HET VERBOND GODS MET DEN MENSCH
Het onderwerp, hierboven aangegeven, is zeker om zich zelfs wille een bespreking waard.
Daarnaast moet echter een bepaalde reden genoemd worden, door welke wij gedrongen werden om thans dit onderwerp ter sprake te brengen.
De laatste tijd is telkens van verschillende zijde over dit onderwerp geschreven en daarbij bleek, dat er onder de Gereformeerde gezindheid — deze historische naam vat allen samen, die de belijdenis der Drie Formulieren onderschrijven, afgezien van de kerkelijke scheidslijnen — lang geen eenstemmigheid ten opzichte van dit leerstuk bestaat.
Eenerzijds blijkt het verschil samen te gaan met kerkelijke scheidslijnen, maar anderzijds blijkt, dat men zelfs in de Kerk onder zonen van hetzelfde huis gansch verschillend, over het verbond en zijn beteekenis oordeelt. In verband daarmede is het mede voor ons Gereformeerden in de Hervormde Kerk, wenschelijk over de aanhangige kwesties na te denken en positie in dezen in te nemen.
Om deze artikelenreeks niet al te groot te doen worden en tevens actueel te blijven, leek het mij het beste niet over het Verbond op zich zelf te handelen, maar het onderwerp onmiddellijk aan te grijpen daar, waar de geschilpunten tot openbaring komen en dat wel in verband met een tweetal publicaties uit de laatste dagen.
De eerste is een dogmen-historische studie van ds. N. Diemer te Vijf huizen, uitgegeven door de bekende firma Kok te Kampen. De titel luidt : Het scheppingsverbond met Adam (het veilbond der werken) bij de theologen der 16e, 17e en 18e eeuw in Zwitserland, Duitschland, Nederland en Engeland.
Door de Vereeniging van Predikanten van de Gereformeerde Kerken in Nederland werd in 1932 een prijsvraag uitgeschreven, waarbij een verhandeling gevraagd werd over de leer van het werkverbond bij de Nederlandsche en Engelsche (Schotsche) theologen in de 17e en 18e eeuw. Op die prijsvraag is blijkens het voorbericht een antwoord ingekomen, dat door de voor de beoordeeling benoemde jury een eervolle vermelding werd waardig gekeurd. Dit is de bovengenoemde uitgaaf, al is een en ander iets omgewerkt en bijgewerkt.
Zonder twijfel hebben wij hier te doen met een van de belangrijkste dogmen-historische studies, die de laatste tijd het licht hebben gezien. Wij verblijden er ons ten zeerste in, dat deze studie is uitgegeven, omdat wij 'met dr. Berkouwer gelooven, dat zij waard was gelezen te worden en geschikt om de besprekingen over het Verbond te stimuleeren. Vooral die laatste woorden zouden wij willen onderstrepen. Het theologisch gesprek over het Verbond is nog slechts in den aanvang en deze dogmen-historische studie is bij uitstek geschikt om te laten zien, v/elke belangrijke kwesties hier aan de orde komen.
Aan deze studie ligt een ontzaglijk werk ten grondslag, gelijk dat meestal met dogmen-historische studies het geval is. Want daarin onderscheidt zich een dogmen-historische studie van een dogmatische studie, dat men een groot aantal schrijvers uit het verleden moet naslaan, die men voor een dogmatische studie betrekkelijk negeeren kan. Immers bij zulk een studie gaat het er om niet alleen een zeker aantal schrijvers ten opzichte van zijn onderwerp geraadpleegd te hebben, maar bovenal de lijn der ontwikkeling, die een bepaalde gedachte doorloopen heeft, na te speuren en aan te wijzen. Men. moet het gevondene met elkander vergelijken, nagaan in welken zin een schrijver zijn gedachten ten opzichte van het onderwerp aan voorgangers heeft ontleend, dan wel tot een nieuwe of oorspronkelijke formuleering van 'het onderwerp komt, om vervolgens met een bepaalde maatstaf in de hand te besluiten, of van een gezonde dan wel een ongezonde ontwikkeling mag worden gesproken.
