De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

DE RECHTVAARDIGMAKING

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

DE RECHTVAARDIGMAKING

10 minuten leestijd

Wat wij in ons vorig artikel hebben gezegd over het beginsel en den wasdom des geloofs, welke geen verband houdt met een meerdere of mindere zekerheidsgraad, maar veeleer in verband staat met de verlichting des Geestes en zijn inleiding in den rijkdom der genade Gods, willen wij thans nog met een citaat uit Calvijn's Institutie staven.
In die Institutie lezen we (III, 2, 19) : »Zoodra zelfs de geringste drup van geloof in onze gemoederen gevallen is, beginnen wij reeds Gods aangezicht als vriendelijk, liefelijk en goedertieren jegens ons te aanschouwen, en dat wel van ons verwijderd en uit de verte, maar met een zoó gewissen blik, dat wij weten, dat wij geenszins mis zien. Zooveel wij daarna vorderen, gelijk wij gedurig behooren voort te gaan, zooveel komen wij als door een gedanen vooruitgang nader en alzoo des te zekerder tot zijn aanschouwen, dat ons ook door een gedurig aanhouden gemeenzamer gemaakt wordt. Aldus zien wij, dat het gemoed, door de kennis van God verlicht, bij den aanvang in groote onwetendheid gewikkeld is, die allengs wordt weggenomen. En echter wordt het, door sommige dingen niet te weten, of door hetgeen het ziet wat duister te aanschouwen, niet verhinderd een klare kennis van den goddelijken wil ten zijnen opzichte te genieten, hetgeen het meeste en voornaamste is in het geloof«.
Uit deze woorden Wijkt duidelijk, dat Calvijn een aanvang des geloofs kent, die vol zekerheid is, maar die de helderheid, d.i. de volkomen inleiding in het werk der verlossing, mist. Dat God een God van genade is, heeft men klaar ontdekt in Zijn Woord, en dat te gelooven doet Gods aangezicht als vriendelijk, liefelijk en goedertieren aanschouwen. En toch staat God met al zijn liefde en goedheid als uit de verte, waarom ook straks de bestrijdingen in grooten getale komen aanstormen. Vooral die uitdrukking uit de verte is zoo teekenend, want zoolang een zondaar de algenoegzaamheid van Christus' werk niet geopend is en hij door het geloof niet door Christus tot den Vader weet te gaan, is er geen volkomen vrede met God in zijn hart en blijft er ook bij de geloovige en troostrijke verzekering van Gods genade een zekere scheiding tusschen hem en God.
Calvijn put hier ongetwijfeld uit zijn eigen ervaring en die van Gods Kerk aller eeuwen, en daarbij weet hij de Schrift aan zijn zijde te hebben. Men leze daartoe maar eens wat hij (III, 2, 32) schrijft van Naaman den Syriër, van Cornelius en den kamerling, van wien hij zegt, dat deze »alleen om aan te bidden de moeite en kosten van een zoo lange en moeilijke reis niet zou hebben aangewend, Indien hij niet begiftigd ware geweest met eenige mate van geloof. Nochtans zien wij, dat hij, door Filippus ondervraagd, zijn onwetendheid aangaande den Middelaar aan den dag legt". Bij alle duisternis toch geloof, en zelfs een vast geloof, dat het Woord van den God Israels waarachtig is en op grond daarvan een geloovig onderzoeken en overpeinzen van dat Woord. In hoeverre een man ais de kamerling als uit de verte Gods vriendelijk aangezicht heeft gezien, valt moeilijk te beslissen, maar ik ben met Calvijn overtuigd, dat hem een geloovige blik op de barmhartigheid Gods niet ontbroken heeft en dat hij mede daardoor tot den dienst van Israels God is getrokken.
Trouwens als Jezus telkens tot hen, die bij Hem hulpe gezocht hebben, zegt: „uw geloof heeft u behouden", geeft Hij daarmede duidelijk te kennen, dat het toevlucht nemen tot Hem en het aanhouden in den gebede uit het geloof is voortgekomen. En daarom is het onschriftuurlijk en in strijd met wat altijd in de Kerk is geleerd, om het toevlucht nemen tot Jezus ter verzoening der zonde en het pleiten op zijn Woord aan te merken als een dood werk en ontbloot van alle geloof.
