GRETSKE „DE FREULE"
EEN LEVENSTRAGEDIE
Onwillekeurig greep de vrouw van den armmeester vrouw Grondsma vast, om zóó meer steun aan elkander te hebben. Beiden voer een rilling door de leden. Zou dit sterven zijn ? Nog nimmer had men zoo van nabij de majesteit van den dood gezien, doch het had er alles van, dat hij het was die naderde. Gretske deed heel anders dan gewoon ; zij leek zich zelf niet meer. Hoor, wat sprak zij daar ? Daar kwam iets in voor van den goeden strijd, en van een loop, die geëindigd was, en van een kroon. En waarom stak zij soms die hand uit, als wilde zij iets grijpen ?
„Zullen we den dokter nog niet even laten komen ? Hij ligt nog wel te bed, maar het duurt nog lang vóór hij uit zichzelf komt" — sprak de vrouw van den armmeester op zachten toon.
„'k Vrees, dat er niets meer aan te doen is, maar voor ons is het niet zoo eenzaam, als wij het deden" — was het antwoord.
„Zal ik buurman roepen ? ''
't Volgend oogenblik was de Goudvink al op pad. Wonder, hoe die man voor hen klaar stond. „Och heden, is Gretske er zóó slecht aan toe ? " — had hij nog gauw even gevraagd, en toen daarop : „Als ik de dames van dienst kan zijn, dan zeggen de dames het maar. Ik ben den heelen dag thuis en voor de dames disponibel".
Toch aardig van dit volk, vond men. Maar het kwam al weer uit eerbied voor de majesteit van den dood, waar zelfs de Goudvink voor uit den weg ging.
En weer stond hij voor de dokterswoning. Wacht even, hij moest de knop van de nachtbel hebben, want van zelf, zulke groote heeren waren nog niet hij de hand, en die oude huishoudster had wel een jaar werk, voor zij goed en wel beneden was.
Daar ! Had het geholpen ? Hij had niets gehoord. Dan nóg maar eens. Geen geluid. De andere deed het veel beter. Zou het een electrische bel zijn ? Allemaal nieuwigheden, waar hij geen begrip van had. Maar die het ongewenschte gasten wel eens lastig konden maken, naar hij meende. Nog één keer flink drukken
Daar werd een raam boven zijn hoofd opengeschoven. „Nu kan het zeker ook wel, of is er soms brand ? "
O, wee, daar kwam het gelaat van den dokter voor den dag. Wat keek hij boos. „Met uw welnemen, maar namens vrouw Grondsma kwam ik vragen of u nog even bij de freule, ik bedoel bij Gretske, wilt komen, want men vreest dat het afloopt".
„Ik kom". — Weg was hij weer. Maar om even later reeds de straten door te tuffen, tot verwondering van degenen, die in dit vroege morgenuur uitgingen tot hunnen arbeid. Met den eersten oogopslag zag hij, dat het hier de laatste strijd was. Toch herkende zij, hem. „Niet weer, dokter" — stamelde zij. En toen men haar niet begreep, wees zij naar den arm. „Neen, niet weer spuiten, hoor" — zei hij, thans hare bedoelingen vattend. Zij wilde niet bedwelmd de eeuwigheid in. Toen nam hij het fleschje met druppeltjes en deed eenige in wat water, om het hart wat te kalmeeren. 't Was het eenigste, ook het laatste wat hij doen kon.
„Is de dominé nog geweest ? " — vroeg hij de anderen. „Neen ? Dan weet hij bepaald niet hoe het hier staat".
„Zou zij het verlangen ? " — vroeg vrouw Grondsma. En daarop tot de stervende: „Zullen wij den dominé voor je vragen, Gretske ? " Maar weer was het alsof de geest ver, heel ver weg ging. Terwijl de ademhaling steeds korter werd en daar mede de benauwdheden toenamen, werden de banden, die aan deze wereld bonden, al losser. Soms was het, alsof het ievensuurwerk reeds stil stond, maar dan kwam er weer een lange zucht en begon 't angstig gezaag daar binnen opnieuw. Tot plotseling een smartelijke trek het anders zoo vredige gelaat vertrok en nog eenmaal een rilling het lichaam doorschokte........
Toen werd het stil. De gespannen spieren verslapten, — de zilveren koorde was ontketend, het rad aan de bornput was in stukken gestooten, en Gretske de freule was naar haar „eeuwig Huis" gegaan.
