KERKELIJKE RONDSCHOUW
DE HERVORMING
Of 31 October 1517, of wel 10 December 1520 eigenlijk de datum is van De Hervorming zullen we maar in 't midden laten. 31 October heeft in elk geval den stoot gegeven. Toen is de monnik Maarten Luther met z'n consciëntiekreet gekomen in de 95 stellingen, die hij, naar de gewoonte van den tijd, aansloeg aan de deur, en wel aan de deur van de Slotkerk te Wittenberg; vlak vóór 1 November, Allerheiligen-dag, als zoovélen ter kerke zouden gaan. Zijn gedachten aangaande het Evangelie, de Kerk, de Paus, de Aflaat, de biecht waren nu onder 't volk gekomen — zij 't voor een groot gedeelte onbewust van 't geen 't eigenlijk inhield en beteekende — en dat is onder Gods voorzienig bestel 't begin geworden van een nieuwen tijd ; van een algeheele wijziging in 't kerkelijk leven, maar ook heeft het een omkeering gebracht in 't leven der volkeren, op elk terrein des levens merkbaar. En sinds is een geheel verschillende geest en een geheel verschillend leven in de Roomsche landen 'en onder de Protestantsche volkeren gekomen, wat overal en ook nu aanstonds merkbaar is. Neem Schotland of Ierland ; Spanje of Nederland ; Italië of Zweden — ga door Duitschland en Frankrijk en België, reis naar Amerika en Indië en aanstonds is merkbaar een geheel verschillend leven in de Protestantsche-en bij de Roomsche landen, of daar waar het Roomsche geloof de overhand heeft of daar waar een Protestantsche bevolking wordt gevonden.
Het feit van de Hervorming is van wereldbeteekenis en heeft een radicale verandering gebracht voor héél 't leven. De tijd vóór 1517 en de eeuwen na 1517 verschillen gansch zeer.
Blijven we nu bij het feit van de Kerk hervorming, dan zijn de Roomschen gewoon te zeggen aan óns adres : „jullie hebben toen een nieuwe Kerk gesticht". Wij zouden dan de oude, echte, alléén zaligmakende Kei^k verlaten en verscheurd hebben en wij zouden toen iets nieuws hebben uitgedacht, iets dat nooit op aarde vertoond was en we zouden als nieuwlichters de menschen met iets nieuws in de war gebracht hebben.
Nu is daar, natuurlijk, niets, maar dan ook niets van waar.
De Roomsche Kerk, met Paus, Maria-en heiligenvereering, biecht, mis, aflaat, goede werken, enz. enz. is niet de aloude, ware Kerk, zooals die met de komst van onzen Heere Jezus Christus, na de uitstorting van den Heiligen Geest, door de prediking van de Apostelen en Evangelisten ontstaan is te Antiochië en Jeruzalem ; in Klein-Azië en in Europa. Dat was een andere Kerk dan de paapsche Kerk van 1517. De specifiek Roomsche leerstukken van de onfeilbaarheid van den Paus, de reliquieënvereering, de aanbidding der heiligen, de vereering van Maria als Koningin des hemels, de mis met de wezenlijke verandering van het brood in vleesch en van den wijn in bloed, de leer van het vagevuur, van den aflaat, van het kloosterleven, van de concilies, van de ontrechting der Gemeenten enz. enz. waren in geen velden of wegen te vinden in de eerste, oorspronkelijke, echte en ware Christelijke Kerk uit den tijd der Apostelen en martelaren. Maar die oude, echte, ware Kerk is in den loop der jaren gruwelijk misvormd, wat ten slotte uitliep in de Roomsche Kerk van Luthers dagen, toen niet meer naar het Woord Gods, de Heilige Schrift gepredikt werd, maar toen eens menschen woord tot leer der Kerk was gemaakt, onder het oppergezag en onder de oppermacht van den Paus met z'n leger van geestelijken, die door het sacrament van de priesterwijding een dubbele bovenmenschelijke gave hadden ontvangen n.l. de 'macht om de zonden te vergeven in de biecht (hij Rome een sacrament) en de macht om brood in vleesch en wijn in bloed te veranderen in de mis (waarbij Luther later sprak van de „broodgod" van Rome, waarvoor iedere Roomsche nóg z'n hoed afneemt als hij een Kerk passeert en er voor knielt als hij voor 't altaar komt!)
