STAAT EN MAATSCHAPPIJ
EEN BEVREDIGENDE AFLOOP
De beraadslagingen, die de vorige week in de Tweede Kamer over het bezuinigingsontwerp met de daaraan verbonden Kabinetscrisis gehouden werden, hebben voor de Regeering een ongemeen succes opgeleverd.
Er heerschte in het land, en zoo ook in de Kamer, groote spanning ten aanzien van de houding der R.-Katholieken, die bij monde van prof Aalberse in den middag van den 23sten Juli hun vertrouwen in het beleid van het Kabinet opzegden.
De vraag, die nu aller belangstelling bezig hield, was deze, welk standpunt thans de grootste Kamergroep, waarop de Regeering steunt, bij het eerste treffen met het nieuwe Kabinet zou innemen.
De samenwerking was verbroken geworden. Zou de wonde, die geslagen was geworden — zoo vroeg men zich af — na een beraad van enkele maanden weer zijn geheeld ?
In twee voortreffelijke redevoeringen, die beide de volle aandacht der Kamerleden hadden, herinnerde dr. Colijn eerst aan het gebeurde in de Junimaand, daarbij het Kabinet verdedigende tegen den feilen aanval, die mr. Aalberse zich destijds tegenover het beleid der Regeering veroorloofd had. Daarna schetste de voorzitter van den Ministerraad, wat tijdens de Kabinetscrisis had plaats gehad en hoe de oplossing der crisis was tot stand gekomen. Breedvoerig deed dr. Colijn uitkomen, hoe het gebeuren aan de beurs tot snelheid dwong. De goudvoorraad van de Nederlandsche Bank slonk met den dag. Op de dagen, volgende op de crisis, verloor de Bank achtereenvolgens 27, 24, 6a, 10 en 19 millioen, tezamen 130 millioen aan goud. In dezen, het land ruïneerenden toestand, moest onverwijld en met grooten spoed worden gehandeld. Vandaar, dat met de oplossing der Kabinetscrisis groote haast diende te worden gemaakt,
Is het wonder, dat de Kamer, en ook mr. Aalberse, door de mededeeling dezer feiten en niet het minst, na de verdediging van dr. Colijn van de houding van het Kabinet, onder den indruk kwamen van de moeilijkheden, waarvoor de Regeering sinds de Julimaand staat.
De leider der Roomsch-Katholieke Kamerfractie merkte in de rede, die hij na de eerste redevoering van dr. Colijn hield, dan ook op, dat, wanneer deze in Juli gesproken had, zooals hij het nu in eersten termijn had gedaan, het conflict niet zou zijn uitgebroken.
En daarmede was het verlossende woord gesproken en de weg geëffend voor nieuw overleg.
Zoo was het einde der debatten bevredigend. Minister Colijn en prof. Aalberse hadden elkander gevonden en waren volkomen verzoend.
Dit succes mag de Regeering boeken als resultaat van het debat over het bezuinigingsontwerp, dat nu reeds enkele maanden duurt.
Uit wat sinds de Julimaand gebeurde, mag de les getrokken worden, dat het in dezen tijd van onrust, waarin de gemoederen der bevolking gemakkelijk in beweging komen, hoogst gevaarlijk is, dingen te doen, die het vertrouwen in het beleid der Regeering ondermijnen. Dr. Colijn wees op de enorme schade, die het land en de bevolking door de crisis hebben geleden. Deze schade is in geen millioenen te taxeeren.
Gelukkig wijzen de feiten er op, dat, dank zij het krachtig en energiek optreden der Regeering, in den gevaarlijken toestand, waarin ons land gedurende geruimen tijd heeft verkeerd, ontspanning is ingetreden.
In dit verband moet het Verbazen, dat verantwoordelijke mannen het aandurven om, na al wat gebeurd is en na al de geldelijke verliezen, die zijn toegebracht geworden, nog weer wantrouwen in het regeeringsbeleid onder het volk te zaaien, door er bij voortduring op te wijzen, dat Nederland met rassche schreden zijn ondergang tegemoet gaat.