De beschouwing van de voorstanders der z.g.n. bewuste rechtvaardigmaking moet men dan ook zien als al uit de practijk te zijn opgekomen. Door een bepaalde behandeling der zielen wil men de overtuigden brengen tot het inzicht in de noodzakelijkheid van Christus' gerechtigheid en onder Gods zegen hen brengen tot het oogenblik van de bewuste omhelzing van Christus en zijn gerechtigheid. De theorie, dat de mensch dood is en zonder geloof, zoolang hij die gerechtigheid van Christus niet heeft omhelsd, moet dienen om hem alle gerustheid te ontnemen en hem ten hoogste verontrust voort te drijven tot het oogenblik der volkomen behoudenis.
Wij hebben hier met hetzelfde methodisme te doen, dat wij ook aantreffen in het Leger des Heils en bij andere stroomingen, alleen met dit onderscheid, dat het daar van een Remonstrantsche snit is, terwijl men het hier een Gereformeerde snit heeft trachten te geven.
De uitwerking is ten gevolge daarvan verschillend. Het Remonstrantsche methodisme drijft den mensch op uit zijn verlorenheid en drijft hem voort met alle ten dienste staande middelen, totdat hij zich aan Jezus hebbe overgegeven. De zweep van den drijver houdt niet op, voordat men daartoe is overgegaan. Men kan zoo handelen uit kracht van de overtuiging, dat de mensch zich ten allen tijde aan Jezus kan overgeven. En men ziet vrucht op zijn werk, want velen geven zich aan Jezus over. Of men in dit alles een werk des Heiligen Geestes mag zien ? Dikwijls kent men niet eens de behoefte om deze vraag te stellen.
In het Gereformeerde methodisme van de aanhangers eener z.g.n. bewuste rechtvaardigmaking knalt de zweep van den drijver niet minder sterk. Men zwaait hem niet alleen boven het hoofd van den zorgeloozen zondaar, maar doet hem met gevoelige slagen ook neerkomen op den rug van den verslagen zondaar, die vertroost werd door het woord van genade en het aangezicht Gods als liefelijk en vriendelijk jegens hem uit de verte aanschouwde. Altemaal zorgelooze rustplaatsen voor het vleesch ; voort, voort, haast u om uws levens wil ; want hoe zou een mensch rust kunnen hebben en getroost kunnen zijn, als hij niet bewust gerechtvaardigd is. Midden in den dood ligt hij met al deze bevindingen. Voor eeuwig gaat hij verloren, als hij niet bij dat ééne punt uitkomt en Christus hem van den Vader werd geschonken. Wat ? spreekt daar een ziel van het pleiten op het woord van Gods genade en een geloovig verbeiden van de vervulling van Gods beloften ? Voort, voort, als gij niet bij dat ééne punt uitkomt, is nog alles verloren. Er is geen geloof en er kan geen geloof zijn, zoolang als men tot dat punt niet is genaderd.
Maar nu blijkt het verschil tusschen het Remonstrantsche en het Gereformeerde methodisme. De Remonstrant kan zich ten allen tijde aan Jezus overgeven ; hij bereikt dus met zijn drijversmethode, die doet denken aan een drijfjacht, het eindpunt, de vrucht. De Gereformeerde methodist echter weet, dat er zoo iets is als een werk Gods en een verlichting des Geestes. Daarom jaagt hij het wild wel voor zich uit, maar kan het niet tot het doel 'brengen. Bij de drijfjaciht schijnt hij te vergeten, dat alleen de Heilige Geest ontdekken kan aan wat wij behoeven, maar aan het eindpunt gekomen, herinnert hij zich dit werk des Geestes en maakt halt. Hier aan het eind wacht men op de bizondere openbaring Gods.
De vrucht van dit Gereformeerde methodisme in de gemeente is een verschrikkelijke. Met al dit drijven en opjagen van den mensch uit zijn gevaarlijke rustplaatsen bereikt men niet anders dan een verstandelijke overtuiging, dat dit en dit nog niet voldoende is voor de zaligheid. En velen van deze verstandelijk overtuigden nemen met blijdschap het Woord aan, want nu behoeft een ziel, die naar Gods genade dorst, niet te denken, dat zij anders of wat meer is. Zij is ook maar dood. Hoe meer of de prediker deze zweep laat knallen, hoe meer de onboetvaardige schare hem toejuicht vanwege zijn getrouwheid en zich zelf vleit, dat zij het zoo ernstig opneemt. Terwijl zij, die van het stuk der rechtvaardigmaking meenen kennis te hebben, gevaar loopen met hun rechtvaardigmaking zoo hoog de lucht in te gaan, dat zij straks nog een diepen val maken. Terwijl men de eigengerechtigheid met dikke woorden verdoemt, doet men in werkelijkheid niet anders dan een nieuw soort eigengerechtigheid kweeken, een geestelijke hoogmoed, die uit geestelijke armoede voortkomt.
