De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

DE HEERE ZIET HET HART AAN

6 minuten leestijd

I Samuel 16 vers 7b.
Deze woorden Gods, tot Samuel gesproken, toen deze één der zonen van Isaï tot koning over Israël zalven moest en het oog liet vallen op het verheven voorkomen van den grooten Eliab, treden zeer duidelijk aan het licht in de geschiedenis van Saul's eerste regeeringsjaren. Tot den strijd tegen de Amalekieten geroepen, ontving de koning het bevel om allen en alles wat van Amalek was te verbannen, ook de vorst der Amalekieten mocht niet verschoond, zoomin als eenige man of vrouw. Wel verslaat Saul dien aartsvijand van Israël, doch het gebod des Heeren voert hij niet uit. Hij spaart koning Agag, en het beste der schapen en runderen neemt hij tot een buit voor zich en zijn volk. Zoo is Saul moedwillig ongehoorzaam. Hij stoort zich niet aan den wil des Heeren, maar volgt eigen zin en den wil des volks.
Samuel, van Godswege op de hoogte gebracht met dit schandelijk gedrag van den voorganger des volks, riep den ganschen nacht tot zijn God. Hij is diep ontroerd met het oog op de toekomst des volks en teleurgesteld door den man, dien hij nog zoo kort geleden met de heilige olie gezalfd had ten koning over Israël. Hij schuilt in zijn nood bij den Heere zijn God, bedroefd over de trouweloosheid van Israels eersten vorst. Gesterkt door de gemeenschap zijns Heeren, gaat Samuel den volgenden morgen tot den koning om hem zijn zonde van ongehoorzaamheid en het oordeel des Heeren aan te zeggen.
En wat Saul doet, als hem zijn verborgen zonde voor oogen gesteld wordt, als dus blijkt dat zijn misdaad bekend is, teekent den natuurlijken, bedriegelijken mensch. Betrapt zijnde, poogt hij zich te verdedigen, zeggende : Het volk heeft genomen van den roof, schapen en runderen om den Heere uwen God op te offeren te Gilgal.
Met zoo'n schoonklinkende verklaring zal de dienstknecht des Heeren toch wel  ingenomen zijn ? Hij mocht tevreden zijn, dat er offers aan zijn God gebracht zouden worden! Hiermede moest de daad, wat er overigens op aan te merken ware, goed gemaakt zijn. Was het doel niet voortreffelijk? ? De profeet des Heeren laat zich niet bedriegen. Hij werpt den koning tegen, dat gehoorzaamheid beter is dan offerande, dat het dus eerst aankomt op de gesteldheid van het hart, op het geloof, dat door de liefde een toegewijd offer brengt. Nu van dat geloof en van de gehoorzaamheid der liefde niets aanwezig was, nu was ook Saul's offer waardeloos. Zijn offer was zonder hart en de Heere ziet niet aan wat voor oogen is, maar het hart. Saul's haastige bereidwilligheid tot offerande, welke zijn bedrog en ongehoorzaamheid moest bedekken, baatte hem niet. Des Heeren oog ziet door uw schijn heen en ontmaskert uw arglistigheid.
Daar gaat een vreeselijk oordeel van verwerping over den ongehoorzame, die tot een geveinsde wordt. Zonde baart zonde ! Uit het hart des menschen welt, als uit een vuile bron, de eene zonde na de andere op. Ongehoorzaamheid is de moederzonde van het paradijs af. Daar is geen gehoorzamen meer. Maar, als nu het oordeel der verwerping over Saul, den ongehoorzame, gaat, hoe vaak hebben wij ons dit vreeselijk oordeel dan niet waardig gemaakt ?
Dit te meer nog, omdat wij, evenals Saul, onze ontmaskerde ongehoorzaamheid zoeken te bedekken met het vijgeblad van goedwillendheid en schijn-godsdienstigheid. Geveinsde toewijding is gruwelijk in het oog des Heeren, die naar waarheid UI het binnenste ziet. Het is beter voor God te vallen in schuldbelijdenis en boete, dan te pogen onze ongehoorzaamheid te bemantelen.
Het begin van Saul's openbaar leven was veelbelovend, het leek zoo mooi. De afloop was droef. Dit heeft ons wat te zeggen. Menige man en vrouw, die thans de wereld rijkelijk dienen, hadden in hun jeugd indrukken, leefden nauwgezet, bestraften anderer zonden, ijverden voor Godsrijk en Kerk. Zoo schenen zij veel te beloven. Doch wijl het hart nooit den Heere gegeven was, had het godsdienstig leven geen wortel. Het was maar voor een tijd. Toen verdrukking kwam en gehoorzaamheid door zelfverloochening geëischt werd, een opoffering van den wil des vleesches, toen keerden zij weder als Orpa, al poogden zij hun terugtocht te dekken met den schijn van eerlijkheid.
Neen, men houdt het niet vol, wanneer het hart niet recht is voor God.
Alzoo onderzoeke een iegelijk zijn hart. Uit het hart zijn de uitgangen des levens.
De Heere spreekt: Geef mij uw hart!
Hij vraagt niet allereerst om uw offers, zeker niet om uw niet-gemeende offeranden ; Hij vraagt uw hart, het centrum van uw leven. Deugt dit niet, zooals er geen natuurlijk, onbesneden hart deugt, dan kan wat er uit voortkomt ook niet goed zijn. Zonder wedergeboorte geen liefde ; zonder liefde geen offer ! Offers zonder hart zijn Kaïnsoffers. Zij hebben geen waarde voor God en zijn zonder beteekenis voor u zelf.
Het is den volzaligen God geenszins te doen om het onze, maar om ons. Alles is Zijne, God de Heere zoekt niet het uwe, maar u. Dit is Zijn nederbuigende genade. Hij zoekt toch niet om te ontvangen, maar om te geven. Te geven Zijn eengeboren Zoon en met Hem alle dingen voor tijd en eeuwigheid, aan een armen zondaar. Heel de wereld kan Hem niet rijker maken, doch Hij heeft er lust in Zich te verheerlijken en daarom heeft Hij zich een volk geformeerd in Christus Jezus, den Gehoorzame, dat in oprechtheid Hem dient. De Zoon heeft volmaakte gehoorzaamheid opgeleverd, zelfs tot den dood des kruises toe. Zijn gehoorzaamheid is het offer, door de gerechtigheid geëischt, is het volmaakte offer, waardoor een ongehoorzaam en wederhoorig kroost gerechtvaardigd wordt en wel zóó, dat het is alsof zij nooit zonde gehad of gedaan hadden, ja, alle gehoorzaamheid volbracht hadden, die Christus voor hen volbracht heeft. Het geloof in die gerechtigheid, door Geest en Woord gewrocht in het hart, doet gehoorzaam bidden :
Leer mij naar Uw wil te hand'len, 'k Zal dan in Uw waarheid wand'len.
Dit geloof leert ook offeren het offer dat Gode behaagt: een gebroken geest! Hiermede ligt Gods kind zelf op het altaar der aanbidding en al het zijne met hem. Dit geloof zoekt Hem te eeren, uit Wien, door Wien en tot Wien alle dingen zijn.
Make de Heere ons maar oprecht door Zijn Geest, opdat wij Hem van harte liefhebben en vreezen en bij alles wat aan zonden in ons gevonden wordt met David in oprechtheid mag getuigd : Doorgrond mij, o God en ken mijn hart; beproef mij en ken mijne gedachten en zie of bij mij een schadelijke weg zij en leid mij op den eeuwigen weg.
Amersfoort.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 oktober 1935

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 oktober 1935

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's