VRAGENBUS
Vraag: In onze kringen wordt door dieze en gene niet zelden met groote minachting gesproken over „de Doleerenden" en scherp wordt de Doleantie van 1886 veroordeeld, maar is er aan deze zaak ook geen lichtzijde verbonden en kunnen er ook geen goede dingen worden gezegd ?
Antwoord : Ieder mensch is altijd wat éénzijdig. De koek moet dan ook in de oven altijd wat gekeerd en omgezet worden, wil de koek goed gaar, smakelijk en voedzaam zijn. De ééne kant, maar óók de andere kant moeten we hebben. Zoo ook bij kerkelijke aangelegenheden als deze. Men weet toch wel, dat de Afscheiding van 1834 en de Doleantie van 1886 zóó maar niet „uit de lucht" zijn komen vallen ! 't Waren geen donderslagen bij helderen hemel. Er was al héél wat aan vooraf gegaan, wat waarlijk onze Hervormde of Gereformeerde Kerk niet tot eere is ! En wat er op gevolgd is, door allerlei optreden en beslissen van Kerk en rechtbank, kan veelszins óók niet door den beugel. Had de Kerk als zoodanig na de eeuw van revolutie en ongeloof maar meer gelet op het Evangelie van Jezus Christus en dien gekruisigd. Had de Kerk als zoodanig maar meer ópen gestaan voor den Geest Gods, die vooral onder de orthodoxen in die Hervormde Kerk zegenend rondging. De vruchten van het Reveil heeft men veracht, belasterd, vertrapt. De vóórmannen van edelen huize heeft men gehoond en de kleine luyden, die geestelijken honger hadden, heeft men veracht en getrapt. Bilderdijk, Da Costa, Capadose, Wormser, baron van Zuylen, mr. Groen van Prinsterer, De Cock, Brummelkamp, Callenbach, Heldring, Molenaar enz. enz., werden door de Synode op „water en brood" veroordeeld, ze konden in de kou staan, ze waren rechtloos. De Synode en de Overheid hebben zich laf aangesteld. En de Kerk had in 1816 zich willoos overgegeven in de handen van de Overheid en zat gevangen in de Synodale besturenorganisatie.
Nu is eerst 1834 gekomen : de Afscheiding. Eenvoudige, maar kloeke mannen traden op en vroegen niets anders dan vrijheid voor het Woord, vrijheid voor de belijdenis der Kerk. Ze wilden, dat de gemeenten weer zouden krijgen waarop ze recht hadden : de zuivere prediking en de rechte bediening der sacramenten. Maar de Synodale heeren wilden zelf leervrijheid hebben en houden, waarbij zij er zich niets van aantrokken, dat de gemeenten dan maar moesten hooren wat de vrijheidlievende predikanten beliefden te leeren en te doen. Vrijheid voor de dominees enz., maar dwang en ondragelijke tyrannie voor de gemeenten ! Ook voor de dominees, die Gods Woord en niets dan Gods Woord wenschten te brengen, om daarnaar te handelen. Liberale menschen hebben voor despoten, tyrannen, inquisiteurs, rechters gespeeld ! En macht ging boven recht. Zóó is in 1834 de Afscheiding geboren. Waarbij velen niet meegingen, al voelden zij de dingen op dezelfde manier. Maar velen gingen ook wèl mee. En ze zijn nog niet teruggekeerd, wat ook niet grootelijks te verwonderen is, zoolang de toestanden in onze Hervormde of Gereformeerde Kerk zoo blijven als ze nu zijn.
Velen zijn gebleven Er kwam een machtige strooming ten goede in onze Hervormde Kerk. Ook al was er veel bloed afgetapt — wat we nóg pijnlijk voelen — zoo waren er velen op 't platte land en in de steden, die om des beginsels wille waren gebleven en die de Hervormde Kerk wilden vasthouden, om het goede voor haar te zoeken en in en door haar het goede te zoeken voor ons volk, dat met zooveel banden in den weg des Verbonds met die Nederlandsche Hervormde Kerk verbonden was en is. De lijn loopt door de geslachten en door de familiën en buigt zich wel dikwijls, maar loopt dan toch ook weer dóór !
