KERKELIJKE RONDSCHOUW
VAN ROOF EN GEWELD
De geschiedenis herhaalt zich. De menschheid van vroeger is niet veel anders geweest dan het geslacht van heden. De Engelsche oorlog met de Boeren in Transvaal — als jong dominé hebben we mee gemaakt, dat de Gemeente des Heeren in Gods huis in bidstonden saam kwam — of wat de Italiaansche dictator nu wil ondernemen met Abessynië (alles van wege de weinige beschaving die er in Etheopië is!) lijkt op elkaar als twee druppels water.
We willen onzen Bijbel opslaan en wel bij 1 Koningen 20. Het Ev. Zondagsblad herinnerde er ons aan. In onzen Bijbel staat boven dat hoofdstuk (wij gebruiken den laatsten tijd in onzen huiselijken kring de mooie Bijbel, die geillustreerd is uitgegeven door de Vereeniging tot verspreiduig der Heilige Schrift, Keizersgracht 328, Amsterdam) : Oorlog tusschen Achab en Benhadad. Benhadad is de Koning van Syrië. Syrië voelt zich en Benhadad wapent zich. Hij wil op verovering uitgaan. Zijn land moet grooter en sterker worden. Waarom ? Ten Noorden wordt Syrië begrensd en bedreigd door het groote wereldrijk Assyrië of Assur. Ten Oosten is de woestijn, die doet geen kwaad. Maar Assur is een leelijke concurrent. Daarom zoekt Syrië — wat men tegenwoordig noemt „expansie", dat is : uitbreiding van grenzen en macht. Dan kan 't des te beter zich verdedigen tegen den machtigen concurrent. En nu komt Abbessynië — neen, we vergissen ons — nu komt Israël voor die „expansie" in aanmerking. Benhadad slaat z'n oog en zet z'n zinnen op het land der Joden, op Israël, met Samaria als hoofdstad, waar Achab koning is. Israël ligt Zuid-West van Syrië (in onze Bijbels moesten veel meer kleine, duidelijke, sprekende kaartjes staan, opdat men de situatie kan nagaan) en Israël en Syrië zijn altijd, doodsvijanden geweest. Die ellendige concurrentie ! Die jammerlijke onrust en ontevredenheid onder die volkeren ! Die begeerige harten en vurige oogen Ook in den tijd waarvan 1 Kon. 20 melding maakt — het Evangel. Zondagsblad herinnerde er ons aan — is er weer een conflict. Benhadad van Syrië laat zijn tegenstander Achab de volgende zware eisch stellen : „Uw. zilver en uw goud, dat is mijne; bovendien uwe vrouwen en de besten uwer kinderen, die zijn mijne" (vers 3).
Dat is nog al brutaal, onredelijk en wreed. Maar — wat doet men er aan, als een geweldenaar komt met zulke gruwelijke eischen ? Niets — als men zelf niet sterk is. En we lezen dan ook, dat Achab heel kalm antwoordt: „Naar uw woord, mijnheer de Koning ; ik hen uwe en al wat ik heb" (vers 4).
Dat had Benhadad blijkbaar niet verwacht, dat Achab zóó spoedig het hoofd in den schoot zou leggen en zoo vlot zijn eischen In alles zou inwilligen. En toen had hij er spijt van, dat hij niet méér gevraagd had en niet verder in zijn eischen was gegaan.
„In dat opzicht" — zegt het Evang. Zondagsblad zeer juist — „is de diplomatie toch wel slimmer geworden, want tegenwoordig zitten de onderhandelaars dagen lang zwijgend tegenover elkander : niemand, wil wat vragen, uit vrees, dat hij te weinig zal vragen en In de hoop, dat een ander iets zal noemen, waar hij nog niet aan gedacht had en dat hij dan hij zijn vragenlijst zou kunnen voegen".
Achab stemt dus toe, hoe vernederend het ook is. Maar voor geweldenaars is het nooit .genoeg. En Benhadad komt met een nieuwe en veel zwaardere eisch. Brutale menschen hebben de halve wereld. Totdat 't deksel op de neus valt
Daar komen de boden van Benhadad weer aan. Niet om te zeggen, dat het nu in orde is en dat Syrië nu verder Israël met rust zal laten. Neen, we lezen : „Daarna kwamen de boden weder en zeiden : „Alzoo spreekt Benhadad, zeggende : ik heb wel tot u gezonden, zeggende : uw zilver en uw goud en uwe vrouwen en uwe kinderen zult gij mij geven ; maar morgen om dezen tijd zal ik mijne knechten tot u. zenden — en zij zullen uw huis en de huizen uwer knechten nazoeken en al het begeerlijke uwer oogen zullen ze nemen en wegvoeren" (vers 5 en 6).
Syrië zal brutaal komen in een andermans land en stad en huls en zal in Israël optreden alsof de Koning niet bestaat en het volk niets te zeggen heeft; Syrië zal alles onder controle nemen en wat aan Israël , 't meest lief is en aan den Koning en het volk.'t meest begeerlijk voorkomt, zal Syrië rooven en zich toeëigenen !