De Kerk had eigenmachtig een heel andere leer samengesteld, naast en boven het Woord van God met kerkelijke-pauselijke-macht bekleed. Het Woord Gods, de Heilige Schrift, werd op nonactiviteit gesteld, werd buiten gebruik gesteld — de leeken konden er toch niets, van begrijpen en zouden er maar door in de war raken ! — en de Roomsche kerkleer of de Traditie (als een onbeschreven Woord van God geacht, dat aan den Paus extra van den hemel was geopenbaard en hem, den onfeilbare, toebetrouwd !) was alles. In de Roomsche Kerk gold niet de vraag : is het naar Gods Woord, naar de Heilige Schrift ? Maar bij Rome was het altijd 't eerst en het laatst: is het overeenkomstig de Traditie, de Kerkleer, de Pauselijke ordeningen en voorschriften ?
Die tegen de Traditie, de Kerkleer zondigden begingen een doodzonde. Die niets van de Schrift wisten en in geheel andere wegen wandelden en de zaligheid bij een anderen Heiland zochten, die waren goed Roomsch en werden zalig geprezen.
Daarom werd Luther vervloekt en Tetzel kreeg een eereplaats.
De Roomsche Kerk is door 't geen in 1517 en volgende jaren (in 1520 verbrandde Luther de Pauselijke bul en zwoer daarmee het hoofd van de Roomsche Kerk af) gebeurd is, geschud geworden tot op haar grondvesten. Omdat de Heere weer met Zijn Woord kwam en de Geest Gods weer inleidde in de Waarheid der Schriften. En toen is de gedeformeerde of misvormde Kerk (de Roomsche of Pauselijke Kerk) weer gereformeerd of hervormd en is de aloude Christelijke Kerk weer te voorschijn gekomen door het terugkeeren naar de leer der Apostelen en Profeten. Toen is niet iets nieuws ontstaan of gefrabiceerd, 't welk nog nooit geweest was en door Luther was uitgedacht. Geenszins. Toen is teruggekomen het oude, het echte, het Apostolische, het Schriftuurlijke, dat van 't begin af aan geweest was, maar geheel verbasterd en misvormd of gedeformeerd was. De Hervorming of Reformatie heeft het oude, het echte, het oorspronkelijke weer terug gebracht. De oude Christelijke Kerk met de oude beproefde leer en de Schriftuurlijke Waarheid en het Evangelie des kruises werd uit het diensthuis van Rome bevrijd en verlost en uitgeleid en openbaarde zich weer gelijk het vroeger geweest was, met veroordeeling van het Evangelie dat naar den mensch is (vleeschelijke gerechtigheid in den weg der goede werken) en met verkondiging van het Evangelie des kruises (de rechtvaardiging des zondaars door Jezus Christus en door Hem alléén).
En hier ligt nu de roeping en de taak van de Kerk der Hervorming, van de Gereformeerde Kerk, die uit het diensthuis bevrijd is.
Rome zegt, dat de Hervorming bandeloosheid gebracht heeft. Dat de Protestanten zonder gezag zijn, geen autoriteit boven zich erkennen en doen en laten wat ze zelf willen, wat tot allerlei revolutie, gruwel en schande, ongeloof en onverschilligheid leidt. Rome heeft de scherpste verwijten aan 't adres van de Protestanten. De geestelijkheid is ontheiligd en wereldsch geworden. De Kerk staat open voor allerlei wind van leer. 't Volksleven heeft geen toesturende en bewarende macht meer in de Kerk, want daar is bij de Protestanten in de Kerk niemand, die maar te bevelen heeft, zooals bij Rome de Paus.
Nu is 't geen Rome aan 't adres van het Protestantisme zegt, niet waar. Want de Protestant — Luther en Calvijn verschillen hierin niet — heeft Gods Woord leeren kennen als bekleed met Goddelijk gezag, om bij alles te vragen : „Heere spreek, Uw dienstknecht hoort".
De Protestantsche Kerk — en we denken nu aan het Gereformeerd Protestantisme — erkent wel degelijk gezag ; want de Heere regeert en 's Heeren Woord is bron en autoriteit. Voor het Gereformeerd Protestantisme geldt het: „er staat geschreven" — en dat is het eind van alle tegenspraak, gelijk het Woord is een lamp voor den voet en een licht op ons pad. „In Uw licht zien we het licht" belijdt de geloovige Protestant voor Gods aangezicht. En ja — de Protestant, ook het Gereformeerd Protestantisme — heeft geen onfeilbare uitlegger in den Paus. Dat is waar. Maar dat is juist „de dood in de pot" bij Rome. Dat geeft wel, zoogenaamd, éénvormigheid voor allen. Allen brabbelen dezelfde gebeden ; alleen doet de een misschien 20 schietgebedjes achter elkaar en de ander doet er maar 10, waardoor de eerste veel hooger komt te staan dan de laatste. Bij Rome gaat 't alles langs den eenvormigen weg, men gaat naar de kerk, men knielt, men bidt, men slaat een kruis, men biecht, men vast (in plaats van vleesch eet men visch en inplaats van koffie drinkt men een kop waterchocolade !) en als men sterven gaat, wordt men „bediend". Alles kant en klaar.