In een gemeente, die in de gezonde leer is opgevoed, zou voor een dergelijke beschouwing en practijk nimmer plaats zijn, maar het subjectivisme heeft helaas onze gemeenten weerloos gemaakt tegenover dergelijke theorieën. Heel dit standpunt is niet anders dan het subjectivisme op een bepaald punt in alle consequentie doortrekken en onder het subjectivisme, dat in tal van onze gemeenten hoogtij viert, nog eens een extra streep trekken. Daarom zijn er tal van gemeenten, die tusschen de subjectivistische prediking en deze gansch geen onderscheid van beteekenis zien. Vroeger werd hen geleerd, dat er vele bevindingen zijn, die gekend moeten worden. Door deze prediking wordt bizonder op één bevinding de nadruk gelegd. Dat is heel het verschil vaak, dat zij opmerken, en velen zeggen in hun onkunde : het zal zoo gemakkelijk niet gaan. Een mensch moet geheel ontkleed worden, zal hij overkleed kunnen worden. En of zij dit nu met een zucht zeggen of zonder een zucht, zij gaan in hun eigen baad je zorgeloos verder en meenen nochtans, dat zij het ernstig en zwaar opnemen.
Juist in het licht van de verschrikkelijke doodigheid, die als vrucht van het subjectivisme over onze gemeenten gekomen is en die een afschuwelijke geestelijke hoogmoed gekweekt heeft, komt de overtuiging van zonde als een wonder werk van de levendmakende kracht des Geestes voor ons te staan. Niet alleen omdat de rechte overtuiging brengt tot geloof en bekeeering, maar ook omdat de overtuiging van zonde, waar zij echt is, in zich zelf van een wondere schoonheid is. Zij is als de schoonheid van de lente met haar nieuwe en frissche groene kleed; zij is aangenaam in de oogen Gods en doet Gods engelen van vreugde opspringen.
Daarom heeft zij ook bestand na de rechtvaardigmaking, en indien een christen dit kleed verliest, verliest hij, ook al is hij gerechtvaardigd, al zijn schoonheid. Gerechtvaardigd te zijn uit het geloof en zich geborgen te weten in Christus, is geen waarborg, dat men nimmer zal afwijken. Integendeel, menig gerechtvaardigde is een tijdlang in de antinominiaansche strik verward geweest en hoog van zich zelf denkende vanwege al wat hij had doorgemaakt, verwelkte de liefde en droogden de tranen over allerlei afwijkingen geheel op.
Wie daarvan iets heeft leeren kennen in zijn leven, al is het maar, dat hij de gevaren rakelings is voorbijgevaren, weet nochtans van het heimwee naar vroegere tijden, toen men van droefheid voor den Heere versmolt vanwege zijn zonden. En hoe dierbaar was die Christus toen in zijn oogen ! Hoe groot was het verlangen der ziel naar Hem. En de bede klimt op: gun leven aan mijn ziel! Want ja, dat was waarlijk een levend tijdperk. Van achteren wordt dat nog het beste gezien. Daarom is het onmogelijk, dat een ervaren christen, die van zijn eigen bevinding is afgebracht, ook van de bevinding der rechtvaardigmaking, alsof hij daardoor iets geworden zou zijn, en die nu enkel van genade leeft, van de genade, die hem uit de bron Christus gewordt, ooit dergelijke beschouwingen zal toevallen.
In de rechtvaardigmaking is Christus hem. dierbaar geworden, maar na de rechtvaardlgmaking wordt het werk des Heiligen Geestes hem bizonder dierbaar en hij leert nu iedere ritseling des Geestes op de hoogste prijs schatten.
O. a/d IJ.
Woelderink

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 oktober 1935

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

DE RECHTVAARDIGMAKING

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 oktober 1935

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's