DE RECHTVAARDIGMAKING
Wanneer wij thans in een slotartikel onze beschouwingen samenvatten, komen wij tot de volgende opmerkingen.
De rechtvaardigmaking is die vrije genadedaad Gods, door welke Hij den zondaar alleen om Christus' wille in de verzoening, die Hij heeft aangebracht en in de gerechtigheid, die Hij heeft verworven, rechtvaardig verklaart en hem tot Zijn kind en erfgenaam aanneemt.
Deze rechtvaardigverklaring wordt ons bekend gemaakt in de belofte des evangelies, welk evangelie, door de bediening der verzoening aan Zijn Kerk toebetrouwd, door haar wordt uitgedragen in 'de wereld en in haar midden wordt geloofd.
Wijl deze rechtvaardigverklaring zich grondt op de verzoening en de gerechtigheid, die in Christus, zijn, kan ook gezegd worden, dat God den zondaar in de belofte des evangelies de volkomen genoegdoening, gerechtigheid en heiligheid van Christus uit genade zonder eenige verdienste zijnerzijds schenkt en toerekent en hem in die schenking en toerekening van deze weldaden rechtvaardig spreekt.
Deze belofte des evangelies vraagt naar het woord van Christus tot Zijn discipelen: Het Koninkrijk Gods is nabij gekomen, bekeert u en gelooft het evangelie ; het geloof van ons, zonder welke het evangelie ons geen nut doet. Want ook aan het volk Israels in de woestijn is het evangelie gepredikt en zij zijn allen in Mozes gedoopt in de wolk en in de zee, en zij hebben allen dezelfde geestelijke spijs gegeten en dezelfde geestelijke drank gedronken, maar in het meerendeel van hen heeft God geen welbehagen gehad, want het evangelie was niet met geloof gemengd in dezen, die het toch wel gehoord hadden.
Om deze reden voegt de Heid. Catechismus aan de vermelding van den grond des geloofs, dat n.l. God mij uit loutere genade, alleen om de verdiensten van Christus' wil, Zijn volkomen genoegdoening, gerechtigheid en heiligheid schenkt en toerekent, de woorden toe: in zooverre ik zulk een weldaad met een geloovig hart aanneem. Volkomen Schriftuurlijk is dit, wijl de Schrift om dezelfde reden spreekt van de rechtvaardiging uit of door het geloof. Eerst door het geloof der belofte Gods, of wil men door de geloovige omhelzing van Christus en Zijn gerechtigheid, zooals die in de belofte des evangelies ons gegeven worden, krijgen wij een persoonlijk eigendom aan deze wondere genade en kunnen wij ons vrijgesproken weten en rechtvaardig voor Gods aangezicht.
En opdat wij zouden weten, dat God niets meer van ons vraagt dan dit eenvoudig, kinderlijk gelooven van Gods beloften, niets, meer dan het afzien van alle eigen werk en gerechtigheid, om ootmoedig aan te nemen wat God uit genade ons geeft, heeft God door heel Zijn Woord heen telkens opnieuw uitgesproken, dat allen dit geloof Hem behaagt en Hij spreekt de geloovigen zalig en belooft hun het eeuwige leven en de eeuwige zaligheid in Zijn goddelijke gemeenschap.
Wie dan ook het evangelie predikt, heeft dit evangelie ten volle voor te stellen. Al was de Kananeesche vrouw tevreden met dè kruimkens, die van de tafel der kinderen vielen. God, Zijn dienstknechten uitzendende om ter maaltijd te noodigen, noodigt niet aan een ten halve gedekte tafel, maar Zijn beker is overvloeiende, en aan de verlossing, ons bereid, ontbreekt niet het minste. Er is overvloeiende genade bij Hem in Christus Jezus, ook voor den allergrootste der zondaren. Maar dit evangelie predikende en tot geloof des evangelies oproepende, mogen zij niet nalaten te verklaren, dat, die in Christus, Jezus gelooft, het eeuwige leven heeft. Vrijmoedigheid gevende tot geloof, hebben zij daarna dit geloof te bevestigen als waarlijk genoegzaam tot zaligheid.
