De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

GRETSKE „DE FREULE"

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

GRETSKE „DE FREULE"

Een levenstragedie

6 minuten leestijd

Met toestemming van den Uitgever J. H. Kok, Kampen
Toen een luik geopend, en binnen enkele minuten stond de Goudvink in het kamertje van Gretske. Een oogenblik stond hij stil. Wat was het hier kraak zindelijk. „Piet! Piet !" — riep de kanarie en vloog verschrikt over deze vreemde verschijning, tegen de tralies zijner gevangenis, zoodat de veertjes van zijn teere lijfje over de tafel zweefden. Vijf langzame slagen van de huisklok schenen hem dreigend in de ooren te klinken, 't Was alsof alles hem hier waarschuwend aankeek, dat kastje, waaraan hij zoo meteen zijn schendende hand zou willen slaan, de spiegel, welke zijn boeventronie weerkaatste, de stoel wachtend op de komst van haar die hier gewoonlijk de eerste rust na vermoeienden tocht ging zoeken ; tot zelfs die beeltenis daar op den muur van dien man met een schaapje op een schouder. Hé, wat stond daar onder.
„Gelijk een schaap heb ik gedwaald in 't rond Dat onbedacht zijn herder heeft verloren".
Waarom stond hij daar zoo roerloos stil, al maar turend op die woorden ? Wat was het, dat hem als vast nagelde op zijne plaats ? En waarom greep hij nu niet toe, nu hij zoo dicht dacht te zijn bij hetgeen hij zocht? „Toe nu Goudvink, pak nu toch aan ! De oogenblikken zijn kostbaar en de gelegenheid is eenig !"
En nog eenmaal dwaalden zijn oogen door het kleine, maar gezellige vertrek, en weer bleven zij rusten op die voorstelling van het verdoolde schaap, door den herder met gevaar van eigen leven gezocht en gevonden, en toen gebeurde er iets bijzonders. Zoo behendig hij 't kamertje was binnen gekomen, zoo vlug wipte hij het ook weer uit, om langs den zelfden weg welken hij kwam, ook weer te verdwijnen. Het luik laten zakken, de uitgebroken planken voorzichtig weer voor de opening plaatsen, van den eenen zolder overgaan op den ander, 't was het werk van slechts enkele minuten en weldra stond hij weer naast zijn wachtenden kameraad
„En ? " vroeg de Bultenaar, meteen begeerige oogen werpend op de handen en de zakken van den inbreker.
„Ik kan niet", was het korte antwoord.
„Wat ? niet kunnen ? En je bent er toch geweest ; 'k heb het wel gehoord aan den afstand van het geluid en gezien dat je door het zolderluik van Gretske naar beneden ging".
„Toch geen zaken gedaan ; 'k zou eerder de brandkast van den dokter of van wien ook kunnen leeg halen, dan mijn handen slaan aan het goed van Gretske. Ik durf niet, waarlijk, ik durf niet!"
„Onzin. Wordt nu maar niet zoo sentimenteel, kameraad ; dat ben je anders ook niet. Zit er niet wat in je buis ? "
Meteen trachtte de Bultenaar er zich van te overtuigen of de Goudvink niet iets in zijn zakken verborgen hield en tastte in die richting.
„Denk je dat ik lieg ? Maar ga dan zelf je van de waarheid overtuigen en onderzoek of ik ergens mijn handen heb aangeslagen. Wat ik ook doe, maar niemand zal ooit kunnen zeggen dat ik een arm mensch, die daarbij nog hard werkt en nooit iemand kwaad doet, .bestolen heb. Daar is de freule mij te goed voor "
„En als ik het dan ga doen ? "
„Je gaat het even zoo min doen als ik. Wat 't is, weet ik niet, maar een onzichtbare macht zal je eveneens beletten te doen wat een kleinigheid lijkt. Afblijven is daar het consigne".
„Ik waag het er op".
