De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

VAN DEN WOORDE GODS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

VAN DEN WOORDE GODS

UIT HET ONGESCHREVEN WOORD.

9 minuten leestijd

Genesis 7 : 17, 18. En die vloed was veertig dagen op de aarde en de wateren vermeerderden en hieven de ark op, zoodat zij oprees boven de aarde. En de wateren namen de overhand en vermeerderden zeer op de aarde en de ark ging op de wateren.

4 e Serie.
XXIV.

Er wordt door de moderne critiek groote aandacht geschonken aan de onderscheidenheid der getallen, die in het zondvloedverhaal voorkomen. En met name wordt de bronnensplitsing, die in het onderscheiden gebruik der Godsnamen haar uitgangspunt nam, met het verschil tusschen de in verschillende omstandigheden gegeven getallen, in verband gebracht. Er zijn heel wat pogingen in het werk gesteld, allerlei berekeningen gemaakt, die dan moeten toelichten, welk eene verscheidenheid er in de bronnen zou heerschen, waaruit het verhaal, zooals het in Genesis voor ons. ligt, geput zou zijn. Men heeft allerlei becijferingen gemaakt, waaruit zou blijken, dat er twee verschillende berichten door elkander zijn verwerkt, die elk een geheel eigen becijfering hadden van den duur en van de geschiedenis van den zondvloed. Prof. Böhl heeft daaraan in , Tekst en Uitleg, Genesis I, blz. 80 en 81, eene beschouwing gewijd. Hij legt er echter grooten nadruk op, dat men met de bijzonderheden dezer splitsing zeer voorzichtig moet wezen, daar deze niet boven twijfel verheven zijn. Inderdaad, deze heele methode is, zooals ook prof. Böhl opmerkt, aan bedenking onderhevig.
De getallen op zichzelf reeds moeten op eene andere wijze begrepen worden, dan zulks bij ons, moderne Westerlingen, het geval pleegt te zijn. In de Schrift wordt naar een geheel ander inzicht gerekend, hebben de getallen niet steeds de strekking ons de hoeveelheid der eenheden precies te noemen. Veeleer openbaart zich in het getal eene mystieke beteekenis, heeft het de bedoeling een bovennatuurlijk licht op de gebeurtenis te laten vallen, wordt de geschiedenis daardoor in eeuwig licht gesteld. Het getal dient dikwijls om Gods gedachte ons te vertolken. Daarom is het niet juist, aan de getallen onze preciese rekenkundige waarde toe te kennen. Het zal uit den tekst moeten blijken, of het doel eener mededeeling van rekenkundigen aard is, dan wel of wij te denken hebben aan een bijzonder licht Gods, dat de Heilige Geest door het getal laat opgaan over de historie. De getallen-symboliek wordt in de Heilige Schrift voortdurend aangetroffen. Er zijn zoogenaamde heilige getallen, die met voorliefde worden toegepast. In het Nieuwe Testament is daarvan een duidelijk voorbeeld te vinden in Openbaringen 13 : 18, waar geschreven staat: Hier is de wijsheid ; die het verstand heeft, rekene het getal van het beest, want het is een getal eens menschen en zijn getal is zes honderd zes en zestig". Hier hebben wij een treffend duidelijk voorbeeld eener mystieke verklaring van een woord op grond van de cijfer-waarde der letters, waarmede het geschreven wordt. Zoo hebben de in maatgetallen uitgedrukte afmetingen van tempelgebouwen ongetwijfeld ook nog eene bijzondere beteekenis.
