De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

DE CATECHISATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

DE CATECHISATIE

13 minuten leestijd

II.
De stof hebben we dus.
De Schrift, de leer der Kerk, de geschiedenis der Kerk.
Een belangrijke vraag, wanneer we het over 't voorgaande eens zijn, nu de belangrijkste vraag is : in welke vorm, naar welke methode brengen we deze stof het best tot onze leerlingen. Niemand zal ontkennen, dat we vooral op dit gebied met vele moeilijkheden hebben te worstelen. Een massa klachten vinden juist hier onderdak. Want, als we de stof nagaan, dan schrikken we van de hoeveelheid ; en als we de uren nagaan, voor catechetisch onderwijs bestemd, dan schrikken we van het geringe aantal; letten we op den catecheet, dan zeggen we : een dominee moet ook maar alles kunnen, nu ook al omgaan met kinderen en jongeren; denken we aan de catechisanten zelf, dan denken we aan de groote moeite die we ons vaak moeten getroosten om de gedachten er wat bij te houden. Om dan vaak over catechisatielokaal en leermiddelen nog maar niet te spreken. Hoewel we nu toch hopelijk de tijd wel voorbij zullen zijn, dat men geen ander leermiddel heeft dan een scheur in de muur, die de Jordaan kon voorstellen ; aldus een antwoord in een gehouden enquête over het godsdienstonderwijs (zie dr. Ter Haar's proefschrift).
Wanneer ik hier spreek over de methode, dan wil ik dat in broeden zin opvatten en daarbij ook betrekken wat voor de bepaling der methode van belang is.
't Is waar, dat we in het geloof hebben te arbeiden, 't Is waar, dat we de kinderen aan hebben te zien in het licht van Gods verbond ; 't is waar, dat het van ontzaglijk veel belang is, ons daar goed in te verdiepen — maar dat wil toch niet zeggen, dat nu alles vrijwel van zelf loopt en er practisch een gebaande weg voor ons ligt. Hier kunnen en moeten we ons wel degelijk door psychologie en paedagogiek laten helpen, goed verstaan dan onder de vroeger gemaakte reserve. We doen dit trouwens allemaal. Dat wordt ons duidelijk, wanneer we de meer genoemde rede van prof. Hoekstra doornemen.
In drieërlei opzicht is dan de psychologie de catechese van dienst.
Teneerste bij de bepaling van de leeftijdsgrens.
Vanzelf spreken hier doel en stof der catechese ook mee. Maar 't is om meer dan één reden noodig zoo vroeg mogelijk te beginnen. Het doopsformulier spreekt over : wanneer zij tot hun verstand zullen gekomen zijn. Ik meen, dat dan niet alleen de ouders, maar ook de Kerk haar arbeid moet beginnen.
In de tweede plaats is dit uitstekend voor het contact tusschen den predikant en de jongeren. Vervreemding ontstaat, wanneer we de jongens en meisjes zoo ongeveer op 13—14-jarige leeftijd pas in de catechisatie ontmoeten.
Bovendien, en dat is de derde reden om de aanvangsgrens niet telaat te stellen, is dat de leeftijd, 14 jaar ongeveer, dat de jeugd in een tijdperk komt, waarin ze waarlijk niet het meest van deze stof der catechisatie moet hebben.
Hier krijgen we dus de vraag, wanneer we hebben te beginnen. Zijn er velen van ons, die met 6—7-jarige kinderen beginnen ? Ik meen van niet. Principieel gedacht, is dat toch het meest juiste. Waarom komt daar dan niet veel van terecht ? Een van de redenen is zeker het aanvoeren van de School met de Bijbel. We zeggen dan: de kinderen krijgen al onderricht. Daar staan we voor dat door elkaar halen van School en Kerk. Dat beslist ontoelaatbaar door elkaar halen. In de tweede plaats dit : er is veel voor te zeggen, op 9-of 10-jarige leeftijd te beginnen. De kinderen hebben dan een jaar of drie de school bezocht. Kunnen wat lezen, weten van de Bijbel wat af, waardoor het onderwijs der Kerk, dat slechts enkele uren gegeven wordt, vruchtdragender kan zijn. Ik geloof, dat hier wel wat vóór te zeggen valt. En toch geschiedt ook dit nog weinig. Waarom is dat zoo ? Ook weer verwarring tusschen School en Kerk. Maar ook en laat ik dat mogen onderstrepen : gebrek aan eenheid.
