De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

En hij bad en deed belijdenis voor zijn God.

12 minuten leestijd

„Het gebed des rechtvaardigen vermag veel".
Luidt zoo niet het woord van den Apostel ? Hij voegt er evenwel één woord aan toe, dat wij niet over het hoofd mogen zien. Hij zegt n.l. : „een krachtig gebed des rechtvaardigen vermag veel". Wanneer het gebed van iemand, die God vreest
— vandaar de naam „rechtvaardig" — opklimt en het wordt gedragen door de krachtige werking van Gods Geest, zoo kunt ge er vast op rekenen, dat de uitwerking niet zal falen.
Duizend voorbeelden zijn daarvan aan te halen, zoowel uit de gewijde, als uit de ongewijde historie.
Wij zullen ons ditmaal bepalen bij wat ons in de Heilige Schrift zelve wordt voorgelegd.
Van Abraham wordt ons verteld, dat hij zich wikkelde in den gebedsmantel, toen hem de ondergang van Sodom en Gomorrha werd aangezegd. Welk een kracht werd hier ten toon gespreid. Het hart wordt ieder, die het hoort, week.
Zoo kan het u ganschelijk niet verwonderen, dat wij lezen : „en als de Heere de steden dezer vlakte omkeerde, zoo gedacht Hij aan Abraham en leidde Lot uit".
Wordt het hier niet bevestigd : „een krachtig gebed des rechtvaardigen vermag veel".
Met vader Jakob ging het evenzoo. Wie zal aangeven met welk een aandrang de gebeden zijn opgeklommen, toen hij dien eersten nacht moest doorbrengen onder den blooten hemel. Het antwoord leest ge af, als in een droomgezicht hem de hemelen worden opengedaan en hij daarvan uit de hemelsche boodschappers ziet afklimmen, die niet eerder aflaten voor al zijn aandacht is vastgelegd bij wat de Allerhoogste hem te beluisteren geeft in dit woord : „Ik zal u niet begeven en Ik zal u niet verlaten, tot Ik gedaan zal hebben, alles wat Ik tot u gesproken heb". Aan natuurlijke en aan geestelijke zegeningen zal het u niet mankeeren.
Jakob kan straks zonder eenige grootspraak tot zijn broeder Ezau zeggen,
wanneer hij hem na een 20-jarige scheiding weerziet: „ik heb alles".
„Een krachtig gebed des rechtvaardigen vermag veel".
Wij zouden zoo de gansche rij van wie wij „bijbelheiligen" noemen, kunnen laten voorbijtrekken. Doch waartoe ?
Laat ons bij dit eene voorbeeld uw aandacht nog bepalen, waarvan de apostel Jacobus' dan ook uitgaat.
Als Elia bidt, zoo wordt de hemel toegesloten. En hij bad wederom, en — zoo lezen wij — de hemel gaf regen.
Het verband tusschen hemel en aarde komt hier wel zeer duidelijk uit. Zoo kunt ge 't dan ook vatten, waarom de volksmond het aldus heeft geformuleerd : zij, die God vreezen, zijn als de kurken, waarop de wereld drijft. Die wereld zou wegzinken onder den last harer eigen zonde. Zij snelt door haar snelle afloop hare ondergang tegemoet. Zij doet niet anders dan haar eigen bestaan ondergraven. Ge ziet dit in onze dagen u met duizend voorbeelden toegelicht, doch wat haar tegenhoudt, wat haar drijvende houdt, is het gedurig gebed dat opstijgt tot den Troon van de lippen van wie God vreezen.
Tegen deze waarheid zal niemand, die hiervoor oogen kreeg om te zien, één woord van protest laten hooren.
Toch is hier een ding, waartegen gewaarschuwd moet worden. Gij ziet dit euvel n.l. in uw Roomsche omgeving u zeer duidelijk gepredikt. Of worden hier niet dagelijks de heiligen aangeroepen ? Zij moeten voor hen tot God bidden. Deze zijn de voorsprekers.
Gelukkig, wie een anderen, een beteren weg heeft leeren kennen. Zegt de Christus niet tot zijn jongeren : „al wat gij bidden zult in Mijnen Naam, dat zal u de Vader geven". Wij hebben één Voorspraak, één Voorbidder, en Deze is Christus alleen.