Het getal 40 trekt in bijzondere mate de aan­dacht. Volgens Leviticus 12 is eene vrouw, die „een knechtje gebaard zal hebben, zeven dagen onrein". Doch bij deze zeven dagen komen nog 33 andere dagen, waarin zij zal blijven „in het bloed harer reiniging". Dan mag zij niets heiligs aanroeren, niet in het heiligdom komen, „totdat de dagen harer reiniging vervuld zijn". Als Jacob gebalsemd wordt, werden 40 dagen aan hem vervuld, want dat was het gebruikelijke getal bij de balseming. 40 regendagen hebben voor de weerprofeten beteekenis. Mozes vastte 40 dagen en 40 nachten als hij op den berg Sinaï bij den Heere verblijft. 40 jaren is Israël in de woestijn, en van den Heere Jezus staat geschreven, Mattheüs 4 : „En als Hij veertig dagen en veertig nachten gevast had, hongerde Hem ten laatste". En zoo zouden wij nog vele voorbeelden kunnen geven, waaruit blijken kan, dat wij daarbij van doen hebben met een bijzonder getal, dat eenen bovennnatuurlijken zin heeft en doelt op een .buitengewone waarde, die in dit geval van .den vloed ons de volkomenheid, de groote intensiteit van den vloed moet afmalen. De vloed bereikte zijn hoogtepeil. Langzaam, maar zeker kwam het water op. Het wies steeds hooger. En het gevolg daarvan was, dat zij „de ark ophieven, zoodat zij oprees boven de aarde".
Zoo dreef zij dus, opgeheven door de wondere kracht der wateren. En hooger en hooger steeg de watervloed. De aarde werd bedolven, de wateren namen de overhand, wiessen al meer en „de ark ging op de wateren". Zoo wordt ons dus de overheersching van het water geteekend, dat verre uitging boven de aarde, en op die wateren de ank vlottend geworden, drijvende, medegevoerd door stroom en wind. Dat was de bewarende genade Gods over Zijn uitverkoren knecht. Het vaartuig had geen roer, van een stuurman met kom, pas was geen sprake. Alle menschenwerk was uitgesloten, ook Noach arbeidde daaraan niet. De vlottend geworden ark „ging op de wateren". De Heere alleen was haar bestuurd, er. Zij dobberde over de baren met al wat in haar was en Gods oog alleen was over haar. Als wij haar hadden kunnen waarnemen, zouden wij gezegd hebben, dat zij een speelbal was van de golven, van stroom en wind, overgeleverd aan het toeval, heen en weer geslingerd door de wilde krachten der natuur.
Maar Gods Woord laat over die woeste baren, over die geweldige wateren, over die eenzaam drijvende ark een ander licht opgaan, dan dat der natuur. In het licht van Gods Heiligen Geest is de ark aanschouwd door Gods Kerk als drijvende over de wateren, waarvan de dichter heeft gezongen : „De Heere heeft gezeten over den watervloed". Zijne bewarende genade was over die broze ark, die drager was zijner uitverkoren Kerk, die het zaad des verbonds in zich droeg, waaruit voor de toekomende eeuwen het volk moest opkomen, dat de gedachtenis Zijns Naams zou voortplanten van geslacht tot geslacht. Noach zag de werken des Heeren, Zijne wonderwerken in de diepte. De stormen woedden met macht, de golven hieven zich omhoog, rezen naar den hemel en daalden neder tot in de afgronden. En de ank werd bewogen door deze onzienlijke geweldige kracht, ondervond den druk der wateren en zij doorstond dien. Maar wij lezen niet, wat wij later lezen van hen, die met schepen afvaren ter zee, handel doende op groote wateren, dat „hunne ziel versmelt van angst" en dat „hunne wijsheid werd verslonden". In de ark waren Noach en de zijnen veilig geborgen. En hoewel ook hij de wonderwerken Gods niet alleen aanschouwde, maar als eene oordeelsdaad Gods waardeerde, was er in zijne ziel geen angst en werd ook zijne wijsheid niet verslonden. Hij wist, dat hij met die ark, met al wat daarin was, gedragen werd door de almacht zijns Gods, die hem de voorlichting bereid had bij den bouw, die hem geleid, had met alle dieren des velds in deze veilige schuilplaats, die Zelve de deur achter hem gesloten had, opdat de wateren hem niet zouden verzwelgen. Noach kende, terwijl de ark ging op de wateren, de rust des geloofs, de onverstoorbaarheid van het vertrouwen op de verlossende daden van dien God, die hem geroepen had uit de duisternis tot het wonderbare licht, waarin hij de ondergaande wereld had leeren zien.