In de eene gemeente is het gewoonte, in de andere niet.
Zooals de toestanden in de gemeente, waar men komt, zijn, zoo worden ze dan meestal zonder verandering aanvaard. Men kan toch ook niet altijd aan het veranderen blijven. En wat, als een opvolger niet zoo vroeg wil beginnen, maar later ? Dan is alles maar weer tijdelijk geweest. Gebrek aan éénheid, aan een vaste lijn, doet hier veel schade.
De conclusie, die hier getrokken moet worden om misstanden weg te krijgen, is deze : Er moet in onze gemeenten, er moet dus bij ons, voorgangers, éénheid zijn in de leeftijd, waarop we met de kinderen gaan catechiseeren ; dat werkt opbouwend ; of men dan 7 jaar stelt of 9 of 10, daar valt over te praten, maar éénheid.
De vraag tot hoe lang, is wat gemakkelijker. 20, 21, 22 jaar. Langer hebben we onze catechisanten niet vaak. Dan doen ze belijdenis, of verdwijnen.
Calvijn, a Lasco, Kuyper, waren voor een veel vroeger jaar. 14, 15, 16 jaar.
Met prof. Hoekstra meenen we, dat dit niet aanbevelenswaardig is.
Kennis is dan nog gering. In de moeilijkste jaren is men dan zonder geestelijke leiding.
In de tweede plaats is de psychologie van beteekenis voor de indeeling der catechisatie. Deze moet dus niet geschieden naar de positie der ouders, ook niet te ver weg loopen met begaafdheid en ontwikkeling. De Kerk is tenslotte geen onderwijsinstituut. Hoofddoel is nooit een grootere quantiteit van kennis alleen. Alleen bij uiterste noodzaak tot dergelijke splitsingen overgaan. Als maatgevend aanvaarden we alleen de leeftijd. Van 7 of 9—12; 13—16 ; van 16 of 17—20 enz. Bij de grootere catechisaties van 13, 14de jaar af ook splitsing naar s e x e. Hierbij .behoef ik niet langer stil te staan.
Heeft men grootere catechisaties, dan verdient het aanbeveling te splitsen de catechisatie van 16 jaar en ouder in een van 16, 17, 18 jaar en ouder. Waarover straks nog iets naders.
In de derde plaats heeft de psychologie beteekenis voor de methodiek. Het bestek dezer lezing laat vanzelf niet toe, hierop uitvoerig in te gaan. Voldoende lectuur is hierover te vinden, 'k Mag volstaan m.et de hoofdpunten naar voren te schuiven. Het onderwijs moet zich richten op het kennen, het willen en het gevoelen onzer leerlingen. Vooral geen eenzijdigheid.
De voorschoolperiode kunnen we nu gevoegelijk laten rusten. We nemen dan de 7—14-jarige leeftijd. Groote gebeurtenis is het naar school gaan.
Eerste jaren nog oppervlakkig, oncritisch, gemakkelijk afgeleid, opmerkzaamheid niet groot. Het geheugen begint zich te ontwikkelen en wordt voortdurend geoefend. Is echter nog niet zoo trouw. Later ontwikkelt het denken zich vrij sterk. Onvolkomen definities kunnen worden gegeven. Er wordt graag gepraat. De vragen, hoe dit of dat in elkaar zit, waarom iemand dit of dat doet. Bij het wilsleven geschieden de handelingen minder instinctief. Het kind treedt, wat bij het spel sterk spreekt, graag zelf op de voorgrond. Gevoelsleven is bij de meisjes sterker dan bij de jongens. In deze tijd een sterk egoïstische trek. Met betrekking tot het godsdienstige is de kindertijd de tijd van afhankelijkheid en receptiviteit. Er moet inhoud komen. De leeftijd van 7-14 is zoo belangrijk, omdat zich dan ook op godsdienstig en kerkelijk gebied vele gewoonten vormen en aandoeningen versterkt worden. Dit In verband met de z.g.n. navolgingsdrift. Het zelfstandigheidsproces gaat door.
Denkbeelden en begrippen zijn er nog niet veel. De fantasie is vrij sterk. Daarom is het kind meer op het aanschouwelijke aangelegd.