Naar hun meening kan het land alleen dan behouden worden, wanneer er een regeering optreedt, die regeeren kan. Deze critici laten echter altijd na, en dit doen zij ook thans, om aan te geven hoe een dergelijke regeering, dus een regeering, die regeeren kan, zou zijn te verkrijgen. Kamerontbinding kan daarvoor niet dienen. Deze zou ons volk in nog grootere ongelegenheid brengen, dan waarin het op dit oogenblik verkeert.
Minister Colijn drong er in zijn rede van Vrijdag op aan, dat ons volk de zenuwachtige stemming van zich zou afschudden om ze, gedachtig aan het oud-vaderlandsche spreekwoord te doen plaats maken voor rustige beradenheid en grimmige volharding.
Intusschen, hoe dit alles ook zij, wij verheugen ons over den bevredigenden afloop van 't conflict.
Minister Colijn en ook prof. Aalberse getuigden van hun roeping om in hun hoop op God, Wiens raad zal bestaan, te doen, wat zij kunnen doen om ons land door de gevaren heen te helpen.
En dien weg moet het uit, wil het schip van Staat met Gods hulp in veilige haven kunnen gebracht worden.
EEN AFDOEND ANTWOORD
Enkele onzer abonné's, die in de „Vragenbus" van „De Vaandrager", het orgaan van den Bond van Ned. Herv. Jongelings-Vereenigingen op Gereformeerden grondslag van 18 September, het antwoord gelezen hadden van den redacteur van deze rubriek op de vraag: , Moeten Christ, regeeringspersonen zich niet ten sterkste keeren tegen verstoring van de Zondagsrust en zoo mogelijk dit verbieden, afgezien van de daaruit voortvloeiende gevolgen ? Mogen zij die gevolgen voorkomen door het met de tegenstanders op een accoordje te gooien ? Ontkennen zij daardoor niet dat de aarde des Heeren is en dus Gods recht niet gedoogt iets toe te staan ? En is de vrees voor erger geen wantrouwen in Gods almacht? .
meenden, dat ook de lezers van ons blad wel in dit antwoord zullen belang stellen. Zij verzochten daarom het antwoord in De Waarheidsvriend te willen overnemen, aan welk verzoek bij deze wordt voldaan.
Het antwoord luidt:
Antwoord. Reeds vroeger hebben wij verschillende punten, in deze vraag aangeroerd, besproken, maar wijl deze vragen bij menigeen telkens weer naar voren komen, achten wij het beter desnoods maar tweemaal hetzelfde te zeggen ; dit is mij niet verdrietig en naar wij hopen u zeker.
Laat ik beginnen mogen met de Zondagsrust, omdat voor den vrager deze in het midden staat van de dingen, die door chrlst. regeeringspersonen moesten worden bevorderd. Over dit feit heb ik mij menigmaal verbaasd en verbaas ik my nog menigmaal. Hoe is het mogelijk, dat men dit een van de voornaamste kwesties kan vinden ! Hoe ver moet men toch wel verwijderd zijn van een dienen van God in geest en waarheid, als men het voornaamste van den openbaren godsdienst laat bestaan in het waarnemen van de Zondagsrust en de hoogste roeping, die een chr. Overheid heeft, ziet in het bevorderen en handhaven van de Zondagsrust.
