn afzetting, di. zijn verwijdering aan. De Classis van 23 Sept. daaraanvolgende schrijft aldus in de acta :
Belangende Putten dwyle daer noch is een papistighe pape, die de omliggende reformeerde kercken grote schade, doet, is van de samptelioke broderen gesloeten, 'dat aent Hoff versocht worde, dat hy geheel syntz dientst metten eersten ontset worde, und soe daer geen diener soo balde ^ waer toe crygen, opdat dat kerspel nyet gansseUok gefinstreert ^) en worde" dat dan de nabiurige gemeenten en vooral Garderen daar uit Gods Woord zullen prediken.
Hoewel de Classis nu voorheen besloten had om de weigerachtige pastoors niet meer op te roepen, zoo is dit toch tegen 2 Juni 1596 geschied. De pastoors van Epe, Vaassen en Oosterwolde boden schriftelijk hun excuus aan, doch die van Oene en Putten lieten niets van zich hooren, weshalve de Classis aan de Synode schreef, dat deze beide „umb viele wichtige ursachen" behoorden verwijderd te worden.
Twee maanden later schrijft de Classis in de Acta als volgt:
Naedien men verstaedt dat niettegenstaende die hochge Overhelt den pastor van Putten den predickstoel beefft verboden, hij nochtans int predigen vortgaet, tot grote versterokinge van die papistische pastoren, ende verachtinge van die overhelt, heeft men besloten, dat men wederom ant Hoff sal schryven om hem van den predickstoel doen affblijven, oock dat het Hoff wil gelieven den Dienaren van Harderwijck ende tot Vorthuisen den dienst een tijt lang bevelen te bedienen*.
In 1597 blijkt er verandering gekomen te zijn, daar op de Aprü-vergadering der Classis in 1598 aanwezig is als predikant van Putten ds. Petrus Kinsius. Die hield daar een preek naar aanleiding van Handelingen 13 vers 38, waarover de broeders hun critiek tot genoegen uitbrachten. Met het oog op de omstandigheden was deze vergadering van 1598 te Putten belegd, en werd meteen ds. Petrus Kinsius door den voorzitter dr. Wirtzfeldius, van Harderwijk, in den dienst bevestigd, zoodat dit geen sleepende geschiedenis werd als te Garderen. Hij was afkomstig uit de Classis Arnhem, van welke hy twee jaar later zijn attesten toonde, tot voldoening der Classis.
Hoewel Putten nu een predikant had, zoo was nochans de pastoor ook nog in het dorp, en dat niet als ambteloos burger, doch hij ging voort met heimelyk te doopen, gelijk Everhardus Swaer van Nijkerk. De Synode van 1599 verzocht aan het Hof hem uit Putten te verwijderen, daar hij gesteund werd door „der keiler to Putten", die een Jesuit was, en ook door een vroom man diende vervangen te worden. (Over de kellery te Putten staat een artikel in „Gelre"). Ook ds. Kinsius klaagde over de kellerij, die de reformatie tegenstond, en den pastoor Willem de Wees steunde. En de Classis klaagde in 1605 dat de afgezette pastoor zich geheel verstoutte, door in het openbaar de R.K. godsdienst voor te staan, gelijk hij dat bij klaar lichten dag den 3den Maart te Nijkerk gedaan had, „alwar hie gekommen slnde mit ein kar von Putten ten huse van Henrich van der 'Scheur", waar hy een kind doopte, gelijk hij in November 1604 vier kinderen gedoopt had.
De Classis bracht de zaak voor de Synode, die besloot om het Hof te verzoeken, dat door deszelfs toedoen de keller van Putten (door wien Willem de Wees onderhouden werd) zich van den pastoor losmaakte, zoo deze in zijn opstandigheid bleef volharden.
Het baatte echter niets, en de oude pastoor ging geregeld met beslistheid voort, zoowel met prediken als doopen, zoodat in 1608 wederom dezelfde klachten inkwamen bij Classis en Synode.
In 1609 begon de Classis het bewijsmateriaal te verzamelen tegen den pastoor, opdat de lijst van doopelingen aan het Hof kon worden voorgelegd. Het volgend jaar bracht ds. Kinsius verslag uit, stelde dit de classicale deputaten ter hand, die er brieven bij voegden, voor het Hof bestemd, met uitdrukkelijk verzoek om Willem de Wees uit Putten te verdrijven, daar hij nooit zou nalaten de Roomsche religie voor te staan.
Na dezen lezen wij er niets meer van, en blijkt de strijd beslecht te zijn.
In 1612 staat de Classis aan ds. Kinsius, die maar één ouderling had, toe, dat hij dezen om bet andere jaar mee ter vergadering nemen mag, daar het anders wat te bezwaarlijk viel.
Omstreeks 1618/19 komt er verandering door het overlijden van ds. P. Kinsius, die blijkens de Augustus-notulen is opgevolgd door ds. Johannes Rutgeri Verbruggen, van Brummen overgekomen naar Putten, en bevestigd door ds. Otto van Heteren, predikant te Harderwijk.
(Wordt vervolgd).
Vaassen.
1) spoedig ; ²), van het licht verstoken.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 september 1935
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 september 1935
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's