VAN DEN WOORDE GODS
UIT HET ONGESCHREVEN WOORD
Genesis 8:1. En God gedacht aan Noach en aan al het gedierte en aan al het vee, dat met hem in de ark was. En God deed eenen wind over de aarde doorgaan en de wateren werden stil.
5e Serie.
II.
De vloed had honderd en vijftig dagen de overhand boven de aarde. Gedurende alle deze dagen dobberde de ark op de wateren, werd zij met de stroomen her-en derwaarts gevoerd. Voor Noach en de zijnen waren dit niet slechts bange, maar ook lange dagen. Zeker, de ark stond onder de hoede des Heeren en Noach heeft dat door het geloof verstaan. De Hebreënbrief leert het ons, dat Noach geworden is een erfgenaam der rechtvaardigheid, die naar het geloof is. Doch Gods kinderen ervaren het en de Schrift leert het ook, dat het leven des geloofs niet steeds op hetzelfde kracht-peil staat. Gods kinderen hebben ook een strijd op aarde. En In dien strijd liggen zij ook wel eens onder, zoodat de bede om geloof, om vermeerdering des geloofs opgaat. Er zijn dagen, waarop zij wandelen in het licht en waarin het hun ook in donkere en droeve omstandigheden goed is, omdat het goed is nabij God te zijn. Doch die zelfde David, die zeggen kon, dat zijne ziel stü tot God was en die er zich op beroemde: „van Hem is mijn heil", heeft ook gesmeekt uit de diepte zijner nooden : „Hoor, o God ! mijne stem in mijn geklag, behoed mijn leven voor des vijands schrik". Het feit, dat een kind van God gelooft, sluit niet uit, dat hij ook dagen van benauwdheid kennen kan. Het is met het leven der ziel hij Gods kinderen als met de zee. Wanneer de stormwind machtig aanblaast, dan worden de wateren geweldig bewogen. Doch hoewel op de watervlakte dan de golven bruisen en schuimen, is er in de diepte toch de ongeroerde stilte. Zoo kan er in de diepte der zielen van Gods kinderen de stilte heerschen, ook al worden zij geschud en bewogen door hetgeen er van hunne levensomstandigheden aan beroering uitgaat. In den grond huns harten kan er de rust des geloofs zijn, terwijl zij geslingerd worden en worstelen en strijden en de beroering de vreeze wekt, die zich met den geloofsgrond, dien God door Zijne wederbarende genade gelegd heeft in den bodem van hun zielsbestaan, niet verdraagt. Denk maar aan dien man in Marcus 9, wiens zoon een stommen geest had, die tot de discipelen zeide, dat zij dezen zouden uitwerpen, en zij konden niet. Wat de discipelen niet konden, vermocht de Heere Jezus. Maar het is merkwaardig, als Hij het zou vermogen, dan moest er bij dien vader geloof zijn. Daarom zegt de Heere Jezus : „Zoo gij kunt gelooven, dan zal het mogelijk zijn. Alle dingen zijn mogelijk dengenen, die gelooft". En dan komt het paradoxale in het leven van Gods kinderen, want die man zegt: „Ik geloof, Heere ! kom mijne ongeloovigheid te hulp". Daar laat Gods Woord ons zien dat verscholen kan liggen diep in de ziel, verborgen onder vreeze en nijpend noodgevoel, het waarachtig geloof, terwijl de levensomstandigheden het zoó kunnen onderdrukken, dat de klacht opgaat: „kom mijne ongeloovigheid te hulp". En zoo is het nu ook geweest met Noach in dè ark. Door het geloof had hij zekerheid aangaande zijne redding, maar daardoor was niet uitgesloten, dat, hij wel donkere dagen, dagen van angst en vreeze en dus van ongeloovigheid kennen kon. Hoe veilig hij ook in die ark zat, hij werd er toch wel in geslingerd en geschud. En hij had het er dus ook niet altijd even ruim. En uit den tekst blijkt het, dat Noach inderdaad ook in de ark het wel eens zeer moeilijk had, dat hij over de wateren dobberde, terwijl vreeze zijn hart vervulde. Daarom staat er : „En God gedacht aan Noach".
Dat zou er zoo niet staan, als Noach altijd zekerheid des geloofs had gesmaakt, nimmer vreeze en donkerheid had gekend. Immers, Gods vriendelijk aangezicht geeft vroolijkheid en licht. En als hij dit steeds gesmaakt had, dan was hij altijd bij den Heere geweest en had hij het getuigenis van des Heeren nabijheid zonder ophouden gehoord. Dan had Noach gedurende zijne zwerftochten over de wateren altijd aan den Heere gedacht en zou het hem altijd klaar voor oogen hebben gestaan, dat God de Heere aan hem dacht. Doch de Schrift leert het anders. Zij stelt het ons zoó voor, dat het voor dien Noach op de wateren van den vloed wel geweest is, alsof (hij alleen was, alsof de Heere niet was. En daartegenover nu zegt ons Gods Woord : „En God gedacht aan Noach". Het ging hem als David in Psalm 139 : „Indien ik zeide : De duisternis zal mij immers bedekken, dan is de nacht een licht om mij". Maar die duisternis daalde wel met al hare verschrikking, doch zij had niet het laatste woord. De Heere brak met Zijn licht door. En zoo staat er hier geschreven, dat Hij aan Noach gedacht.
