MEDITATIE
EEN VURIGE BEDE OM DE OPENBARING GODS.
Och, dat Gij de hemelen scheurdet, dat Gij nederkwaamt! Jesaja 64 vers la.
Onze tekst sluit onmiddellijk aan bij het voorafgaande hoofdstuk. De 'klachten, die Gods Kerk daar in haar verlatenheid slaakt, vereenigen zich in de hartstochtelijke bede : Och, 'dat Gij de hemelen scheurdet!
Hebt gij u wel eens verlaten gevoeld van God ?
Niet ieder verstaat deze vraag. Velen beroepen zich op de waarheid, dat God overal is, en hebben daaraan genoeg. Nu is het ongetwijfeld waar, dat God overal is, maar kunt gij Hem overal vinden ?
Als gij een Godzoekende ziel vraagt, waar 'haar God is, zal zij zeker antwoorden : zeg het mij, want ik zoek Hem en ik vind Hem niet; ik breid mijn handen tot Hem uit, 'maar Hij is er niet.
Dwaasheid is het, zulk een ziel te wijzen op de schepping, die een werk van 'Gods handen is en waarin elk stuk spreekt van zijn Maker. Zwijg maar stil, zal zij zeggen, dat weet ik ook wel, maar ik vraag niet naar het werk des Almachtigen, maar naar Hem zélf, de God mijner ziel, dat Hij zich tot mij neerbuige en dat ik Hem omhelzen moge, dat Hij zelf tot mij zegge : Ik, God, ben uw God.
Misschien wilt gij haar nog wijzen op het Woord en op de prediking des Woords, waarin God zich zelf openbaart. Maar denkt gij, dat een Godzoekende ziel aan dezen weg vreemd is ? Weet gij niet, met welk een zuchtingen zulk een mensch opgaat onder de prediking, hoe zulk een bij dag en bij nacht het Woord onderzoekt, of zij Hem vinden mocht, dien zij. niet missen kan en nochtans is het duisternis?
Waar eenmaal het Godsgemis wakker is geworden, daar is geen rust, voordat m.en Hem heeft weergevonden, die men door de zonde verloren heeft. Zooals het lichaam niet kan zijn zonder spijze en drank, zoo kan het nieuwe schepsel niét zijn zonder God. Als de Geest des Heeren een mensch heeft aangeroerd, keert hij zich af van het schepsel, en keert hij zich tot God, die alleen den eeuwigheidshonger en dorst vervullen kan. Gelijk het hijgend hert schreeuwt naar de waterstroomen, zoo, schreeuwt mijn ziel tot u, o God. Mijn ziel dorst haar God, naar den levenden God !
Al werden ook al de schepen der wereld tot zinken gebracht, de oceaan zou daarvan niet vol worden. Al werd aan een God zoekende ziel heel de wereld en haar heerlijkheid gegeven, zij zou daarmede niet verzadigd zijn. Het hart van zulk een mensch kent zulk een wijd, diep verlangen, dat alleen God zelf dit vervullen kan. Wonder begeeren. Hem te willen omvangen, dien de hemel der hemelen niet opvangen kan.
Verklaarbaar wordt, hierdoor de bitterheid der klacht, als dit verlangen niet wordt vervuld. Integendeel God steeds, meer van verre schijnt te wijken, zich onttrekt en verbergt. Dan breekt het verlangen uit in dé verzuchting van onzen tekst, een verzuchting, waarin heel de ziel zich uitstort voor God.
Hier wordt niet gevraagd, dat de hemelen zich mogen ontsluiten, dat de donkere wolken mogen wijken, maar vol van hartstocht klinkt het: Och, dat Gij de hemelen scheurdet, dat Gij nederkwaamt!
Zooals het verlangen naar God vol van hartstocht is, zoo verlangt de God zoekende ziel een openbaring Gods vd van hartstocht, waarbij God zich haast tot haar hulp, waarbij Hij de donkere wolken niet echt uiteenschuift, maar ze in één ruk uiteenscheurt om plots in wondere liefdevreugde het haart toe te roepen : zie, hier ben ik, hier ben Ik.