Wie dit in het oog houdt, zal moeten erkennen, dat ds. Diemer een uitgebreid historisch onderzoek heeft moeten instellen voor zijn studie, zoodat ook van onze zijde een woord van waardeering voor dit veelomvattend werk niet achterwege mag blijven, al moeten wij er onmiddellijk aan toevoegen, dat wij die waardeering niet kunnen hebben voor de maatstaf, waarmede hij de theologische ontwikkeling ten opzichte van dit onderwerp in de verloopen eeuwen gemeten heeft.
Een kort overzicht van den inhoud dezer studie moge hier volgen.
Na een inleiding, waarin de schrijver reeds bij voorbaat zijn kijk op de theologische ontwikkeling weergeeft, wordt in het eerste hoofdstuk het zuiver Gereformeerde standpunt behandeld, zooals dat door Bullinger en Calvijn in hun werken wordt voorgestaan. Als getrouwe volgelingen van hen worden genoemd Ursinus en Polanus, Gomarus, de lersche artikelen en James Ussher, de opsteller dier lersche artikelen.
Het hoofdstuk eindigt met deze woorden : »Wij hebben in de 17e en 18e eeuw geen theoloog ontmoet, die zoo zuiver de lijn van Bullinger en Calvijn weergaf als Ussher.
„In Engeland wordt het voorgoed eerst verzwakt en daarna ingeruild voor een opvatting, die humanisme en calvinisme verbindt. In Nederland wordt het in de 18e eeuw weer zwak hersteld.
„Drie eeuwen lang is dit zuiver Gereformeerde standpunt verdonkerd en in de 20e eeuw (eind 19e eeuw) weer door dr. A. Kuyper uit 't stof „opgehaald*.
Het tweede hoofdstuk handelt over het humaistisch foederalisme, dat is de verbondsgedachte, zooals die door een humanistische strooming in de hervorming is aangegrepen, mede ter verdediging van haar doeleinden. Melanchton wordt als de vader van deze humanistische verbondsgedachte aangewezen, waarna Musculus en Szegedin, Gellius Snecanus, Cornells Wiggertz en Vriesius besproken worden als vertegenwoordigers van deze geestesstrooming.
Het derde hoofdstuk draagt tot titel: Het Gereformeerde standpunt verzwakt.
Het inleidende woord luidt aldus : »In het begin der 17e eeuw komt er plotseling overal een „verandering in de opvatting aangaande de oprichting van dit verbond. De organische verbondsbeschouwing van Bullinger en Calvijn maakt plaats voor de mechanische. Het verbond wordt een aanvulling van de schepping naar Gods beeld, waarmede dit pas goed tot zijn recht komt. Deze mechanische verbondsbeschouwing blijft overheerschend tot aan het eind der 19e eeuw, toen dr. A. Kuyper Sr. weer tot Bullinger „en Calvijn terugkeerde".
Achtereenvolgens worden nu behandeld de Herborner School, Franciscus Junius c.s. en de reeds bovengenoemde Ussher in zijn tweede afwijkende periode.
Het vierde hoofdstuk handelt over: Het Gereformeerde standpunt verlaten.
Na eerst enkele Duitsche theologen te hebben besproken, keert de schrijver zich tot Nederland. In het bizonder wordt een bespreking gewijd aan Cloppenburg, Coccejus, Witsius en J. van den Honert. Zeer uitvoerig wordt aangegeven, wat zij hebben geleerd in verband met ons onderwerp. Ofschoon zij onderling vaak zeer verschillen, acht de schrijver toch, dat allen hierin een zijn, dat zij gepoogd hebben humanisme en calvinisme met elkander te vereenigen.