Dat staat er niet, alsof die ark met haren inhoud ook maar ooit één oogenblik buiten Gods voorzienig oog rond dreef. Dat zij verre, want de Heere leert Zijn volk bidden : „Bewaar mij als het zwart des oogappels, verberg mij onder de schaduw Uwer vleugelen". En dat doet Hij ook. Maar dat beteekent niet, dat zij dit altijd weten, dat hun gebed terstond gehoor erlangt. De Heere handelt wonderlijk met de zijnen. Zij zeggen soms, gelijk er van Jacob geschreven staat: „Waarom zegt gij dan, o Jacob! en spreekt, o Israël! mijn weg is voor den Heere verborgen en mijn recht gaat van mijnen God voorbij ? " Er zijn in hun leven tijden, waarin de Heere hen schijnt voorbij te gaan. Vooral in donkere tijden, als er nergens redding daagt, als zij geen uitweg meer zien, als het gebed opgaat, maar de hemel gesloten blijft, naar zij meenen, dan komt de vreeze op, dat de Heere hen niet ziet, niet hoort. En dan is er de druk van het ongeloof en.van het klein-geloof, als ware des Heeren hand verkort.
En het was, hoe schoon ook de Heere hem Zijne getrouwheid getoond had, voor Noach toch een weg tot redding, die ging langs den afgrond des doods, toen hij daar op de wateren her-en derwaarts rondzwalkte en de dagen elkander opvolgden in eentonigheid, terwijl slechts de hemel boven hem en de watervlakte om hem kon worden aanschouwd. Hoe lang deze vloed zou duren, dat was hem niet bekend. En rustte hij in de belofte Gods, er zullen ook bij hem oogenblkken geweest zijn, waarop de klacht opwelde uit zijne ziel: hoe lang nog, Heere ! En zooals later jaren Mozes, de man Gods, gebeden heeft: „Keer weder. Heere ! tot hoe lang ? ", zoo zal ook Noach dagen doorleefd hebben, waarop uit de ark der redding het gebed opsteeg om verlost te mogen worden en weder het goede te zien in de landen der levenden. Omdat Noach zulk een strijd kende, daarom staat er hier geschreven: „En God gedacht aan Noach en aan al het gedierte en aan al het vee, dat met hem in de ark was". Daaruit blijkt het duidelijk, dat de duur van den vloed lang was, zoó lang, dat Noach de vraag voelde opkomen: wanneer zal het einde daar zijn ? Honderd en vijftig dagen hadden de wateren reeds de overhand, en toen gedacht God aan Noach, aan die ark der redding en aan al wat daarin was. Niet omdat Hij haar uit het oog verloren had, niet omdat Zijne kinderen worden vergeten of voorbijgezien of op den achtergrond worden gedrongen in Gods wetenschap, want zij staan van eeuwigheid voor Zijn goddelijk oog. Doch omdat Zijne kinderen, wanneer zij door den lijdensweg worden geleid, niet verstaan, wie zij in het eeuwige licht Zijner goddelijke liefde zijn. De Heere gedacht aan Noach, opdat zijn geloof niet langer zou worden .beproefd, zijne hope niet langer zou worden uitgesteld. Daarom wordt ons Gods werken voorgesteld onder het beeld van hetgeen er met ons geschiedt, wanneer wij opstaan, zooals de verloren zoon opstond en zeide: „Ik zal tot mijn vader gaan". Die zoon gedacht toen in dien oogenblik aan den Heere, omdat de Heere aan hem gedacht in de diepte zijner ellende. Daar is in zulk een gedenken Gods eene verhooring des gebeds, een daad der genade, de vervulling Zijner belofte. Daarom bad de moordenaar aan het kruis : „Hetere, gedenk mijner, als Gij in uw Koninkrijk zult gekomen zijn". En dan geeft de Heere de belofte en verzegelt haar aan die zondaarsziel. Hij antwoordt niet: „Ik zal u gedenken", maar Hij gaat veel verder, zegt dezen zondaar de .beloofde zaak terstond toe in deze woorden : „Voorwaar zeg Ik u : heden zult gij met Mij in het paradijs zijn". Dat had de moordenaar niet gevraagd, maar de Heere geeft hem de zaak in de verzegelde belofte. En zoo heeft nu ook de Heere, nadat de vloed honderd en vijftig dagen over de aarde had geheerscht, aan Noach gedacht en aan al wat in de ank was en dat gedenken zet zich nu terstond om in de genade-daad zelve. De ure der verlossing was gekomen en de belofte werd vervuld, die in het genadeverbond, met Noach bij den aanvang van den bouw der ark gesloten, was gegrond. Die verbonds-belofte, eerst door en in het geloof aanvaard, had de Heere nu werkelijkheid doen worden, dus haar vervuld. Hij gedacht aan Noach, en daarom de vloed zou een einde hebben en de beloofde redding zou aan Zijn knecht nu in volkomenheid te beurt vallen. Het woord Gods, dat Noach geloofd had, zou nu eene daad Gods .blijken. En daarin juist onderscheidt .zich Gods woord van dat der menschen. Het woord des menschen is vaak niet meer dan een klank, terwijl Gods woorden altijd daden zijn. Dat geldt van Zijne dreiging en vloek, maar het geldt evenzeer van Zijne toezegging. Gods belofte is Gods genadedaad. En zoo ook was het nu. God gedacht aan Noach en dat openbaart Hij in de daad, want „God deed eenen wind over de aarde doorgaan en de wateren werden stil".
