GRETSKE „DE FREULE”
Een levenstragedie
Met toestemming van den Uitgever J. H. Kok, Kampen
Vreemd, wat werd zij moe ! En wat begon alles rondom haar te draaien! Heel de wereld draaide ! En die boomen en die koeien en dat huis en dat volk daar ginder in het hooiland. 't Was alsof alles weg ging en scheef begon te hangen.
Wacht, daar was een hek. Daar wilde zij even rusten. Heel even maar, en dan weer verder. Zóó, dat zat makkelijk. En nu even de oogen dicht. Niet slapen, maar effen rust.
En nog al eens was vrouw Grondsma naar buiten gegaan om uit te kijken, doch altijd te vergeefs. Gretske was in geen velden of wegen te zien. Vreemd; anders was zij nooit zoo laat en Stien meende zóó zeker haar van „Welgelegen" te hebben zien komen. Als zoo'n oud mensch nu eens bij een plank of een hek was neer geraakt en met haar korven in een sloot gevallen ! Daar stond om dezen tijd niet veel water, maar men kon het niet weten. Voor nog zooveel zou zij niet willen dat de stakkerd zoo iets op weg naar „Landlust" overkwam.
Een half uur later ongeveer kwam de postbode met de buitenbestelling op de boerderij aangeloopen en vond Gretske. Half zittend, half liggend. Het hoofd zijwaarts op een der korven. De hand slap langs het ranke lijf. 't Zilveren oorijzertje ingedeukt.
„Gretske !" — riep hij. „Gretske !"
Toen als uit een zwaren slaap werd zij wakker. Vreemd keken de oude oogen in het rond. „Waar ben ik ? " vroeg zij.
„Dicht bij „Landlust". boerderij. Ben je ziek ? " Kijk daar heb je de
„Wat blief ? "
„Of je ziek bent. Toe, kom eens overeind".
Zonder iets te zeggen trachtte zij zich op te richten, maar 't ging moeilijk. 't Draaide nog zoo. Weer zakte de gebogen gestalte ineen en opnieuw sloten zich de oogen. Arme Gretske !
Met armgezwaai wist hij eindelijk het landvolk te beduiden dat er hulp komen moest. „Wat wil die oude Post ? " — riep Theun van af den hoog opgeladen hooiwagen. Aanstonds waren aller oogen in die richting en aanstonds begreep men dat er iets haperde, 't Kwam slecht van pas, want er kon eigenlijk geen man .gemist, maar er scheen onraad te zijn. Boer Grondsma zou zelf maar even zien wat er gaande was. Met een aanloopje over een sloot, scheef over de akkers, was hij al spoedig op de plaats waar hij geroepen werd.
En daar lag de oude sloof met hijgende borst, de oogen in het kier.
„Dat lijkt niet best; hier moet een dokter komen", — zei hij. „En zij moet hier weg uit de brandende zon".
Waarheen ? Ja, waar moest men nu met haar heen ? „Landlust" was het dichtst bij, maar dat ging niet. Wel voor zoo even, maar men wist was er gebeuren kon. Gretske was een oude vrouw en hoorde op Lombok, en hij bedoelde er niets geen verkeerds mee, maar daar was haar plaats.
Met een weinig water uit de sloot werden haar slapen gebet en de polsen nat gemaakt. Dat verfrischte wel een weinig, maar het genas niet. Even kwamen de oogen weer open, doch vielen ook aanstonds weer dicht.
„Dat wordt wat" — zei de Post. „Wij kunnen haar hier toch niet laten liggen. Gretske is ook een mensch.
Ja, dat was zij, en de slechtste ook nog niet. Het trof wel vreeselijk slecht, maar of de bode hier zoo lang wilde blijven, tot de boer terugkwam met paard en wagen, 't Beste zou wezen, haar daarop te leggen en dan voorzichtig naar huis te rijden. Dokter kon dan ook aanstonds ontboden worden ; misschien dat zij ook wel weer bijkwam en het zoo afliep.