God, de Heilige Geest, voert altijd naar dezen éénen Borg en Middelaar heen.
Daar is dan ook geen schepsel, noch onder de levenden, noch onder degenen, die reeds in de volle zaligheid mogen deelen, bij wie onze bate kan worden gezocht.
Doch merkt nu ook op déze lijn.
Gods Geest zorgt, dat er altijd bidders overblijven, die het pleit voeren voor den Troon. Hun waardij is met geien prijs te schatten.
Wij willen uw aandacht hierbij bepalen. Ge leest onzen tekst in Daniël 8 vers 11 :
»Toen nu Daniël verstond, dat dit geschrift geteekend was, ging hij in zijn huis (hij nu had in zijn opperzaal open vensters tegen Jeruzalem aan) en hij knielde drie tijden 's daags op zijn knieën en hij bad en deed belijdenis voor zijn God, ganschelijk gelijk hij voor dezen gedaan had«.
Daniël stamde uit een oud geslacht. Hij stamde uit het geslacht van David. Als een, die tot de kroonpretendenten mocht worden gerekend, had men hem gevankelijk weggevoerd, zoo spoedig als het maar kon. Hij behoorde dan ook tot de eersten, die in 't verre Oosten, in Babel aankwamen.
Wij houden dit punt een oogenblik vast.
Een koningskind in meer dan éénen zin. Wat dit voor een land en een volk beteekent, wat dit in heeft voor de samenleving, kan niet zoo gemakkelijk worden weergegeven. De tijden zijn verschillend, 't Gaat met de wereldgeschiedenis vaak, zooals 't gaat met de golven van de zeeën. Nooit stil, altijd in bewogenheid. Wat heden schijnt te lokken als een waterspiegel, bolt zich straks op tot een bergenhooge watermassa, schuimend en bruisend, tartende alle machten der wereld om hen te temmen. Wat nu opspringt als tegen de wolken, duikt straks weer onder als pogende zich te verbergen voor elk spiedend oog.
Zoo is ook telkens de aanblik van deze wereld. Geen moment is het heelemaal stil.
Weet ge wat ge bij voortduring kunt opmerken? Dit, wat het eene oogenblik alle bijval vindt, wordt binnen enkele jaren achteloos voorbijgegaan, ja, wekt straks schier ieders afkeer.
De ouderen onder ons, die de hitte van den dag en de koude van den nacht hebben verduurd, zullen en kunnen bevestigen, wat wij zooeven opmerkten. Wat in hun jeugdjaren den volke werd voorgehouden als geheel normaal, werd in latere tijden als verouderd en versleten minachtend voorbijgegaan.
B.v. een Vorstenhuis, aan welks hoofd mannen hadden gestaan, niet enkel met een roemrijk verleden, maar gesierd met teedere godsvrucht, werd nog wel geduld, maar dit te erkennen als een bizondere Gods-gave, werd door slechts weinigen meer gedaan. De toorts der revolutie, belichaamd in de roode vaan, trok steeds breedere schaden. Een vorst of vorstin mocht nog zijn of haar plaats innemen, doch niet langer dan de volksgunst zulks verdroeg.
Voor de aandachtige toeschouwers en wie de belangen van het heelé volk op het hart droegen, was het om er bang onder te worden. Zou straks het moment aanbreken, dat als voor ruim honderd jaar alles danste rond den z.g.n. vrijheidsboom, bannend eiken vertegenwoordiger van het gezag, 'koningen en vorstenhuizen latende zwerven in den vreemde ?
Wij zien ook hier bevestigd : „de mensch wikt, God beschikt".
Zijn niet deze dingen als met tooverslag omgekeerd ? Om te blijven op eigen erf. Wordt niet hier schier van alle kanten geroepen : geef aan het oude Vorstenhuis weer zijn glorie ? Zou niet menige buitenstaander, ja, schier elke vreemdeling benijden de positie van ons Vorstenhuis: ? Haast elke kreet van „weg met deze" is gesmoord om plaats te maken voor het gaarne bieden van stille of oplaaiende hulde. Wat te gereeder geschiedt, wanneer wij letten op wat er plaats vindt in landen als Italië en Duitschland.
