De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

DE RECHTVAARDIGMAKING

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

DE RECHTVAARDIGMAKING

11 minuten leestijd

Het geschil tusschen ons en de voorstanders eener z.g. bewuste rechtvaardigmaking (Ik plaats hier het woord zoogenaamd bij, omdat de uitdrukking niet volkomen juist is en wij niet een onbewust geloof prediken, waardoor wij gerechtvaardigd worden) is in hoofdzaak gelegen in de leer van het geloof.
Eerst in het oogenblik, waarin de mensch van God klaar de gerechtigheid van Christus zich ziet toegewezen en deze door het geloof omhelst, waardoor de vrede met God in zijn hart wordt uitgestort, wordt het geloof geboren. Tevoren was de mensch dood in zonden en misdaden. Geen zuchtje van leven was er in hem. Maar in dat oogenblik wordt hij levendgemaakt, want dan komt hij tot het geloof.
Het geloof wordt hier dus geboren als de brand, die ontstaat door het inslaan van den bliksem. Er is niet eerst een vonkje, dat langzaam aangloeit en al meer om zich heengrijpt, totdat eindelijk de vlammen naar alle kanten uitslaan. Neen, plots in één oogenblik slaat de bliksem des Geestes in en in datzelfde oogenblik staat het geloof in volle kracht voor u, zooals menigmaal gezien wordt bij een blikseminslag, dat enkele seconden daarna het huis, dat getroffen werd, aan alle kanten in brand staat.
De dageraad der genade breekt niet langzaam door. Geen schemering gaat aan den dag vooraf. Plotseling wordt de donkere duisternis doorbroken en staat de zonne der gerechtigheid in vollen glans aan den hemel. Eigenlijk voldoet dit beeld niet. Zoo plotseling als hier de duisternis door het licht wordt verdreven, geschiedt het nimmer hij eenige zonsopgang. Ook hier. past eigenlijk alleen het beeld van den bliksem, die gansch onverwacht in één oogenblik door het duistere zwerk schiet en alles verlicht met een zoó fel licht, dat wij soms even de oogen moeten sluiten.
Tegen de gedachte, dat God zich bijwijlen plotseling openbaart en gansch onverwacht Zijn licht in de duisternis uitzendt, gaat ons bezwaar niet, maar wel tegen deze voorstelling van de geboorte des geloofs. Die is zoowel met de Schrift in strijd als met de wijze, waarop onze belijdenisgeschriften en de hervormers ons het wezen des geloofs teekenen.
Als de Heiland ons den ingang van Gods Woord in een menschenhart teekent, doet Hij dat telkens door het Woord Gods te vergelijken met het zaad, dat in den akker wordt geworpen en daar ontkiemt, opschiet en vruchten voortbrengt. Niet in één oogenblik wast uit de zaadkorrel een nieuwe plant op. Zeer langzaam, eerst verborgen voor ieders oog, dan meer zichtbaar groeit de nieuwe plant op, de landman weet zelf niet hoe. Deze gelijkenis is niet op haar plaats, als het nieuwe leven in den mensch in hem geboren wordt, als de brand, die door den inslaanden bliksem wordt verwekt.
Wie het werkje van ds. Van Schuppen gelezen heeft, zal bemerkt hebben, dat de voorstelling van de geboorte des geloofs hier niet aan de Schrift ontleend is, maar aan de bevinding van hen, die tot de z.g.n. bewuste, rechtvaardigmaking kwamen. Geen enkele poging van beteekenis wordt gedaan om uit de Schrift deze voorstelling van de geboorte des geloofs te staven. Het eenige scheef getrokken toewijs is eigenlijk, dat volgens de Schrift en de belijdenis de rechtvaardigmaking aan de heiligmaking voorafgaat en op eigenaardige rationalistische wijze wordt daaruit de conclusie getrokken, dat het geloof, dat Immers mede tot de heiligmaking behoort, eerst geboren wordt in dat oogenblik, waarin de mensch klaar gerechtvaardigd wordt.
Al wat de Schrift ons mededeelt van het werk der genade in een menschenhart, is met deze voorstelling in strijd. Ik zou hier kunnen wijzen op de discipelen, die van den aanvang aan met hun gansche hart Jezus hebben aangehangen en die toch niet van den aanvang aan een gezicht hebben gehad in het werk der verzoening, dat Hij tot een fundament des geloofs kwam leggen. Zonder licht zijn zij niet geweest en evenmin zonder geloof, want anders hadden zij Hem niet kunnen belijden de Christus te zijn, de Zoon des levenden Gods, maar als de Zonne der gerechtigheid, in vollen glans aan den hemel prijkende, den volkomen Borg en Middelaar, hebben zij Hem eerst langzamerhand leeren kennen, naardat hen het licht hierover opging.