Intusschen had het al de aandacht van meerderen getrokken, dat er iets bijzonders voorviel. Stien was de eerste, die het merkte, en de vrouw riep om te zeggen, dat de boer bij het volk was weggeroepen en nu op een draf kwam aanloopen.
„Is er ongemak? " vroeg zij. „Ja, Gretske ligt daarginds in onmacht!" „Och heden, die stumperd !" zoo juist had men het nog over haar gehad. „Hoe moet dat nu ? "
„'t Beste is maar even op een wagen. Die brik kon ook wel en dat stond wel zoo aardig, maar op een hooiwagen kon men haar beter rechtuit leggen. Als de boerin een kussen missen kon ? "
Toen moest Stien spoedig van Theun zijn bed een kussen halen en ook een deken mee menen. Hooi was er genoeg in het land. Wacht, daar een laken overheen. Gretske was ook elk niet. Zoo ging men met elkander naar de plaats des onheils. Vrouw Grondsma had in de gauwigheid nog een fleschje eau de cologne bij zich gestoken.
Daar lag zij, nog altijd buiten kennis. Vlug knielden de vrouwen bij haar neer en beurden 't hoofd een weinig op. Toen op een zakdoek wat reukwater om daarmede te verfrlsschen. Weer openden zich langzaam de oogen. Van den een keek de kranke naar den ander, tot zij scheen te begrijpen.
„Hoe kwam dat zoo, Gretske ; werd je plotseling ongesteld ? " vroeg de boerin.
Maar weer geen antwoord.
„Zij moet hier weg, menschen, en ook dadelijk" — sprak Grondsma. Daarop werd de wagen bijgereden en tilden eenige handen haar op. Daar lag zij weer, nu op het inderhaast gespreide bed, het hoofd op een kussen van Theun. En Gretske liet alles begaan.
Zelfs nam zij d'r geen nota van dat men de korven en het juk een plaats gaf naast haar op den wagen. Nu moest Albert, de arbeider, haar maar even naar Lombok brengen, omdat hij het best gemist kon worden. Stapvoets ging 't daarop de landen uit, hortend en stootend, vooral wanneer het door een greppel moest, maar Gretske had er geen last van. Omdat zij zoo moe was en nu immers rusten kon. En Grondsma had nog nageroepen : „Vooral maar langzaam rijden en dan dadelijk uit mijn naam den dokter laten komen". — Toen de grintweg bereikt was, ging het gemakkelijker. Nog een kwartiertje, dan was de reis afgelegd.
Intusschen was het op „Landbuurt" een en al beweging. Geen mensch was binnendeur, maar allen hokten in de schaduw der woonwagens bijeen, waar een paar dekkleeden gespannen waren om de zonnestralen af te keeren. De mannen rookten of sliepen, of waren bezig met els en pikdraad een schoen of wat leerwerk te repareeren. Vrouwen, even haveloos gekleed als de rest, gaven hunnen kleinen de borst of kamden het haar ol herstelden eenig kleedingstuk. Tal van kinderen, groepeerden zich daaromheen, nu eens spelend, dan weer twistend, tot de een of andere vader of moeder een einde aan de herrie maakte, soms, door 't uitdeelen van gevoelige klappen of stooten. Natuurlijk waren Ka en Trui en de Scheele ook van de partij, om te luisteren naar de wonderbaarlijke reisverhalen van 't gezelschap dat overal en nergens thuis was. Alleen de Goudvink en de Bultenaar ontbraken. Want terwijl daar buiten dat drukke gesprek plaats had en allen oor waren om te luisteren naar hetgeen werd opgedischt, werd door dat tweetal de zoogenaamde Inspectie gehouden in het kamertje van Gretske. Door het uitbreken van een paar planken was het betrekkelijk gemakkelijk van den eenen zolder op den anderen te komen.
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 september 1935
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 september 1935
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's