Uit den strijd tusschen Jezus en de farizeën over den sabbath heeft men dan toch wel heel weinig geleerd. Ook geen acht geslagen op de houding van de reformatoren tegenover dit vraagstuk. De kwestie van den sabbath, zooals die nu gesteld wordt, bestond voor de reformatoren niet. Zij is eerst later opgekomen, toen het leven des geloofs in Gods Kerk méér en meer verdorde en men, wat van zelfsprekend is, in allerlei wettische kwesties terecht kwam. Om dit te bewijzen, kan ik verwijzen naar den Heidelberger, die over het vierde gebod sprekende, zelfs van de rust van den dageiijkschen arbeid niet gewaagt en eveneens naar het Avondmaalsformulier, waar zij, die zich aan allerlei zonden tegen Gods geboden schuldig maken, vermaand worden zich van het Avondmaal des Heeren te onthouden, maar terwijl alle zonden worden opgesomd, wordt van het niet-rusten op den sabbath niet gesproken. De wettische opvatting van het sabbathsgebod leidt ook In onze dagen weer tot een dood farizeïsme en dit doode farizeïsme brengt opnieuw tot een geveinsden godsdienst, die den splinter in het oog van den broeder doet zien, terwijl men den balk in eigen oog niet meer aanschouwt. Wat dat laatste betreft, wil ik een voorbeeld geven. Onder degenen, die met dergelijke bezwaren komen, als m deze vraag worden genoemd, bevinden zich ook vaak landbouwers. Dan heb ik tot hen wel eens gezegd : maar gij maakt zelf op den rustdag kaas ! is dat wel geoorloofd ? past het, als men zelf een sabbathschender is, over anderer sabbathschending te klagen, als over een hemeltergende zaak ? Meestal krijgt men dan ten antwoord : maar dat kan nu eenmaal niet anders ! men mag de melk toch niet laten bederven ! Daarop heb ik dan geantwoord : in een van mijn vorige gemeenten was een boer, die bezwaar had op Zondag kaas te maken en daarom des Maandags karnde ! Het is dus wel mogelijk om op den dag des Heeren van dezen arbeid te rusten, maar omdat dit geen gouden eieren opbrengt, het integendeel schadelijk is in den buidel, daarom maakt men zich zelf wijs, dat het niet kan. En dat zijn dan vaak de menschen, die zoo bitter klagen over den tegenwoordigen tijd met zijn Godonteerende sabbathschennis !
Zal de lucht weer opklaren, dan moeten we van die wettische vragen over den sabbath af. De Zondagsrust is goed en noodzakelijk voor de Zondagsheiliging, maar men moet van het middel geen doel maken, want dan komen ais van zelf de vragen op : wat mag en wat mag niet op den sabbath ? en raakt men verstrikt in zijn eigen waanwijsheid, terwijl men bovendien anderen lasten gaat opleggen, die God hen niet geboden heeft.
Hiermede ontken ik de beteekenis van de Zondagrust niet en evenmin de wenschelijkheid, dat deze zooveel mogelijk door de Overheid bevorderd worde, maar men mag het rusten op den Zondag van den dagelijkschen arbeid niet maken tot het merg van de ware godsvrucht; dat kweekt niet dan een schijn van heiligheid en godzaligheid, terwijl men de kracht daarvan heeft verloochend.
Echter afgezien van de Zondagsrust, behelst deze vraag nog een belangrijke kwestie. Het is. de oude vraag naar het recht van een coalitie-regeering, naar het geoorloofde van samenwerking met hen, die niet op denzelfden bodem eener Schriftuurlijke belijdenis staan. In een nadere toelichting geeft de vrager als zijn meening te kennen, dat christenen, die hun belijdenis willen hoog houden, zich van het zitting nemen in de regeering behoorden te onthouden, totdat er een regeering van enkel getrouwe christenen kan worden gevormd, die al de eischen van een christelijke Staatkunde kunnen doorvoeren. Dat we dan jaren lang een liberale, een rood-roomsche of zuiver roode regeering zouden hebben, zou volgens hem niet mogen afschrikken, wijl de getrouwheid aan het beginsel eischt: alles of niets. Heimelijk is er bovendien bij hem de gedachte, dat de ellende van zulk een regeering ons volk tot de vreeze des Heeren zou terugbrengen.
Dat een dergelijke redeneering door de S.G.P. wordt verwekt en gesterkt, is bekend. Toch weet ik niet, of ik mij meer moet verwonderen over de naieviteit dan over de onkunde, die in dergelijke redeneeringen steekt. Het is duidelijk, dat zij alleen gekweekt kan worden bij een volk, dat vroeger aan politiek niet heeft gedaan, en bij jonge menschen, die nog buiten de moeilijkheden van het leven staan.
Laten we een voorbeeld nemen. In de vorige eeuw zijn er jaren geweest, waarin het liberalismie onbeperkt heerschte. Zij, die aan het Woord vasthielden, hebben den druk daarvan gevoegd, vooral waar het ging om de opvoeding hunner kinderen. Omdat evenals nu in Duitschland het rechtzinnige christendom en het roomsche christendom gelijkelijk door het liberalisme verdrukt werden, hebben zij samen elkander de hand gereikt om betere toestanden op schoolgebied te bereiken. Volgens den vrager ongeoorloofd, want de samenwerking met Rome eischte inperking van eigen wenschen, en hij wil alles of niets. Echter —en hier ligt het gevaarlijke van de redeneering — deze eisch, alles of niets, laat men alleen voor de Overheid gelden, maar niet voor den onderdaan.