Dat was de daad, die in het gedenken opgesloten lag. God gebiedt, dat over de aarde een wind als de ademtocht des levens ruischen zal over de wateren. En zooals het ook hier te lande gekend wordt, wanneer de Oostenwind waait, dan worden de wateren stil, omdat zij dalen. Ook nu de zondvloed zijn werk heeft gedaan, doet God de wateren dalen door den wind, dien Hij zendt. Daarin wordt ons duidelijk, hoe geheel anders Gods Woord de natuur waardeert dan wij. Westerlingen, thans de gewoonte hebben. De Schrift laat ons de natuur niet in de eerste plaats zien als een oorzakelijk samenhangend geheel, waarin de verschijnselen worden bepaald door andere verschijnselen, die noodzakelijke gevolgen met zich (brengen, maar als de werkplaats Gods. Zij ontsluit onze oogen voor den laatsten grond, die de wezenlijke oorzaak is van al wat geschiedt. De moderne mensch klimt op de ladder der oorzaken, maar hij kan niet zien, waarop deze ladder rust. Hij blijft staan met wat is, doch nadert niet tot het waarom. Zoo wordt het weerbericht geboren, dat ons den vermoedelijken loop verkondigt van wind en wolken, van warmte en koude, van droogte en vocht. Doch van het waarom dezer zegt het ons niets. Het teekent ons de groote lijnen, waarbinnen zich de verschijnselen groepeeren, maar van de laatste oorzaken spreekt het niet en kan het ook niet spreken, omdat deze liggen buiten het bereik onzer zintuigen, ook buiten de grenzen van het menschelijk weten. Doch daarover ontsluit nu Gods Geest het licht hl Zijn Woord door het ons te verkondigen, dat God de winden uitzendt, opdat zij ook Zijn wil volbrengen zullen. En zoo gaan zij hier over de aarde en doen zij de wateren dalen op Gods bevel. Hij gebiedt en het staat er, gelijk Hij spreekt en het is er. En ondanks alle moderne wetenschap en hetgeen zij op grond van den samenhang van oorzaken en gevolgen weet en weten kan, blijft daarom onaangetast de zekerheid, door de Kerk beleden in het 13e artikel onzer Confessie : „wij gelooven, dat God Zijne schepselen niet heeft laten varen, noch den gevalle ofte fortuyne overgegeven, maar stiert en regeert ze alzoo naar zijnen heiligen wil, dat in deze wereld niets geschiedt zonder Zijne ordinantie". Zoo was het in Noach's dagen met het dalen der wateren, gelijk als met hun opkomen. Zij dienden Gods Raad. En zoo is het ondanks alle wetenschap der menschen nog. Als Hij het werkt, wie zal het keeren ?
Dat leert de ervaring met name in dezen tijd van crisisleed, waarvoor alle wetenschap der menschen blijft stil staan en wat de wijzen als wijsheid verkondigen, wordt weldra door de werkelijkheid volkomen weggeredeneerd. Ten laatste is de Heere God en niemand meer, en blijkt het, zelfs in dezen hoog verlichten modernen tijd, dat Hij Zijne eer aan geen ander geeft en dat Hij de wijsheid der wijzen te niet maakt. God de Heere deed de winden opkomen, die de wateren stille maakten, zoodat zij daalden. En Hij deed het om te toonen, dat Hij aan Noach gedacht, dat Hij zijne kinderen niet vergeet, maar als de getrouwe Ontfermer de zijnen uitredt uit de diepten hunner nooden, opdat zij zullen verkondigen den lof des Heeren, die niet toelaat, dat Zijne heiligen de verderving zien.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 november 1935
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 november 1935
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's