GRETSKE „DE FREULE"
Een levenstragedie
Bovendien moest hier niet vergeten worden dat juist deze groote liefdedaad van de overledene, waaruit haar hart zoo sprak, onder den zegen Gods het begin kon zijn van een arbeid, welke in de toekomst ver strekkende gevolgen kon hebben. Als anderen slechts haar voorbeeld wilden volgen.
't Einde der bespreking werd, dat boer Grondsma, na zijn collega's te hebben gehoord, met den dokter en den dominé nader hierover zou spreken, 't Kwam evenwel alles zoo onverwacht en hij mocht graag eerst over de dingen na denken vóór een besluit te nemen. Op den begrafenisdag kon men dan wel nader afspreken, want dat hij en zijn vrouw aan Gretske mede de laatste eer gingen bewijzen, sprak van zelf.
Zoo kwam de begrafenis. Reeds vroeg in den morgen was het te zien, dat er op „Landbuurt" iets bijzonders te gebeuren stond. Oude Ka had vóór tienen het oorijzertje al op, evenals wanneer zij naar het postkantoor ging om haar „pensioentje" te halen, maar nu was het toch iets anders. Want het bruine „pakje" was verwisseld met een zwarte japon, van een goede kennis even geleend, die zich wel niet zoo passend sloot om 't oude lijf, maar dan toch eenige stemming gaf aan de komende gebeurtenis.
Ook de andere buurvrouwtjes waren vroeger dan ooit met hun huiswerk gereed en hadden eveneens gezorgd voor een rouwkleed. Zelfs de Bultenaar en de Goudvink waren uit hun gewone doen, omdat ook zij niet wilden achterblijven in het toonen hunner belangstelling. Alleen de orgeldraaier zou moeten ontbreken, omdat hij van de politie „permissie" gekregen had te draaien gedurende de kermis, dank zij de mooie muziek, die hij had aangeschaft en een handvol geld had gekost.
Ver vóór het aangegeven uur kwamen een paar bloedverwanten opdagen, wien het de armvoogden gelukt was bericht te doen toekomen van het overlijden, en die de reis naar hier ondernomen hadden, in de hoop dat er iets te halen was. Dat hen dit te pas zou komen, bleek duidelijk aan hunne kleeding.
„Kom maar in, menschen" — zei Ka, toen de vreemdelingen bedeesd en verlegen bij de huizen opkeken, niet wetende waar precies te moeten zijn. „Jullie komt zeker om Gretske te begraven ? Een beste vrouw, aan welke wij hier zooveer verliezen. Och, wij hielden allen zooveel van haar. En goed of zij was ! Altijd voor een ander klaar. Maar wij hebben ook haar bijgestaan, zooveel wij konden, en ik heb vooral veel voor haar afgeloopen. Den laatsten avond van haar leven ben ik naar de apotheek gedraafd om de medicijnen te halen, en daar was de stakkerd zoo dankbaar voor. Ik hield zooveel van Gretske". „Is zij lang ziek geweest ? " — vroeg een der mannen.
„Och heden neen, stumperd. Zij was met de negotie het veld in en heeft toen een zonnesteek gekregen en toen hebben zij haar op een wagen thuis gebracht en toen is zij den volgenden morgen al overleden. Wij wisten niet wat wij hoorden. Als wij het geweten hadden, zouden wij zéker de familie bericht hebben gedaan". „En wordt zij nu van de armvoogdij begraven ? " — vroeg een ander, om meteen poolshoogte te nemen.
„Wel neen, menschen, dat is ook niet noodig. Gretsike zat er flink bij. Hoeveel zij bezat weet ik natuurlijk niet, en de armmeester heeft aanstonds den sleutel van het huis meegenomen, toen alles was afgeloopen, maar daar zal zeker een aardig sommetje geld zijn. En dan hare korven, vol van allerlei. Oök alles eigendom. En dan hare mooie meubeltjes, 'k Heb al gezegd : Ik hoop maar dat de familie mij goedgunstig gezind Is en wat om mij denken wil. De armstoel, waar Gretske altijd in zat, zou ik zoo graag hebben".
Nu, dat zou wel geen bezwaar worden, dachten de verwanten. Als het ten minste aan hen stond, maar het kon odk wel wezen, dat zij niets te zeggen hadden en even arm weg gingen als zij gekomen waren.
„Nog een bakje koffie? " — vroeg Ka, al blij met het vooruitzicht op den begeerden stoel. „Graag, als de vrouw nog eentje heeft".
Ondertusschen konden de andere buurtjes het nauwelijks hebben, dat Ka de familie van Gretske bij zich had ingehaald. Wie wist wat daar bekonkeld werd, en zoo duurde het niet lang of Trui en de Scheele waren ook van de partij. Thans werd het een uitmeten der groote deugden van de overledene, met wie allen altijd in de beste harmonie geleefd hadden en voor wie elk zich beijverd had om haar het leven te veraangenamen. Daarom had men ook zoo'n mooie krans op de kist gelegd — de familie moet straks maar eens goed opletten. „Uit hoogachting ; van de buren" stond er op geschilderd, en die ging van zelf mee naar het graf. Eigenlijk moest die later in zoo'n mooie blikken doos met glazen deksel gelegd worden, omdat zij anders zoo spoedig leelijk werd, maar dat kostte al veel. Of het moest wezen, dat de faimilie dat nu eens deed.
Maar de familie beloofde niet veel. „Eerst maar eens afwachten hoe de dag ten einde liep" — dacht men.
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 november 1935
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 november 1935
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's