Door het sacrament van den Doop krijgt men de genade, zooals een zieke, door het geneesmiddel in te nemen, aansterkt en beter wordt. Door het sacrament der stervenden (het laatste Oliesel) krijgt men de genade. En zoo is 't van den Doop tot het graf in orde. En in het vagevuur is hulp door missen-lezen en gebeden en geld van de levenden. Allen loopen in den tredmolen, waar de Priester zegt wat er gedaan moet worden, zonder dat er veel zielsontroering is; dan alleen wanneer deze of gene nog een heilig beven kent voor de heilige handelingen der Kerk ; maar ook dat blijft vormelijk en uitwendig.
De vrouw, die bediend is, vraagt of nu de kapper mag komen om haar kapsel nog eens extra onder handen te nemen, opdat ze netjes straks in den hemel bij Maria zal verschijnen, om door de Koningin des hemels ontvangen te worden (historisch).
Bij ons geen Paus, die het maar te zeggen heeft. Bij ons geen geestelijken, die 't maar vóór te schrijven hebben. Bij ons geen uitwendige plechtigheden, waarbij we leven en sterven. Bij ons geen...........
Laten we oppassen. De Heere heeft ons zulke groote en heerlijke voorrechten gegeven. Hij schonk ons Zijn Woord. Hij bracht ons weer het wondere, heerlijke Evangelie in Jezus Christus. Hij maakte ons weer bekend den weg der zaligheid in en door Zijn lieven Zoon. Hij wees ons weer den weg, waarin wij en onze kinderen zouden wandelen. De God van het genadeverbond kwam in den Verbonds-Middelaar Jezus Christus weer tot ons. Hij hervormde en vernieuwde Zijn Kerk weer en gaf haar een plaats in 't midden van ons volk, dat in en door de Reformatie zoo rijk gezegend is geworden.
Waar is nu die Hervormde, die Gereformeerde Kerk met het Woord des Heeren, met het Evangelie des Kruises, met de boodschap der zaligheid, met het volk dat vraagt : „Heere, spreek. Uw dienstknecht. Uw dienstmaagd hoort" ?
De groote voorrechten verplichten.
Zullen we ons op allerlei dool-en dwaalweg begeven ? Zullen we de reine prediking van Gods Woord, de rechte 'bediening der sacramenten, door Christus ingesteld, los laten en verwerpen ? Zullen we ons krommen onder de macht der afgoden van wetenschap, geld, doode vormen, hoogmoed, eigen gerechtigheid, menschenvrees, zonde en dwaasheid ?
Er zijn zoovele afgoden. Er zijn zoovele heiligenbeelden om voor te knielen. Er is zooveel eigenwillige godsdienst. Waarlijk niet alleen in de Roomsche Kerk !
De Heere heeft ons Zijn Woord gegeven. De Heere maakte ons weer bekend Zijn wonder heerlijk Evangelie van Zijn vrije genade, in Jezus Christus geopenbaard voor arme zondaren.
Wat zou 't heerlijk zijn wanneer we alle doode vormen en alle gruwelijke afgodsbeelden en alle menschelijke machtswellust en alle onheilige en ongerechtige dingen eens mochten verlaten om weder te keeren tot den Heere, de bron van alle licht en waarheid en leven, die in Jezus Christus onze God en onze Vader wil zijn.
En dan wil men ten opzichte van de Christelijke waarheid en de belijdenis der Kerk soms alles „in crisis" en „in Frage" stellen. Dat wu zeggen : men wil in zekere kringen (Zwitsersche theologie, Barth, dialectische theologie of hoe men 't noemen wil) alles met een vraagteeken aanduiden. Men zegt: dat we eigenlijk niets weten. Al ons weten is maar menschelijke hoogmoed ; 't zijn maar eigen opgeworpen verschansingen, waarachter wij ons vol eigenwaan en dwaas zelfvertrouwen versteken; en we zijn hardleersche menschen, we blijven onzen toren bouwen; 't is alles ons eigen werk, en 't groeit alles bij ons aan als een koraalrif.