Mag zij zulk een openbaring verwachten ? Moet het besef van haar zonde en schuld haar niet matigen in haar begeerte ?
Een ziel, die waarlijk uit de verlatenheid, schreeuwt naar Gods zal op dergelijke vraag vaak geen antwoord kunnen geven, doch haar verlangen naar God zal daardoor niet versterven, maar veeleer versterkt worden, want juist daarom, wijl zij schuldig staat voor God, heeft zij Hem des te meer noodig en uit de diepte schreeuwt haar ziel naar God en naar zulk een openbaring Gods, waardoor de klove, die haar scheidt van God, wordt weggenomen en God tot haar zegt: Gij zijt Mijne !
Somber en donker is de toestand van Gods Kerk onder de oude bedeeling, als deze hartstochtelijke verzuchting uit haar gemoed geperst wordt.
Gods oordeelen zijn over haar ; God is uit haar midden geweken. Weggevoerd is Israël uit zijn land, de erve, van God ontvangen; verwoest is Jeruzalem, verbrand des Heeren huis. Wij zijn geworden, als die over welke Gij van ouds niet hebt geheerscht en die naar Uw naam niet zijn genoemd.
Zwaar heeft deze verlatenheid de God zoekende zielen gedrukt en bovenal werd het hen bang te moede, wijl het scheen, alsof een oordeel der verharding over Israël was gekomen. Te midden van de oordeelen ontbrak het aan vernedering en verootmoediging. Heere waarom verstokt Gij ons hart, dat wij U niet vreezen ? Waarom doet Gij ons van Uwe wegen dwalen ?
Dit alles werkt mede, dat het Godsgemis steeds zwaarder drukt en het verlangen naar God en zijn openbaring al sterker uitgaat. De verzuchting : Och, dat Gij des hemelen scheurdet, dat Gij nederkwaamt!, is door heel Gods Kerk van de oude bedeeling opgezonden naar boven. Want waar de Geest heeft levend gemaakt, daar roept dat leven tot God en om God. Maar af en toe heeft God zijn Kerk zoo geleid, dat het haar zeer bange was en ernstiger en heftiger klom dan deze bede op tot den hemel.
Zeker, God heeft zich niet onbetuigd gelaten en vele malen en op velerlei wijze tot de vaderen gesproken door de profeten. Maar in den grond der zaak is dit Gods Kerk niet genoeg geweest. Ook in de ceremoniën in den tabernakel en tempel heeft zij niet kunnen rusten. Naar hooger openbaring ging het hart uit. Naar God zelf dorstte de ziel. Geen rust, geen bevrediging kon er zijn tenzij God van den hemel neerkwam en het Immanuel kon worden uitgeroepen.
In deze verzuchting : "Och, dat Gij den hemelen scheurdet, dat Gij nederkwaamt die door heel Gods Kerk is gegaan, beluisteren wij het zuchten des Geestes in haar midden en daarom kon ook de vervulling niet uitblijven. God heeft de heemelen gescheurd en is nedergekomen, nedergedaalt in grooter heerlijkheid dan eertijds, toen Hij op Sinaï aan Israël verscheen. God kwam neer in den Zoon Zijner eeuwige liefde en Hem omhelzende in geloof en liefde, riep Zijn Kerk uit: Het Woord is vleesch geworden en heeft onder ons gewoond en wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid van den Eengeborene des Vaders, vol van genade en waarheid.
Lang en bang was de verzuchting, maar onuitsprekelijk de blijdschap der vervulling. Nu is het genoeg, nu laat Gij, Heere, uw dienstknecht gaan in vrede naar Uw woord, want mijne oogen hebben Uwe zaligheid gezien.
Het leven van Gods Kerk onder de nieuwe bedeeling is in den grond, der zaak aan dat van de oude bedeeling gelijk. Haar leven is een zuchten naar God, een zuchten, naar de volle openbaring Zijner heerlijkheid.