Handelende over het geschil met de voorstanders der z.g.n. bewuste rechtvaardigmaking, hebben wij met grooten nadruk er op gewezen, dat wij eenerzijds de verlichting des Geestes en de krachtdadige toepassing van Gods genade, waardoor het geloof verwekt wordt, dat vrijmoedig Christus en Zijn gerechtigheid, als een genadegave des Vaders omhelst, niet als een op zich zelf staande bizondere openbaring mogen aanmerken, maar deze moeten zien als die onwederstandelijke kracht, waardoor de Heilige Geest de belofte des evangelies in onze harten plant en als zoodanig het geloof doet geboren worden. Met andere woorden, de genadige toerekening van Christus' gerechtigheid en de rechtvaardigmaking daarop gegrond, die vaak in één oogenblik gansch klaar wordt voor een menisch, zoodat hij zich Maar gerechtvaardigd weet en de jubel uitbreekt in het hart: wij dan, gerechtvaardigd zijnde uit het geloof, hébben vrede bij God door onzen Heere Jezus Christus, mag niet los gemaakt worden van de belofte des evangelies. Daardoor wordt duidelijk, dat, wat in het oogenblik van de z.g.n. bewuste rechtvaardigverklaring wordt doorgemaakt, niet anders is dan de geloovige omhelzing van de belofte des evangelies, maar thans met bizondere klaarheid en helderheid, zodat alle twijfel verslonden wordt en een machtige en zalige zekerheid doorbreekt.
In de tweede plaats hebben wij er ernstig voor gewaarschuwd om eigenwillig het geloof, dat tot zaligheid noodig is en ons voor God rechtvaardigt, niet te beperken tot een bepaalde geloofswerkzaamheid. Wie Christus en alle heil, dat in Hem gevonden wordt, samengevat ziet in de belofte des evangelies, kan dat ook niet doen. Want als het Woord Gods voorwerp is van het zaligmakend geloof en hij merkt op den rijkdom van dit Woord van genade, erkent hij met den apostel in het elfde hoofdstuk van den Hebreënbrief, dat het geloof zich op verscheidene wijze openbaart, maar altijd weer te herleiden is tot het geloof, dat de Woorden Gods gelooft.
Bovendien, waar wij het geloof, dat God van ons vraagt, niet vereenzelvigen mogen met een bepaalde geloofswerkzaamheid, zoo mogen wij evenmin eigenwillig bepalen welke mate des geloofs aanwezig moet zijn om zalig te kunnen worden. Noch van de helderheid, noch van de kracht des geloofs mogen wij de maat vaststellen om allen, die niet tot die helderheid en tot die kracht des geloofs gekomen zijn, die wij noodig oordeelen, vervolgens van Gods Koninkrijk buiten te sluiten. Elk, hoe klein hij zij of groot, wordt van dat heil, die weldaan deelgenoot.
Als de Heere zelf Zijn discipelen om der wille van hun onverstand en traagheid des harten om te gelooven, niet verworpen heeft, maar hen nader heeft onderwezen en de verborgenheid Gods hen heeft geopend, opdat zij tot volkomen wasdom zouden komen, hebben wij deze schamele en slecht toegeruste pelgrims naar het hemelsche Jeruzalem niet als moordenaars te overvallen om hen neer te sabelen op den weg, maar wij hebben hunne harten te versterken door het Woord des evangelies, opdat deze kleingeloovigen hun weg met blijdschap mogen reizen.
Dit beteekent allerminst, dat zij vastgezet worden op kenmerken of geestelijke werkzaamheden of bizondere bevindingen — het is juist mijn bezwaar tegen de voorstanders der z.g.n. bewuste rechtvaardigmaking, dat zij niet de rechtvaardigmaking uit het geloof alleen leeren, maar de menschen vast zetten op een bepaalde bevinding, n.l. van hun rechtvaardiging —, maar dat zij gegrond worden in het Woord Gods, dat vast en zeiker is en nooit beschaamt, die daarop betrouwen.
Als aan hen, die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid, gezegd wordt, dat zij verzadigd zullen worden, worden deze menschen niet vermaand op hun honger en dorst te vertrouwen en daarvan een grond té maken, maar zij worden vermaand Gods belofte te gelooven en daarop te vertrouwen.
Te erkennen, dat van de helderheid en de kracht des geloofs door ons niet de maat kan en mag worden vastgesteld, beteekent geenszins, dat wij deze kleingeloovigen tot een zelfgenoegzaam volk maken, dat met een beginseltje van geloof tevreden is en naar verderen wasdom niet staat, want de omschrijving, die wij van het geloof gaven, doet zien, dat wij nooit met ons geloof tevreden mogen zijn, ook niet als het tot de bewuste rechtvaardigmaking is gekomen, want dan zouden wij van het geloof een grond van betrouwen maken, terwijl wij geloovig op Gods Woord en belofte hebben te betrouwen. Doch erkennende, dat de Heere zal zien op de arme en verslagene van geest en die voor Zijn Woord beeft, hebben wij dezulken tegen te treden met de troost des evangelies en te brengen tot het geloof in Gods beloften, om hen daarna op te voeden tot een meer helder en vast geloof, opdat zij niet als een riet van den wind heen en weer bewogen worden, maar onder den goddelijken zegen mogen komen tot de zekerheid hunner schuldvergeving en een leven in de gemeenschap des geloofs met onzen Heere Jezus Christus, in welks gemeenschap naast de rechtvaardigmaking ook de heiligmaking besloten ligt.