Laat het niet sprakeloos aan ons voorbij gaan, lezers. Daar gaat een waarschuwing uit tot ons allen. Het Woord des Heeren zegt het zoo duidelijk : „om drie dingen ontroert zich de aarde, ja, om vier, die zij niet dragen kan". En nu wordt het allereerste hier genoemd : „een 'knecht als hij regeert".
Waar dit toe leidt, zien wij met een bloedig spoor geteekend. Heel de wereld, wordt in roering gebracht. Zij kan het niet dragen.
Welk een voorrechten werden ons door den Heere tot nu gelaten. Een vorstin, die met wijze hand regeert. Wij zien daarin Gods hand. 't Is voor ons als eene verhooring van de bede van vorige geslachten, bevestigend : „een krachtig gebed des rechtvaardigen vermag veel".
Wereldgrooten, die klein zijn voor God, zijn van de grootste beteekenis voor heel de wereld.
Zie, deze gedachten werden bij ons wakker geroepen toen wij ons tekstwoord, ons, zagen voorgelegd.
Deze Prins uit Davids geslacht vreesde den Heere, en wel van zijn jeugd afaan.
Het komt voor, dat iemand, na een niet onbewogen leven, op lateren leeftijd tot de besliste keuze zich ziet gebracht om God te willen dienen. Wij zien dit bij een Manasse — doch waaraan nog grootere zegen is verbonden, is wat wij noemen een leven, van het begin afaan staande in het teeken van oprechte Godsvreeze.
Daniël vreesde den Heere van zijn jeugd afaan. Als zoodanig volgen wij zijn gangen. Wij zien hem hier voor ons in de smeltkroes der beproeving. Enkele dingen willen wij hierbij opmerken.
In de eerste plaats vinden wij hier Daniël, staande alleen.
Daarna merken wij, hoe hij hier verkeerde met God gemeen.
Om ten laatste hierop het licht te laten vallen, hoe hij, wachtend wat de God zijner vaderen, ook zijn God, met hem doen zal, in geenen deele wordt beschaamd.
Wat u dadelijk opvalt bij het lezen van deze schoone bladzijde uit de Schriften, is dit, dat waarachtige godsvrucht geenszins ongeschikt maakt voor wat wij noemen het beoefenen van een levenstaak te midden van deze wereld.
Als de heidensche vorst mannen noodig heeft, die hem kunnen dienen met raad en daad, met wetenschap en verstand, zoo zien Daniël en zijn vrienden zich daartoe aangewezen.
Of dit de mannen, door geboorte verwant aan den heidenschen gebieder, niet zal hebben geprikkeld, behoeft nauwelijks een vraagpunt te vormen.
Met wrevel en afgunst was hun hart vervuld. Voortdurend wordt hieraan uiting gegeven, doch niettemin Daniel's positie bleef onbewogen. Zoo ging het onder den machtigen vorst van Babel, Nebukadnezar, zoo bleef het tot het oogenblik naderde waarop Babel's grootheid onderging om plaats te maken voor den machtigen gebieder der Meden en Perzen, Darius.
Daniël bleef de machtige, de groote onder de gebieders. Daarin was niemand bij machte een bres te schieten. Onwankelbaar, onbewogen stond zijn troon. Met de teerste banden voelde zich de vorst aan dezen zoon uit den vreemde verbonden. Al was het den koning niet ontgaan, al zagen zijn oogen het dagelijks, hoe hij vasthield aan den dienst der vaderen, al was het hem geen geheim hoe hij kracht ontleende voor heel zijn leven aan het vasthouden aan den God des hemels — toch was dit alles niet bij machte de minste wijziging aan te brengen in de tusschen hen bestaande verhouding. De vorst leunde op dezen getrouwe met heel zijn zijn. Daar was geen enkel middel te bedenken om hierin eenige wijziging aan te brengen. Voor geen enkele corruptie was deze dienstknecht des Heeren vatbaar. De Engel des Heeren bewaakte en bewaarde Zijn dienstknecht van allen kant.
Elk resultaat om hem te doen vallen, mislukte.