Brutaler kan 't niet!
Dan roept Achab z'n raadslieden bijeen ; er wordt ministerraad gehouden. Achab doet verslag van de boodschap (bevel) van Benhadad en zegt: „Merkt toch op, dat deze het kwade zoekt, want hij had tot mij gezond, en om mijn vrouwen en kinderen, mijn zilver en goud (de Koning keert de volgorde om — natuurlijk, wat hém 't meest waard is, gaat voorop !) en ik heb het hem niet geweigerd. En ziet, nu zijn nieuwe eischen !" (vers 7).
Eenparig adviseeren de raadslieden van de Kroon : niet bewilligen ! Alles heeft toch z'n grenzen. Alle rechten en vrijheden kunnen en mogen toch niet worden prijs gegeven ! En bovendien : als ook dit werd toegestaan, wie gaf eenige zekerheid, dat de eischen dan nog weer niet zwaarder zouden worden gemaakt ? Een hongerige wolf heeft niet spoedig genoeg !
In den geest van den Kroonraad laat Achab zijn tegenstander dan ook weten, dat hij bereid is alles te doen, wat hij eerst beloofd heeft, maar dat daarmede dan ook het uiterste van zijn concessies is bereikt en dat hij niet van plan is verder toe te geven. Waarop Benhadad hem uit de hoogte laat antwoorden : „De goden mogen mij straffen — ik zal mij wreken, en het stof van Samaria zal niet genoeg zijn om de hand te vullen van al het volk, dat mij volgt" (zie vers 10)
Dieper beleediging, grover spot, pijnlijker minachting is haast niet mogelijk. Snoevend op het groote leger, zal hij Samaria maken tot puin, tot stof, dat zóó weinig zal zijn, dat niet eens al z'n soldaten er een handje vol van zullen kunnen meedragen. Samaria zal van den aardbodem verdelgd worden !
Hierop geeft Achab dan zeer ad rem ten antwoord : „Die zich aangordt, beroeme zich niet als die zich losmaakt".
Wij nog beginnen moet, moet niet doen alsof hij 't einde al bereikt heeft. Want. — dat kon wel eens tegenvallen !
Men zou deze geschiedenis in de courant hebben kunnen lezen. Onze dagen zijn vol van deze dingen. De koningen der aarde — de machthebbers der wereld van hu, doen niet anders dan de geweldhebbers van vroeger.
Men zou deze geschiedenis in de courant hebben kunnen lezen.
Maar zij staat in onzen Bijbel!
Neen, de wereldvrede is er nog niet door toedoen van die lieve, goedige, brave menschen, waarop men zoo lang nu gehoopt heeft.
Oorlogvoerende, oorlogzoekende machthebbers en naties zijn er nog. De tractaten zijn er wel. Ontwapeningsconferenties ook. En de volkeren zijn in Bond bijeengebracht. De .Volkenbondsvergaderingen in Geneve zijn er.
Maar de jalouzie, de naijver, de concurrentie, de begeerlijkheid, de zucht naar meer .grondgebied, naar meer macht, is er ook nog.
Ze zitten bij elkaar en vergaderen met elkaar, maar ze loopen ook weg en doen protesten hooren, als men z'n lusten niet kan botvieren. Waarom zou de een wel rooven en de ander niet ? Waarom de een wel koloniën en de ander niet ? Waarom de een wel goud en wel petroleum en wel diamanten, en de ander niet ?
Het rassenvraagstuk is er. De bodemvraag. Het zeevraagstuk. De handelsbelangen.
En in naam van de beschavlng trekt, men, het zwaard, richt men de kanonnen, zendt men de vliegtuigen, en uitvinding na uitvinding wat 't oorlogsmateriaal betreft, geeft voordeelen, waarbij het eene volk met koortsachtige haast tegen het andere volk opbiedt.
Zal Europa zich m den afgrond werpen van den vreeselijiksten oorlog die denkbaar is ? Europa — met heel de wereld geworpen in een poel van ellende ! Gaat Europa zelfmoord plagen ? En zullen anderen komen aanvliegen uit de verte om lijkroof te plegen ? De snoevende geweldhebbers zouden we willen voorleggen 1 Kon. 20 vers 11 : „Die zich aangordt, beroeme zich niet, als die zich los maakt". Die begint, heeft het goed eind nog niet bereikt! Weest voorzichtig.
En boven alle dingen: laat af van het kwade en doe het goede.
„Gerechtigheid verhoogt een volk, maar de zonde is een schandvlek der natie".
Dient den Heere en geniet het goede. Hebt God hef en hebt den naaste lief. Wat Gods ge, bod is op .deze zondige aarde. Daarom zal het bij Hem en bij Hem allèèn gezocht moeten worden.
Land en volk — hoort des Heeren Woord!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 september 1935
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 september 1935
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's