Aan de begeerte, mijn poging om te waarschuwen tegen een bepaalde strooming, die in onze dagen zich binnen de Gereformeerde richting in de Hervormde Kerk vertoont, heeft niet de begeerte ten grondslag gelegen om den strijdbijl eens te zwaaien en anderen een afstraffing te geven. Ik ben een man des vredes en de tegenwoordige verdeeldheid op allerlei terrein, maar in het bizonder onder broeders van hetzelfde huis, bedroeft en benauwt mij vaak ten uiterste. Deze verdeeldheid voedsel te geven en haar te vermeerderen, acht ik een zoó groot kwaad, dat ik met vreeze denk aan het oordeel Gods over allen, die de verbreiding Jozefs niet ter harte hebben genomen, maar slechts voor hun eigen huis hebben geloopen.
Evenwel, ik ben ook ten volle overtuigd, dat de gemeente des Heeren alleen op het zuivere en loutere Woord Gods gebouwd kan worden en dat de prediking daarvan niet verdeelt, maar veeleer vereenigt. De eenigheid des waren geloofs, waarin Christus Zijn gemeente vergadert, beteekent niet alleen het ware geloof, voorzoover het in het hart wortelt, maar duidt allereerst op het vereenigd zijn in het geloof derzelfder waarheid. Daarom hebben allen, die van God tot een wachter over Zijn huis zijn gesteld, te waarschuwen voor alle leer, die deze eenigheid des waren geloofs verbreken zou. En ziende, welk een ontzaglijk verval het subjectivisme onder ons gebracht heeft en nog brengt, doende de menschen met de belijdenis der waarheid volharden in den dienst der zonde, wijl het wel tot een verstandelijk geloof der waarheid oproept, maar ten opzichte van het levende geloof de menschen lijdelijk doet wachten op een openbaring Gods, heb ik gemeend niet te mogen zwijgen, nu er een nieuwe strooming opkomt, die slechts in naam het subjectivisme den rug toekeert, maar ia werkelijkheid deze geestesrichting op de spits drijft.
God de Heere heeft in den loop des tijds het subjectivisme geoordeeld, doordat de gemeente zich dood gegeten heeft aan de vruchten, die deze geestesstrooming heeft voortgebracht. Laten wij dat ter harte nemen en ons niet in schijn van daze dwaling onzes wegs bekeeren, maar van ganscher harte. Gods waarheid verlicht niet alleen het verstand, maar roert ook de conscientie. Wie de verplichting tot een waar geloof niet predikt, kan niet verwachten, dat het ongeloof tot zonde wordt. En wie het beginsel des waren geloofs niet eert en het werk des Heiligen Geestes niet met eerbied nadert, onderneemt in geestelijken hoogmoet een aanslag op het leren der Kerk
Bij de bestrijding der dwaling gaf het mij vrijmoedigheid, dat ik wist niet een oratio pro domo te houden. Het was er mij niet om te doen uit onbekendheid met de bewuste rechtvaardigmaking een verdedigingsrede te houden, waardoor ik zelf het hoofd boven water kon houden en voor mijn geloof nog een toevluchtsoord kon bouwen. Door Gods genade heb ik in eigen leven het oogenblik der bewuste rechtvaardigmaking leeren kermen, maar ook dezen weg, waarlangs God leidde, heb ik mogen zien in het licht, dat de Schrift daarop doet vallen. In dat licht wordt de leiding Gods met een zondaar van den aanvang af klaar en van de eerste bede om genade, van de eerste zucht der ziel naar God en Zijn gunst tot het doorbreken van het volle licht, ja, tot het einde des levens wordt het een aaneenschakeling van de werken van Gods wondere, opzoekende liefde en trouw. Alleen Gods Geest doet vragen naar God en Zijn genade; niet het vijandige vleesch, maar de doorbraak des Geestes doet berouwvol wederkeeren. Wie den aanvang van het werk des Geestes in de bekeering van een zondaar veracht, hoe zal die later zuchten kunnen om de bijstand en de leiding van dien Geest ? Want de bewuste rechtvaardigmaking is geen waarborg voor een godzaligen wandel. De ervaring laat zien, dat velen van hen, die bewust gerechtvaardigd werden, later in antinominiaansche wateren een tijdlang verzeild raakten en innerlijk verstierven, ofschoon zij roemden in wat zij hadden doorgemaakt. Een ootmoedige geest doet Gods kinderen nog immer vragen naar dien Geest, die eens hunne harten verbrijzelde en tot God keerde, en zij verlangen, dat Hij het schrift, toen in hun hart en leven geschreven, nog wat dieper daar ingriffe, opdat zij nooit Zijn lessen vergeten, maar tot een dagelijksche bekeering geoefend mogen worden.
O. a/d IJ.
Woelderink
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 oktober 1935
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 oktober 1935
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's