In het vijfde hoofdstuk keert de schrijver zich naar Engeland, maar de titel: Het Gereformeerde standpunt in Engeland in een slop geraakt, doet reeds zien, dat ook daar volgens den schrijver de gezonde ontwikkeling van dit leerstuk is verloren gegaan. Hoofdzakelijk wordt hier de 'bespreking gewijd aan de bekende Westminster Synode van 1647 met zijn kleine en groote Catechismus en zijn Confessie. Comrie was een bewonderaar van deze Confessie en zooals men weet, meent ook ds. Kersten het best de rechte weg te houden door zich immer weer op deze Confessie te beroepen, die de dingen veel uitvoeriger bespreekt dan onze Ned. Geloofsbelijdenis. Men heeft dan trouwens reeds een eeuw van belangrijke theologische ontwikkeling achter den rug.
Ook deze Westminster Synode komt er bij ds. Diemer niet best af. Zij is eveneens een voorstandster van wat hij de mechanische verbondsbeschouwlng noemt. De invloed van deze Synode is in Engeland zoó groot geweest, dat men volgens den schrijver daar nooit weer toenadering tot het standpunt van Bullinger en Calvijn heeft gezien.
In het zesde hoofdstuk. Aanvankelijk herstel, wijst de schrijver op enkele theologen uit de 18e eeuw in ons vaderland, die weer toenadering schijnen te toonen tot de organische verbondsbeschouwing, onder wie de voornaamste W. a Brakel, a Marck en Rotterdam zijn geweest. Als daarna in de 19e eeuw en in deze eeuw de belangstelling in dit leerstuk weer ontwaakt, volgt dr. H. Bavinck volgens schrijver de theologen der 17e en 18e eeuw, maar dr. A. Kuyper Sr. gaat terug op Bullinger en Calvijn.
In een Eindconclusie wordt tenslotte nog eens een overzicht gegeven over het geheel der ontwikkeling van de verbondsgedachte en in enkele stellingen de juiste opvatting weergegeven.
Zooals wij reeds gezegd hebben, kunnen wij ons met de maatstaf, die de schrijver aanlegt, niet vereenigen en hopen wij in enkele artikelen onze bezwaren daartegen te ontvouwen. De beteekenis van een juiste beschouwing van het verbond, vóór den val is daarin gelegen, dat de beschouwing van het verbond, die hierin wordt voorgedragen, in de beschouwing van het genadeverbond weerkeert.
Een tweede aanleiding om over dit onderwerp te schrijven, vond ik in een mededeeling van ds. Kersten in „De Saambinder", waarin hij in verband met een persbeschouwing over de verbondsbeschouwing van ds. de Blois nog eens releveert, wat de Generale Synode der Geref. Gemeenten in 1931, gehouden te Rotterdam, ten opzichte van het genadeverbond heeft vastgesteld. Met algemeene stemmen heeft die Synode het volgende aangenomen en wij achten het gewenscht om het in het geheel onze lezers voor te leggen :
a. dat het verbond der genade staat onder de beheersching van de uitverkiezing tot zaligheid, dat het wezen des Verbonds daarom alleen geldt den uitverkoornen Gods en nooit gelden kan het natuurlijk zaad. Dat aard en wezen van het Verbond der Verlossing en het Verbond der Genade één zijn en niet twee. In wezen is het één Verbond;
b. dat de Heilige Schrift slechts spreekt van twee Verbonden in betrekking tot des menschen eeuwigen staat, n.l. het Verbond der Werken en het Verbond der Genade ;
c. dat wat het wezen des Verbonds betreft de H. Schrift alleen spreekt van twee Hoofden : Adam, hoofd van het Verbond der Werken, Christus, Hoofd van het Verbond der Genade, volgens Rom. 5 : 12—19; 1 Cor. 15 : 22, enz.;
d. dat een Verbond in zijn wezen twee partijen kent; dat gelijk God met Adam, als het vertegenwoordigend hoofd van al zijn zaad, het Verbond der Werken heeft opgericht, alzoo met Christus, als het vertegenwoordigend Hoofd van al de zijnen, het Verbond der Genade, terwijl het subjectief wordt opgericht met de uitverkoornen, als zij door wedergeboorte en geloof in den tijd in dat Verbond worden ingelijfd;
e. dat het Verbond der Genade van God een bediening heeft ontvangen, een openbaringsvorm, die wisselde en die meerderen omvat dan de uitverkorenen Gods. Deze laatsten echter alleen zijn wezenlijk in het Verbond begrepen ;
f. dat de verantwoordelijkheid van elk mensch wortelt in de schepping. Geschapen naar Gods beeld, eischt God van den gevallen mensch zijn beeld terug. En is verantwoordelijkheid is grooter, naarmate God met hem bemoeienissen maakt. In het .bizonder wordt die verantwoordelijkheid grooter door de ernstige aanbieding van Christus en de Verbonds-weldaden in het Evangelie, als blijkt uit vele plaatsen, als Ezech. 33 : 11, 2 Cor. 5 : 20, Matth. 23 : 37, Lukas 10 : 13—15; Joh. 3 : 36 ; 5 : 40 ; Openb. 22 : 17, enz.