Echter wil ik liever. wijzen op Cornelius, de hoofdman, die door de prediking van Petrus tot het geloof komt, wijl zijn toebrenging valt na de uitstorting des Heiligen Geestes en men dit voorbeeld dus niet op zij kan schuiven met de dwaze opmerking, dat wij onder een andere bedeeling leven dan de discipelen, in wier tijd het werk der verlossing nog niet volbracht was.
Van dezen Cornelius nu lezen wij, dat een engel tot hem inkwam en tot hem zeide : uw gebeden en aalmoezen zijn tot een gedachtenis opgeklommen tot God. Ofschoon deze man Christus nog niet kende en nog niet in Hem geloofde, wordt nochtans gezegd, dat God een welbehagen heeft gehad in zijn gebeden en aalmoezen. Volgens de voorstelling van de aanhangers eener bewuste rechtvaardiging was deze man toen nog niet bewust gerechtvaardigd, bezat hij dus ook nog geen geloof, zelfs geen beginseltje daarvan, en was hij zoo dood als een pier. Daarmede beweren zij dus, ook al ontkennen zij niet allerlei voorbereidende werkzaamheden als overtuiging van zonde, enz., dat de gebeden van dezen man evenals alle voorbereidende werkzaamheden, in zich zelf dood zijn en — dat volgt uit wat de Schrift mededeelt — dat God een welgevallen heeft gehad in doode en stinkende vruchten, die op den doodenakker van den gevallen mensch worden gevonden. Het is een Schriftverkrachting van de ergste soort.
Met bepaalde bedoeling namen wij dit voorbeeld. Wij hadden ook kunnen wijzen op het woord van David : De offeranden Gods zijn een gebroken geest; een gebroken en verslagen hart zult Gij, o God, niet verachten. Wie evenwel kennis genomen heeft van de wijze, waarop deze strijd gestreden wordt, weet, dat hem bij dit woord voor de voeten wordt geworpen, dat hier gezien wordt op de droefheid over de zonde in het hart van een gerechtvaardigde, niet op die in het hart van een, die berouwvol wederkeert van den weg der zonde tot God. Vóór de rechtvaardiging is de droefheid over de zonde een dood iets, een soort poging van het goddelooze eigen ik om God te bewegen hem te sparen. Dus als de Heiland ons den verloren zoon teekent, berouwvol wederkeerend tot zijn vader, en die vader ziet hem met welgevallen aan In dit hartelijk berouw, dan is dat berouw en die droefheid nochtans dood, een doode vrucht uit het doode menschenhart ? Het teekent de schamelheid van de verdedigers eener nieuwe waarheid, dat een hunner bij deze vraag antwoordde : mogelijk is de verloren zoon al een gerechtvaardigde geweest, die terugkwam van een dwaling zijns wegs.
Juist daarom nam ik het voorbeeld van Cornelius, omdat dit voorbeeld zeer klaar doet zien, dat Cornelius godvreezend was, voordat het oogenblik In zijn leven kwam, waarop hij Christus In zijn Middelaarsheerlijkheid zag en Hem als zijn Heiland en Zaligmaker omhelsde. Tenzij dat men moet aannemen, dat ook de Schrift niet geheel te vertrouwen is en niet letterlijk moet genomen worden, als zij van dezen man zegt, dat hij godzalig was en godvreezende. Want dat deze uitdrukkingen hem niet als een proseliet naar den vorm, maar naar het hart teekenen, blijkt uit de mededeeling van den engel.
Niet anders is het volgens deze beschouwing met Paulus gelegen. Als hij, op den weg naar Damascus nedergeworpen, uit een verbrijzeld gemoed roept: Heere, wat wilt Gij, dat ik doen zal, is hij nog niet gerechtvaardigd en is deze bede dus een dood gebed. Maar hoe kan de Heere dan met welgevallen tot Ananias van dezen gebroken man, die dag en nacht worstelt met God, zeggen: Zie, hij bidt ? Op deze vraag Is geen ander antwoord, dan hetwelk wij vroeger reeds gaven. Men is zoo overtuigd van de juistheid van eigen inzicht, dat de Schrift alleen dient om dit eigen inzicht te staven en voorzoover de Schrift daarmede in strijd is, zet men haar op zij of verwringt haar uitspraken.
Duidelijk blijkt dat b.v. uit de stelling van een der aanhangers van deze leer, dat n.l. in de droefheid over de zonde, zooals die vóór de rechtvaardiging bij een verslagen zondaar gevonden wordt, geen liefde tot God schuilt. Dit wordt bewezen met de opmerking, dat anders de heiligmaking aan de rechtvaardigmaking zou voorafgaan.