Nu moet evenwel worden bedacht, dat Satan's listen onuitputtelijk zijn. Als hij geen succes heeft met het een, zoo probeert hij weer iets anders.
De mannen, door wie hij benijd werd (Daniël n.l.) hebben opgemerkt dat de vorst niet onontvankelijk bleek te zijn voor toet streelen van zijn hoogmoed. Bij de heidensche volken nemen n.l. de vorsten een plaats in uisschen de rijen van de goden. Dat is nog zoo. Neemt maar Japan. Hier wordt aan hun vorsten goddelijke eere toegebracht. Zoo laat het zich ook verstaan, dat zij, die Daniel's ondergang zochten te bewerken, tot hun koning kwamen met onderstaand verzoek:
In dertig dagen mocht niemand een verzoek doen of een bede richten, dan tot hem. Alle eere mocht hem alleen geworden.
Kon ooit het hart van den monarch meer worden gestreeld ? Niemand mocht een bede opzenden. Hij stond in de rij der goden vooraan.
Ziet, voor deze verleiding bezweek de vorst. Hij had niet de minste gedachte aan den boozen opzet, die hierachter school. Hij teekende de wet. Zoodra zijn zegelring is ingedrukt, is ook zelfs de koning niet bij machte hierin ook slechts de minste wijziging aan te brengen.
Daniël staat nu, naar menschelijke berekening, alléén, omringd naar alle zijden door machtige vijanden. Hij, de man, die enkel zijn kracht ontleent aan den nauwen omgang met zijn God, zag zich elke uitgang afgesneden. Nu was het met hem gedaan. De vijand juichte, ooi al was de stem van hun gejuich voor niemand hoorbaar. Ieder, der zake kundig, hoorde hun klanken boven alles uit. Men las de nauwelijks ingehouden blijdschap af van het gelaat der bedillers.
Daniël heeft dit heele bedrijf zien afspelen. Als hij ziet hoe aan Susans poorten dat decreet wordt vastgehecht, zoo gaat hij van de paleispoort naar zijn huis.
Verbergt hij zich, zoo is lichtelijk de gedachte, die bij ieder opkomt: hij trekt zich terug in de eenzaamheid. Hij wil het niet weten hoe hij innerlijk te moede is.
Mis geraden, lezer.
Zoo zijn de gangen niet bij hem, die God waarachtiglijk dient en vreest. Daniël gaat zich niet verschuilen voor het oog van menschen, maar in denzelfden zin, als ge leest bij David : „bij U schuil ik, mijn God".
Hij zocht de eenzaamheid, om zich te sterken in den Heere, zijn God. Hij had in zijn opperzaal open vensters tegen Jeruzalem aan.
Ge vraagt nu, wat dit voor beteekenis heeft ? 'k Zal het u trachten te verklaren.
Heeft het Oostersch huis in den regel geen vensters, dan naar de binnenplaats gekeerd, hier wordt een andere teekening u voorgelegd. De vensters, waarvoor Daniël zich nederboog voor zijn God, hadden wèl een uitzicht, n.l. naar het verre Westen heen. Daar lag zijn land, daar stond zijn Tempel weleer. Alzoo schijnt ons de conclusie niet te gewaagd. Hier waren de vensters met opzet, met een uitgesproken bedoeling zoó aangebracht, dat de bidder stond met het aangezicht naar de gewijde plaats. Laat dit geen oogenblik worden voorbijgezien. Hierdoor valt een heel bizonder licht op alles. Leest maar eens na wat er staat in Daniël 9 vers 4.
Hier komen dezelfde woorden in voor, welken wij uit onzen tekst als opschrift plaatsten : „en hij bad, en deed belijdenis voor zijn God".
Daniel's bidvertrek wees hem naar en stond, in onverbrekelijk verband met den dienst des Heeren in Zijn Tempel. Voor het open venster, dat uitzicht bood naar Jeruzalem, naar de stad der vaderen, boog zich de Godsman, pleitende op Zijn trouw, op Zijn onwankelbare belofte.
De God mijner Vaderen leeft nog en is dezelfde gebleven. Van Hem is mijn verwachting.
(Wordt vervolgd).

Utrecht.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 oktober 1935

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 oktober 1935

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's