Vanaf het 14de jaar en enkele jaren daaraanvolgende, is er een zeer sterke ontwikkeling van alle krachten onzer jongens en meisjes. Een sterk geheugen. Er begint zich eenig abstractie vermogen te openbaren. Men neemt niet alles gewoon meer over. De knaap wordt zachtjes aan wat critisch. Autoriteit van de ander wordt spoedig verworpen.
In verband daarmee is eenvoudige argumentatie noodig. Men heeft deze tijd wel genoemd de tijd van de scherpe tegenstellingen.
Kohnstamm : Sterk ontwikkeld zelfgevoel en groote behoefte aan aansluiting. Geslotenheid en behoefte aan meedeeling. Wantrouwen tegen alle invloed van ouderen en heldenvereering, die leiding critiekloos aanvaardt. We kunnen dat nagaan. Ook in verband met het sterker Ontwikkelend wilsleven brengt men de jongeren maar niet zoo maar onder een hen opgelegd gezag, van leeraar of dominee. Vandaar de orde quaestie vooral op deze leeftijd, waardoor menig catechisatieuur meer een kwelling dan een genoegen schijnt te zijn. De jongens trachten op hun manier den leeraar, ook den dominee er onder te krijgen. Medelijden is verre te zoeken. Aan den anderen kant begint het hier al te komen, dat men zich iemand tot voorbeeld kiest of zich ten leider stelt, die men door dik en dun wil volgen. Eenerzijds begint het zelfstandigheidsgevoel iets meer te werken, anderzijds is er de sociale drift, die zich uit in het zich aansluiten bij een club, een vereeniging, die dan als eigen kring, eigen gesloten lering wordt beschouwd. Gevoelsleven in dezen tijd fel bewogen. Nu komt openbaar wie trouw zijn in alles, ook in catechisiatiebezoek, omdat het hart naar deze dingen uitgaat. Verder zijn er die nog komen, omdat vader en moeder het willen. Later verdwijnen ze in de meeste gevallen. Dan zijn er tenslotte, die veel beloofden. Die op 14-, 15-, 16-jari.ge leeftijd niets als afkeer blijken te bezitten. Maar zie, op 20-, 21-jarige leeftijd komt de belangstelling weer boven. In deze jaren uiten de jongens zich niet zoo sterk. Toch komen er langzamerhand vragen over wat ze niet begrijpen. Ook uit die vragen kan opgemaakt worden, dat ze een gistingsproces doormaken. Het zelfstandig worden is nog in het eerste begin. Op deze leeftijd kunnen de meisjes ook zeer lastig zijn. Uiten zich daarbij anders dan de jongens. Uitdenken van plagerijen, gnuiven van pret als er iets voorvalt. Onttrekken zich op slinksche wijze aan het gezag. Gevoelsleven sterk ontwikkeld.
Van het 16e jaar af zet de ontwikkeling tot zelfstandige persoonlijkheid zich door. Nieuwe voorstellingen worden gemakkelijk geassimileerd. Sterk geheugen. Kunnen goed uit het hoofd leeren. Abstraheerend verstand werkt sterker. Er komt inzicht. Men wil alles logisch beredeneeren. De consequenties worden geëischt. Geen practische kennis. Daarom alles en allen becritiseerd. Behalve zichzelf. Bij een meisje overheerscht ook hier de emotionaliteit. Neemt fijn waar. Op deze leeftijd laat men zich geen meening opdringen. Men wil buigen voor autoriteit, die men zichzelf kiest. Jongelui sluiten zich aan bij vereenigingen, die verzet prediken. Meisjes willen de baas spelen. Zelfgevoel groeit. Men meent bergen te kunnen verzetten. Als er dan iets mislukt komt de „depressie". Vandaar zelfmoordgedachten en 't bekende jeugdpessimisme. In deze jaren valt wel de vorming van de persoonlijkheid. Wanneer we de jongelui gadeslaan, merken we tevens vaak een geweldige ijver voor Kerk en vereeniging. „God op alle terrein des levens Koning", dat wordt de leus van het leven. Verder is er vanzelf de strijd en de moeite.