Het Intellectualistische karakter van een dergelijke bewijsvoering laat ik daar; ik wil nu alleen opmerken, dat dit In strijd is met Schrift en bevinding beide. Ja, de angst en de benauwdheid komen niet uit de liefde op. Maar daarom is de verslagenheid van een Saul en Judas ook zoo gansch verscheiden van. die van den verloren zoon. Want in den laatste, gelijk in alle waarachtige bekeering, is de angst en de benauwdheid gemengd met een ware en innige droefheid, die Judas en Saul niet kennen. De Catechismus noemt daarom dit hartelijke leedwezen, dat wij God door onze zonden vertoornd hebben, de afsterving van den ouden mensch.
Wanneer wij dit verschil tusschen angst en benauwdheid eenerzijds, en hartelijke droefheid anderzijds, dat de Schrift juist geeft als kenmerk van een zaligmakende ontdekking aan zonde, goed in het oog houden, zal het tevens duidelijk worden, dat beide uit verschillende bron ontspringen. De angst en de benauwdheid komen voort uit de erkenning van het oordeel Gods, en ik ontken volstrekt niet, dat deze ook bij een zaligmakende ontdekking tot zeer groote hoogte kunnen stijgen, maar de droefheid kan enkel verklaard worden uit de liefde. Er is zelfs geen andere verklaring mogelijk, ook al beweer ik niet, dat een verslagene van geest zich immer van deze liefde bewust is.
Of meent gij, dat de verloren zoon, toen hij besloot tot zijn vader terug te keeren, zijn vader niet in een zeer beminnenswaardige gestalte voor zich heeft gezien ? Toen hij het ouderlijk huis verliet, toen was zijn vader de oude, die zijn vrijheid knotte ; in vergelijking met het leven, dat ginds in de verte lokte, was het leven bij zijn vader saai en vervelend, maar als zijn oogen zijn open gegaan, ziet hij de dingen gansch anders. Welk een onrecht heeft hij zijn vader aangedaan ! Welk een liefde was er in dien vader, en hoe heeft hij die liefde miskend ! Gansch beminnenswaardig wordt hem deze man thans ! Hoe gaarne zou hij weer in zijn huis worden opgenomen, al was het maar als een huurling ! Meent gij waarlijk, dat dat bestaanbaar is zonder gevoelens van liefde en toegenegenheid ?
Laat trouwens ieder kind van God, die te midden van zijn angst voor de eeuwige rampzaligheid en van zijn benauwdheid vanwege den toorn van God, in zijn conscientie geopenbaard, die oogenblikken gekend heeft, waarin hij hartelijk bedroefd mocht wezen over de zonde, maar bekennen, of die oogenblikken van innige droefheid niet als oasen waren in de woestijn ? Hoe kwam het, dat het u zoo goed was, als gij hartelijk uw zonden mocht beweenen ? Laat ik het u zeggen, want gij durft het misschien zelf niet uit te spreken. Het kwam, omdat liefde zich mengde met uw tranen, omdat een blik op Gods liefde en goedheid, al was het maar uit de verte, uw hart vermurwde.
O, wonder van genade, terwijl men niet durft gelooven en van vreeze van verre staat, gelooft men reeds ; terwijl men niet durft lief te hebben een God, in wiens dienst te staan men niet meer waardig is, getuigen de tranen van hartelijk berouw, hoe het hart weer in liefde ontstoken is.
Geloof en liefde, die beide, die zoo onafscheidelijk verbonden zijn, zijn reeds opgewaakt, zijn reeds wassende, lang voordat het oogenblik van de bewuste rechtvaardiging gekomen is. Hoe beminnenswaardig komt Jezus de gebrokene van hart voor, soms reeds lang voordat zij Hem mag en durft omhelzen, als haar Heiland en Heere. Zou zij zulk een Heiland beminnenswaardig en begeerenswaardig kunnen achten. Hem kunnen zoeken en naloopen, of Hij zich tot haar mocht wenden, zooals de Kananeesche vrouw, zonder dat er geloof en liefde in het hart wonen ? Als het niet van een innerlijke tegenstrijdigheid sprak, zou het nog in strijd zijn met Jezus' woord tot die vrouw : Vrouw, groot is uw geloof, zijn om
zoo iets te beweren.
Maar wij hopen een volgend keer uit de belijdenis en uit de institutie van Calvijn te laten zien, hoe de Kerk der reformatie van een dergelijke leer des geloofs, als bij de aanhangers van een z.g.n. bewuste rechtvaardigmaking wordt gevonden, niets heeft geweten.

O. a/d IJ.
Woelderink

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 september 1935

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

DE RECHTVAARDIGMAKING

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 september 1935

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's