Ja, Hij is nedergekomen, de HEERE, en Hij heeft ons den Vader getoond, dien niemand kent dan de Zoon en dien het de Zoon wil openbaren, maar daarna is Hij toch weer heengegaan en al gaf Hij de belofte : Ik zal u geen weezen laten, niettemin is Zijn Kerk hier uitwonende van den Heere. Wel kwam de Geest, gezonden van Vader en Zoon, om beide te vertegenwoordigen en hun beloften vast te maken, beloften, die spraken van een volkomen verlossing en heerlijkheid, maar deze zelfde Geest, die hen in deze beloften doet rusten, verwekt in hunne harten dat heimwee naar het nieuwe vaderland, waardoor zij hier als vreemdelingen aan niets zich recht verbonden kunnen gevoelen.
Het gansche schepsel zucht; want hét verwacht de openbaring der kinderen Gods. Hoeveel te meer zuchten zij, die de eerstelingen des Geestes hebben, verwachtende de aanneming tot kinderen in de verlossing des lichaams.
De zucht, met welke de Schrift eindigt: Kom, Heere Jezus, ja kom haastiglyk, is de zucht, die door heel de Kerk des nieuwen verbonds gaat, nu eens zwak, dan weer sterker. Donkere, moeilijke tijden doet God vaak voor Zijn Kerk aanbreken, opdat .deze zucht niet verstérve, maar tot een groote vlam uitsla. Dan gaat de stille verzuchting vaak weer over in de hartstochtelijke bede : Och, dat Gij de hemelen scheurdet, dat Gij nederkwaamt!
Soms bereidt God zijn Kerk lafenis, als een bizondere doorbraak des Geestes haar komt verkwikken als in de dagen der hervorming. Het is echter slechts een voorbijgaande , verkwikking, het is niet de eindelijke verlossing. Naar de wederkomst des Heeren gaat het verlangen der Kerk en het getuigt van haar wereldgelijikvormigheid, als dit verlangen zwak is en de aarde haar meer bekoort dan de hemelsche heerlijkheid. Zal de Kerk der oude bedeeling ons beschaamd maken, omdat het verlangen naar de volle openbaring der genade in haar sterker is geweest dan bij ons, die zooveel meerder licht hebben ontvangen ?
Ons tekstwoord heeft universeele beteekenis. Het zuchten, waarvan hier wordt gesproken is het zuchten van den Heiligen Geest, die van God is uitgegaan en tot God wederkeert. Gij vindt het in den gebrokene van hart, die tot God schreeuwt om genade, gelijk het pas geboren kind schreit naar de moeder. Gy vindt het in den geloovige, die naar een meerdere openbaring van Gods genade uitziet, zoowel als in het kind van God, dat verlangt naar de rust, die er overblijft voor het volk van God. Gij vindt het in heel Gods Kerk van het begin tot het einde der wereld, verlangend naar de volle openbaring van 's Heeren genade of heerlijkheid. Gelijk het water hoog op de bergen, waar het ontspringt, geen rust heeft, voordat het in den oceaan is gevloeid, zoo hebben de wateren des Geestes, ontsprongen in Gods Kerk, geen rust, voordat zij heel die Kerk teruggevoerd hebben aan het Vaderharte Gods in de eeuwige heerlijkheid.
Kent gij deze drang des Geestes in uw eigen hart, waardoor gij de rust in 'deze wereld verloren hebt en gij rusteloos hijgt naar Gods gemeenschap, wijl uw ziel geen ruste meer vindt, zoo zij niet rust in God ?
Kent gij dat hartstochtelijke verlangen naar de volle openbaring van Gods genade in den Immanuel ?
Kent gij den strijd des geloofs en de verzuchting daaruit immer geboren om eenmaal de wapenrusting te mogen afleggen en den Heere in heerlijkheid te mogen zien ?
Wie geen deel heeft aan het zuchten des Geestes in Gods Kerk, behoort niet tot haar en zal daarom ook de verhooring van deze bede nlmmer verkrijgen.
O. a/d IJ
Woelderink
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 september 1935
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 september 1935
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's