Wanneer een vader zijn kinderen naar school moet zenden en hy vindt, dat aan den geest van het onderwijs iets ontbreekt, wil de vrager hem dan ook laten handelen naar den eisch : alles of niets ? m.a.w. geen kinderen naar school, of het onderwijs moet geheel beantwoorden aan den eisch, door hem gesteld ? En is hij bereid om al de ellende, die uit het niet naar school zenden van de kinderen voortkomt, te aanvaarden als vrucht van getrouwheid ?
Een ander voorbeeld. Een vader heeft groote kinderen, maar enkele wandelen niet in de geboden des Heeren. Mag dan die vader de eisch alles of niets stellen, en zeggen : ik wil in alles gehoorzaamd worden en anders ga ik heen en weiger ik langer mijn huis te regeeren ?
Bij deze laatste vraag zal de vrager natuurlijk zeggen, dat die vader, omdat hij niet in alles gehoorzaamd wordt, zijn vaderlijk gezag niet mag wegwerpen, wijl dit van God is. Maar is het Overheidsgezag dan niet van God en mag een Overheid, omdat zij niet in staat is het volksleven geheel onder den band der goddelijke wet te brengen, dan wel zeggen : ik ga heen, want men onderwerpt zich niet in alles aan Gods wet ? Waarom wordt hier met twee maten gemeten ?
Of meent de vrager soms, als onze Koningin iemand opdracht geeft een Kabinet samen te stellen, dat zulk een persoon zich daaraan onttrekken kan en mag ? dat een christen weigeren mag, als hij daartoe geroepen wordt, om de wettige Overheid bij te staan ? of dat hij dan niet den eisch mag stellen zooveel als mogelijk is, maar hier de eisch moet stellen alles of niets, een eisch, die hij in zijn eigen gezin nooit stellen zal, omdat de dwaasheid van dien eisch hem daar spoedig genoeg onder de oogen komt ?
Heel de redeneering van den vrager en van velen zijner geestverwanten is vrucht niet Tan getrouwheid, maar van een valsche democratie, die niet anders doet dan eischen stellen in het wilde weg, eischen door het volk aan de Overheid gesteld, maar aan de verantwoordelijkheid van de Overheid tegenover God en het volk, hebben zij nooit geraakt en van den band, door welken een Overheid aan haar taak van God gebonden is onder alle omstandigheden, zoodat zij haar post niet mag verlaten, maar als een kapitein op een schip in nood, zoo lang mogelijk moet doen wat haar mogelyk is, heeft men geen besef. Bij mooi weer zou men kapitein willen zijn, maar bij slecht weer het haantje neerleggen om dan degene, die den moeilijken post zich laat welgevallen, nog verwijten te maken, dat het zoo stormt en dat hij niet sturen kan, wijl het schip niet zonder gevaar is.
Daarom eert het dr. Colijn, dat hij, toen de Koningin hem indertijd opdracht gaf om een Kabinet samen te stellen, niet gekomen is met dien dwazen eisch : alles of niets, dat hij evenmin gevraagd heeft, of deze taak voor de A. R. Partij winst zou afwerpen, maar dat hij als e e n gehoorzame dienaar der Kroon zijn eigen wenschen en die zijner partij voor een oogenblik op zij heeft gezet om in zelfverloochenenden en moeizamen arbeid Hare Majesteit de Koningin bij te staan en te steunen in Haar regeeringstaak. Een dergelijke zelfverloochening is m.i. meer waard dan de eerzucht en heerschzucht van tal van geweldenaars, zooals de modegeest van onzen tijd die vraagt en is eveneens Gode aangenamer dan het uitschreeuwen van tal van onmogelijke eischen, die men zelf niet behoeft te vervullen en onder andere omstandigheden zich zelf ook niet stelt.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 oktober 1935
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 oktober 1935
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's