Zonder hier direct op den inhoud van deze artikelen in te gaan, willen wij er even den nadruk op vestigen van hoe groote beteekenis deze artikelen, afgezien van den inhoud, enkel door hun bestaan zijn.
Van de zijde van ds. Kersten wordt er dikwijls de nadruk op gelegd, dat de Geref. Kerken in Artikel 36 van de Ned. Geloofsbelijdenis enkele woorden tusschen haakjes hebben gezet, geschrapt, zooals het in den regel luidt. Ongetwijfeld is dit geen gelukkige greep geweest en formeel gezien was het zeker juister geweest, zooals ook dr. Colijn schrijft in Saevis tranquillus in undis, dat men een verklarende toelichting aan de artikelen had toegevoegd. Maar gelijk de Geref. Kerken toen geoordeeld hebben, dat zij in zulk een mate de Geref. Kerk van ons vaderland vertegenwoordigden, dat zij gemachtigd waren, afgezien van de Gereformeerde gezindheid buiten de grenzen hunner Kerk, de aloude belijdenis dier Kerk in een bepaald onderdeel te herzien, zoo hebben de Geref. Gemeenten blijkbaar ook geoordeeld zoozeer die Geref. Kerk dezer landen met haar Drie Formulieren van Eenigheid te vertegenwoordigen, dat zij geoordeeld hebben aan die belijdenis enkele verklarende artikelen ten opzichte van een bepaald leerstuk te mogen toevoegen.
Op de bekende Dordtsche Synode van 1618/1619 heeft men voor het vaststellen van de belijdenis in den strijd met de Remonstranten ook de buitenlandsche kerken opgeroepen, opdat alle willekeur zou uitgesloten zijn en er overeenkomst in de belijdenis mocht wezen tusschen alls kerken van het Gereformeerd Protestantisme.
Zelfs heeft men op die Synode tal van hoogleeraren gehad, prijs stellende op hun theologische voorlichting.
De Synode der Geref. Gemeenten heeft deze weg waarschijnlijk niet kunnen volgen, maar de vraag is dan toch gepast, of een dergelijke verklaring, die met een belijdenis gelijk staat, niet meer van overmoed dan van moed getuigt. Zonder de vragen, die hier aan de orde komen, rijpelijk overdacht te hebben, heeft men feitelijk een verklaring samengesteld, die zoo ongeveer weergeeft, wat er ten dezen aan verbondsbeschouwing in den kring der Geref. Gemeenten leeft.
Een poging om het subjectivisme, dat in de Geref. Gemeenten welig tiert, evenals bij de Gereformeerde richting in de Hervormde Kerk, te overwinnen, zal men dan ook tevergeefs in deze verklaring zoeken.
De onderlinge verschillen in de Gereformeerde gezindheid onzer dagen zijn zeer groot en de kerkelijke verscheurdheid belet, dat men tot een eensgezinde oplossing komt.
Och, dat Israels verlossing uit Sion kwame.
O. a/d IJ.
Woelderink
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 november 1935
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 november 1935
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's