Het is begrijpelijk, dat deze wonderbare redding, waarin op zoo treffend klare wijze Gods genade over Noach openbaar geworden is, een diepen indruk heeft gemaakt op de Kerk des Heeren. Alle latere eeuwen getuigen er van, dat deze buitengewone bewaring als een voorbeeld van Christus' verlossingswerk is beschouwd, als eene profetische heenwijzing naar de uitverkoren Kerk des Heeren, buiten welke geene zaligheid is. In deze ark, zegt de Petrus-brief, werden weinige, dat is acht zielen, behouden door het water. En de geestelijke kern, het wezenlijke in die redding, verkondigt wat ons in Christus is bereid, wanneer de zondaar, door het geloof Hem ingelijfd., ééne plante met Hem wordt in de gelijkmaking Zijns doods, om ook ééne plante met Hem te worden in de gelijkmaking Zijner opstanding, zooals dit in den Doop ons wordt toegezegd. Zoo werd ook in de oude Christelijke Kerk de ark van Noach het beeld van wat Christus' Kerk is voor de wereld. Vooral onze tijd moge ons daaraan herinneren. De ontroerende dagen, die wij beleven, mogen een prikkel zijn voor Gods kinderen zich te bezinnen op wat wij in Christus hebben. Als nimmer te voren, wordt de wereld bedreigd door ondergang. En in die geweldige beroeringen, die er uit deze crisis opkomen reeds nu, en in de naaste toekomst nog meer dreigen op te komen, is het voor Gods volk de groote vertroosting, dat in den Heere Jezus Christus dezelfde wonderbare redding bereid is, die in Noach's ark ons zoo treffend wordt voorgebeeld.. Als er ooit een tijd was, waarin de wereld der volken beroerd werd, dan is dit nu het geval. De volkerenwereld is zooveel grooter geworden dan in de oudheid het geval was. De volken zijn elkander door het moderne verkeerswezen, door telephoon, telegraaph en radiographie en welke hulpmiddelen der moderne techniek er ook mogen zijn, zooveel nader gekomen. Als nooit te voren ontsluiten zich de volken voor elkander. Voor bun aller levensgang heeft dit eene groote beteekenis. Hun aller leven is als saamgegroeid tot een groot, allen omvattend menschheidsleven. Maar juist daarom zijn ook de storingen in dat groote menschheidsleven voor alle volken zonder onderscheid van zoo groote beteekenis. Zij werken door in alle volken en openbaren zich dientengevolge in vreeselijke beroeringen, in ontzaglijke oorlogen, zooals die in vroegere perioden niet bekend konden zijn.
In dit grootsche volkeren-leven en woelen is nu ook Gods Kerk betrokken. Hoe groot is het voorrecht van Gods ware kinderen, die zich in den Heere Jezus Christus mogen geborgen weten, die volkomenlijk hopen op de genade, die hun in Hem wordt toegebracht, die zich leden weten van Zijn lichaam, opgenomen in die ark van Gods uitverkoren Kerk ! Ja, groot is het goed van Gods kinderen. Hoe hoog de nood moge gaan, als hunne ziel zich nederbuigt, de afgrond roept tot den afgrond ibij het gedruisch der watergoten, de baren en de golven over hen heengaan, dan zal de Heere over hen des daags Zijne goedertierenheid gebieden en d.es nachts zal Zijn lied bij hen zijn. Want in die ark van Gods uitverkoren Kerk is de grondtoon, die door hun zielsbestaan gaat, eene samenstemming in: „het gebed tot den God mijns levens". Dat gebed hoort de Heere, het gaat aan Zijne ooren niet voorbij en daarom smaken zij te midden van al het gewoel der wereld de naste in Hem, die de menigvuldige Verlossing is van het aangezicht dergenen, die Hij heeft verkoren en uit al het aardsch gedruisch deed naderen op Zijne heilstem. Die mogen ook wonen in Zijn huis.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 oktober 1935

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

VAN DEN WOORDE GODS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 oktober 1935

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's