„Als je maar begrijpt, dat ik niet meer van de partij ben", sprak de Goudvink op gedempten toon, en ging naar buiten om zich daar bij de anderen te voegen. Toen klauterde de Bultenaar naar boven met in zijn oog iets van dat onheilig vuur, hetwelk de zondige begeerte daar binnen verraadt bij elk die haar dient, doch om niet aan zijn voornemen uitvoering te geven, omdat omstandigheden buiten hem dit onmogelijk maakten
Plotseling veranderde het tooneel op „Landbuurt". De luide gesprekken, afgewisseld met schaterend gelach werden afgebroken; de hoofden werden bij elkaar gestoken, sommigen deden eenige schreden vooruit om te zien wat er nu gebeuren zou. Want daar kwam Albert van boer Grondsma aanrijden met iets op den wagen dat zoowel de bevreemding als de nieuwsgierigheid wekte. Wat lag daar onder dien deken verborgen? 't Leek wel een bed. En dan, hoe kwamen die korven van Gretske daar ? In een oogwenk was de arbeider omringd van een bont gezelschap, dat hem verwonderd aankeek.
„Boodschap doen ? " vroeg een gebruinde type met vreemd accent.
„Zal je wat hooi voor onze paardjes brengen ? " liet de spullebaas er op volgen, en stak meteen zijn hand uit om al vast wat naar zich toe te halen.
„Ho, Bruine", riep Albert met forsche stem, en toen verder : „Waar woont oude Gretske hier ? " Dus dit bezoek gold haar.
„Kam maar mee", haastten Ka en Trui te zeggen, en liepen op het hardst om het eerst bij de woning te komen. Stapvoets werd nog eenige schreden verder gereden en toen opnieuw stil gehouden.
„Wie van jullie loopt even naar den dokter om te zeggen dat hij aanstonds hier komt bij Gretske en ook naar den armmeester om de deur te openen ? "
„Ligt Gretske dan onder dien deken ? "
„Ja, zij heeft te veel van de warmte gekregen. Kom, wie haalt even hulp ? "
Maar daar was nu eigenlijk niemand op gesteld, 't Was zoo warm, en de dokter woonde wel een kwartier af, en de armmeester nóg verder. Liever gluurde men even onder het dek, om te zien hoe het met Gretske leek. Ja, daar lag zij, met gesloten oogen en hijgende borst. „Och, die stakkerd ! Wat leek zij vreemd. En waar was haar oorijzertje. En wat had zij mooie spullen in de korven ! Kijk, wat een mooi  „Afblijven !" riep Albert. „Nu, is er niet een, die even helpen wil ? " — „Ik zal wel", sprak de Goudvink, die ondertusschen naderbij gekomen was, en de daad bij het woord voegende, liep hij, zoo haastig zijn beenen dit toestonden, de straat uit, om het elk die het hooren wilde te vertellen, dat er een ongeluk had plaats gehad en Gretske de freule op een hooiwagen van Grondsma was thuis gebracht.
Met een harden ruk werd bij den dokter aan de bel getrokken, zoodat Martha van schrik de waschkom vallen liet boven het aanrecht en het zeepsop bij alles neerliep. Hé, zulk onbeschaamd volk, was dat ook 'n mensch doen schrikken ? Nu maar wachten hoor, tot zij alles weer netjes had afgedroogd. En weer ging de bel, en nóg eens, tot Martha eindelijk open deed.
Wat een dievengezicht! „Of de dokter dadelijk bij de freule, hij bedoelde bij Gretske, op Lombok, — neen, op „Landlust" komen kon; d'r was haast bij".
D'r was altijd haast bij, als men de menschen hoorde en het armste volk had gewoonlijk de meeste drukte. „Wie was 't ook weer ? " — „Gretske, Gretske de freule van Lombok, zeg dat dan maar tegen den dokter : dan weet hij het wel, en zeg er bij, dat ik namens boer Grondsma kom, en dat het niet zoo best met haar is".
(Wordt vervolgd).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 september 1935

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

GRETSKE „DE FREULE"

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 september 1935

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's