Eenigen tijd bleef het stil in het vertrek. De vrouwen wischten de tranen weg. Was dit sterven ? Zóó spoedig en zóó vredig ? Maar de prikkel was hier uit den dood weggenomen, omdat hij verslonden was tot overwinning.
En weer zei de dokter, zooals kort geleden in het huis, waar die jonge man met het pasgeboren leven eenzaam achter bleef, „'t is afgeloopen".
Bij Ka confereerden de buren. Men had den motor van den dokter gehoord en dat beteekende wat. Bovendien had de Goudvink de noodige inlichtingen gegeven. Dat had men zoo spoedig niet verwacht. Maar Gretske had er den laatsten tijd al erg vervallen uitgezien. En dat dit nu juist in de kermisweek gebeuren moest. Wel akelig, den dood zoó nabij te hebben, en dat, waar de pret van allen kant lokte, 't Was een beste vrouw geweest. Wat was zij altijd goed en bereid om iemand te helpen. Daar kon Ka van meepraten en de heele buurt. Allen, die haar noodig hadden. Nooit een verkeerd woord. Wel wat erg vroom, maar als een mensch hier weg moest, ging dat er toch maar mee door. Eigenlijk moest het met hen allen ook .anders, want het kwam zoo niet goed. 't Moest zóó kunnen : leven, gelijk zij deden, om dan te sterven, gelijk Gretske stierf. Dat de dominé nog niet geweest was ! Men had hier wel wat aan haar te danken. Lombok was geen Landbuurt geworden, als zij hier niet gewoond had. En wie men nu als buur kreeg. Want van zelf, er zou wel weer iemand anders klaar staan. Maar daar kwam niet spoedig een, die zoo gemakkelijk was als Gretske. Het speet Trui, dat zij haar zoo geplaagd had, maar de anderen hadden het ook even goed gedaan.
Als zij met elkaar eens een krans kochten om die op hare kist te leggen ? Zoo'n mooie, met een groene palmtak en dan een breed wit lint, waarop geschreven stond : „Uit hoogachting van de buren". Dit moest altijd wezen. De Goudvink zou het wel in orde maken, als elk mee deed. 't Was immers het laatste wat men aan de stakkerd kon doen".
En wie nu eens haar erfgenaam werd ! D'r waren nog wel een paar bloedverwanten, maar die hadden niet naar haar omgezien. Men zou vast een aardig spaarduitje bij haar vinden. De armmeester zou wel spoedig komen om op alles beslag te leggen en dan was het in goede handen. Ka zou graag haar leuningstoel hebben, en Trui vond het klokje zoo mooi, en de Scheele kon eigenlijk alles wel gebruiken, omdat een blind paard bij haar in huis geen kwaad kon doen.
Of Gretske ook van de arm voogdij begraven zou worden, en of zij allen ook genoodigd werden. Jammer voor die kermis ! Het gong niet best, om 's morgens begrafenis te houden en dan 's avonds in de bioscoop of de stoomcaroussel. Maar daar viel toch ook niets aan te veranderen. Gretske was dood en kwam niet weer, al was men nog zoo zedig, en het was maar eenmaal kermis in 't jaar. Daar kwam juist weer een nieuwe bezending vreemdelingen aan. Drie, vier groote wagens.! En wat een paarden ! Bepaald een circus. Was daar diezelfde zigeuner niet bij, wiens vrouw hier indertijd gestorven was, en die Gretske zoo verpleegd had ? Ja, dat was hij, en natuurlijk al lang weer een ander. Zoo ging het in de wereld : de eene zijn dood, is de andere zijn brood. Het beloofde anders wel een vroolijke jaarmarkt te worden.
Daar was de armmeester al. Van zelf, om alles door te zoeken, en de begrafenis. te regelen. Wat ging, als het een keer zóó ver was, alles griezelig vlug in zijn werk".
In dezen geest gingen de gesprekken bij Ka. Daarop zocht elk zijn woning weer op, alleen de oude buurvrouw bleef op den uitkijk, om zoo met een van een gunstige gelegenheid gebruik te maken, en onder betuiging van hare deelneming te vragen, of zij erfgenaam van de leuningstoel mocht worden, waar Gretske zoo lange jaren in gezeten had. Als zij nog sproken kon, zou zij zeker zeggen : „Die is voor oude Ka".
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 oktober 1935
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 oktober 1935
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's