Maar we moeten „in de crisis" komen met al ons „christelijk" weten en al ons „christelijk" doen ; onze zelfvoldaanheid moet weg ; we moeten leeren zeggen, dat we het niet weten en dat we het niet hebben en dat we het niet kunnen. Wie de geestelijke „crisis" kent, heeft geen heilige huisjes meer, die eigenzinnige en eigenwijze en eigengerechtige menschen er op na houden. Wat zijn onze „stelsels" en onze „methoden" en onze „belijdenissen" ? Wij zijn er nog al wijs mee. Maar de hooge God „lacht" er om. Onze „christelijke veiligheid" moet weg. Alles moet „in de crisis". Alles moet „in Frage". Wij weten niets. „Conserveeren" kunnen we voor de toekomst. Maar dat is niets; dat is waardeloos. Alles is futloos en pitloos en levenloos. We moeten „in de armoede" komen. Alles wat wij met „christelijk" betitelen en beplakken is „problematisch", is zeer twijfelachtig ; staat op losse schroeven ; is waardeloos ! Illusie en nihilisme is er. We verbeelden ons wat en we hebben niets. We moeten niet christelijk zelfvoldaan leven !
Zoo redeneert het Barthianisme, de dialectische theologie veelszins. 't Gaat om God, om Gods Woord — maar al 't onze is „christelijk gedoe", dat tot de „wereld" behoort; „wereldsch" gedoe. Ons „positief" christendom wordt een groot gevaar geacht, want 't is óns maaksel ; 't is „Welt", en 't is niet uit God. 't Moet alles „in crisis", in de smeltkroes en 't zal als schuim van onze schande openbaar worden.........
En ja, wee ons, als we ónze zaak tot Gods zaak gaan maken. Als we onze afgoden ronddragen en met kaarsen loopen voor ónze heiligenbeelden. Wee ons, als w i j 't weten en als wij 't willen doen ! Dat zal zeker als kaf verdwijnen ; als stroo en als stoppelen worden verbrand !
Maar — daarom laten we ons het profetisch Woord, dat zéér vast is, niet ontnemen!
ons positief christendom en al ons christelijk gelooven en ons christelijk belijden dat naar Gods Woord is, laten we ons niet rooven met de woorden „'t is alles schijnbeweging, 't is alles goddeloosheid ; 't is alles „Welt" ; 't is alles vleesch ; 't is alles Farizeïsme ; 't is alles hoogmoed, 't Is alles dwaasheid.
Wij hebben het profetisch Woord, dat zéér vast is. En Paulus prijst Timotheüs gelukkig, dat hij van kind af in de Schriften onderwezen is. Die Schriften zijn het, die ons voor allerlei dwaling 'kunnen bewaren en voor allerlei verwarring. Daarom zegt de Heiland : „Onderzoekt de Schriften" (Joh. 5 vers 39 ; 2 Tim. 3 vers 15 enz.).
„Wij gelooven, dat deze Heilige Schrift den wil Gods volkomen bevat en dat al hetgeen de mensch schuldig is te gelooven om zalig te worden, daarin genoegzaam geleerd wordt". Art. 7 Ned. Geloofsbelijdenis. ..De getuigenis des HEE REN" (onze Bonds-God) „is gewis, den eenvoudigen wijsheid gevend". „Uw Woord is een lamp voor mijnen voet en een licht voor mijn pad". (Psalm 119 vers 8 en vers 105).
Niet „het geloof der gemeente", niet „de ervaring" der vromen, niet het „inwendig licht" van de geestdrijvers. „Tot de Wet en de Getuigenis", zegt de Heere (Jes:8 : 20 ; Joh. 10 : 34b). En het getuigenis des Heeren in Zijn Woord, in de Schriften, heeft de Kerk des Heeren van alle eeuwen te erkennen, om daarbij te leven, om alzoo te gelooven en alzoo te belijden en alzoo te wandelen en alzoo te arbeiden.
Jer. 8 vers 9 : „De wijzen zijn beschaamd, verschrikt en gevangen ; zie, zij hebben des HEEREN Woord verworpen, wat wijsheid zouden zij dan hebben ? " (Psalm 119 vers 105 ; Gal. 6 vers 16).
En de Heiland zegt: „Vader, Ik dank U, dat Gij het voor de wijzen en verstandigen verborgen hebt en het den kinderkens geopenbaard".
Dat dit kinderlijk geloof door den Heiligen Geest, naar de Schriften, ons deel mag zijn.
Dat is de schat van Christus' Kerk van alle tijden.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 oktober 1935
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 oktober 1935
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's