Bekwame leiders kwamen er in de Hervormde Kerk, die 't hart en de ziel waren van „de belijdenisbeweging" binnen de muren der „Vaderlandsche Kerk". En het Gereformeerd gelooven en belijden groeide. Een breede schare van vrienden der Waarheid vond men overal. Ook te Amsterdam, waar bekwame mannen van buitengewoon grooten invloed (Kuyper, Rutgers, de Savornin Lohman enz. enz.) de leiding hadden. Die bekwaamheid was een zegen en die invloed een kracht, maar toen het plan tegenover plan begon te worden (wat in de dagen van de Afscheiding héél, héél anders wast!) is „het Conflict" gekomen. Het saamtrekken van de kwestie op het punt van „het geven van een bewijs van zedelijk gedrag" en „het inschrijven van leerlingen" van een paar oude, wegstervende moderne dominees, waarbij „de beheerskwestie" kwam door de wijziging van het Amsterdamsche Beheersreglement, deed, juist omdat het zulke bekwame godgeleerden en zulke bekwame juristen waren, de zaak mislukken. Men had alles op haren en snaren gezet en nu ging het er óp of er ónder. Toen men begonnen was - zóó begonnen - kon men niet meer terug. En wij betreuren het nog altijd, dat men zóó geforceerd de kwestie heeft toegespitst en zóó een breuk heeft geforceerd. De schorsing volgde van 80 kerkeraadsleden. En toen was 't verloren, omdat men niet meer terug kon. En de Doleantie - het in droefheid afzonderlijk vergaderen - werd spoedig Separatie oftewel Afscheiding. Men stond buiten en los van de Hervormde 8 Kerk ! En voor een groot deel als gevolg van de methode der knappe leidslieden, die iets minder geforceerd hadden moeten optreden om de wille van het werk des Geestes dat alom in het midden van de Hervormde Kerk werd aanschouwd. Omdat God werkte, hadden die menschen iets minder hard moeten werken, dan was 't werk Gods beter tot zijn recht gekomen in 't midden van de Kerk der Vaderen, de Kerk der geslachten, om des Verbonds wille. Hebben de vijanden der Waarheid hun vijandschap getoond met onrecht-bedrijf, de vrienden der Waarheid hadden meer moeten leven bij het woord : „Niet door kracht of door geweld, door Mijnen Geest zal het geschieden". Dan was de mensch iets minder naar voren gekomen, maar de Heere was meer tot Zijn recht gekomen in Zijn werk van genezing der kranke Kerk. Men kon toch op z'n vingers uitrekenen, dat de bestuursorganisatie zóó maar niet rechtloos zou staan ! Maar men sprak te veel van de rechten van het Gereformeerde volk en misschien te weinig van het recht 'Gods op Zijn Kerk, welke Hij bezig was te genezen tot herstel en wederoprichting in het midden des volks. Door Gods genade groeide de belangstelling en de liefde bij velen. En toen werd het door procedures verhinderd en uit elkaar geslagen, waarbij niet zelden diepe wonden werden geslagen in huisgezinnen en familiebanden ruw werden verscheurd, óók als men dezelfde belijdenis, lief had. Ja, dan juist het meest pijnlijk.
Zóó is de Doleantie geworden tot Separatie, tot een afgescheiden Kerk, terwijl de lijn volstrekt niet altijd liep : vóór of tegen de Schrift en vóór of tegen de belijdenis. Geenszins ! 't Was veel meer : strijdwijze tegenover strijdwijze. En dat is een waarschuwing voor óns in den tijd, waarin wij leven. De één praat van het Gereformeerde volk moet recht gedaan worden ! Dee ander loopt met plannen om verzamelen te blazen en dan zich te isoleeren en af te zonderen. Waarbij een derde Afscheiding niet kan uitblijven, waarbij weer de verlossing en vrijmaking der Hervormde of Gereformeerde Kerk niet zal komen, 't Gaat om de Kerk. Niet om haar te verlaten, niet om haar weer opnieuw bloed af te tappen, niet om haar in een aantal deelen te verdeelen en dan een ieder te keeren in zijn eigen weg. 't Gaat om de Kerk, om de Hervormde Kerk, zooals zij nu is. Die Kerk, een plantinge Gods zijnde, moet worden toegeroepen : onderzoek uwe wegen en keer weder tot den Heere. Waarbij wij middelen en wegen moeten gebruiken, dat de Hervormde Kerk weer meer en meer worde, naar haar aard en wezen : een belijdende Kerk, levend uit en bij het Woord, wandelend door den Geest.
Tusschen 1886 en 1834 boterde het eerst niet. Later scheen het beter te gaan. Weer later werd het minder goed. De Geref. Kerken, de Chr. Geref. Kerk, de Geref. Kerken in Hersteld Verband, de Gereformeerde Gemeenten en zooveel Kerken en gemeenten méér, bewijzen, dat de steen der wijzen nog niet gevonden is in deze lage landen. En ook in de Hervormde Kerk botst het nog al eens en gist het soms niet weinig. Maar hoe. meer we het recht Gods, het recht van Zijn Christus, het recht van Zijn Woord en van de belijdenis der Kerk in 't oog houden, hoe beter het zijn zal.
Degenen, die van ons gingen, hebben gelegenheid te over op óns te schimpen. Wij vinden genoeg om kwaad te spreken van de Gereformeerde Kerken en Gemeenten buiten onze Hervormde Kerk — en niet zelden vijandig tegenover onze Hervormde Kerk — levend.
Maar we zullen verstandig doen, om zoo weinig mogelijk te schimpen en te schelden.
Laten we liever van elkaar óok het goede zien ; het vele goede dat de Heere ons hier en elders geven wil. Er is zoo véél, waarvoor we hebben te danken.
En wij, Hervormden, wij houden onze Hervormde Kerk in 't oog en dragen de liefde tot die Kerk in ons hart, werkende opdat het recht Gods, het recht van Jezus Christus, het recht van Gods Woord en van de belijdenis der Kerk meer en meer erkend en geëerbiedigd mag worden, opdat meerderen zich zullen leeren voegen naar Zijne wegen, hebbende ontvangen de eerstelingen des Geestes.
Kerk en Volk wachten op aller gebed en aller medewerking !
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 oktober 1935
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 oktober 1935
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's