Want wie zelfstandig wordt, schikt zich niet zoo maar in het bestaande en voegt zich niet maar vanzelf in het kerkelijk gemeenschappelijk leven in. Vandaar veel twijfel en veel vragen. Verschillende dogmata kunnen moeilijk worden aanvaard, b.v. de praedestinatie. Gevoel van verkeerdheid kan groot zijn. Vooral bij sexueele afwijkingen, gezien bij het licht der wet. Daardoor angst, verteerd worden door vrees voor dood en oordeel.
Hiermee hebben we rekening te houden bij ons catechetisch onderwijs. Er moet aansluiting zijn bij de gedachtenkring der leerlingen. Bij wat ze weten. Dat wil dus voor de practijk zeggen, dat dat we de omgeving, vooral het gezin onzer catechisanten moeten kennen. In een gemeente die in wijken is verdeeld hebbe dus zoo mogelijk ieder predikant de catechisanten alleen uit eigen wijk. Bij de jongere catechisanten vooral van 7—14 jaar aanschouwelijk onderricht geven. Geen redeneeringen, maar beeld en voorbeeld. Laat alles zien als van vleesch en bloed. Geen overlading. De eerste fundamentalia van Voetius hier naar voren brengen. Op de volgende catechisatie van 14—16 jaar kan 't onderwijs wat anders worden ingericht. Meer plaats voor bespreking, uitleg en argumentatie.
Nu is het vooral de tijd om uit het hoofd te laten leeren.
Zet zich nog voort op de oudere catechisatie. Hier kan het meest behandeld, besproken worden. Vooral hier moet goed worden aangetoond, dat we Gods openbaring niet kunnen leeren, maar dat wij moeten gelooven. Dat wij Gods Woord niet als een gewoon hoek moeten zien te begrijpen.
Daar moet voortdurend op worden gewezen. In verband met het zich niet schikken onder 't gezag, onder de autoriteit volsta men niet, net ais op kinderleeftijd met te noemen Gods wil, Gods bevel. Maar men dringe dat aan met sterke motieven. Laat goed zien hoe God in Israël alles liet beheerschen niet door cultuur of wat dan ook, maar door de Verbondsliefde, de Verbondsgave en de Verbondsgehoorzaamheid. Laat zien dat de geboden goed zijn. Dat God recht op ons heeft en dat tegelijkertijd daar ook eigen zaligheid mee verbonden is. Met ; betrekking tot het uit het hoofd leeren merkt prof. Waterink op, naar aanleiding van gedane onderzoekingen dat van het 19de jaar af hier sterke tegenzin kan bestaan en dat het opzeggen ook, zelfs bij de beste leerlingen nogal slecht gaat. Dit komt omdat de persoonlijkheid meer gevormd wordt en de catechisatie meer zaak des harten ; kan gaan worden. Letterlijk leeren heeft toch altijd iets machinaals. Van het 18de tot het 19de jaar gaat het verantwoordelijkheidsgevoel nog een jaar in de gewone richting door, maar dan breekt de weinige interesse deze ban door. Wanneer men onderwijs geeft moet men daar rekening mee houden. Mijn practijk althans bevestigt deze opmerking van prof. Waterink wel. De jongeren tot 18 jaar leeren dan meer van buiten en de ouderen moeten meer letten op wat verklaard en overdacht kan worden. Zoo mogelijk is splitsing aan te bevelen boven het 16de jaar. Van 16 tot 18'/2, van 18 1/2 tot ouder. Mijn ervaringen in dit opzicht zijn uitnemend. Een catechisatie van 16, 17, 18 jarigen is een genot en daarboven is het heelemaal een kostelijk uur. Helaas dat omstandigheden deze splitsing niet altijd gedoogen. Hieruit volgt dat voor de ouderen een vragenboek ongeschikt moet worden geacht. Vanwege de éénheid, is het dan wellicht beter ook voor de jongeren geen vragenboek te hebben (boven de 16 jaar) in de gewone zin des woords.
Vooral de middelste catechisatie houden voor het uit het hoofd leeren.
Lange antwoorden en ongelukkige zinconstructies moeten zooveel mogelijk worden weggewerkt.
Wat nu de nieuwere paedagogische stroomingen betreft, kan er op gewezen worden dat meer aandacht wordt besteed aan het individu en dat vooral het zelf doen op de voorgrond treedt. In dr. Ter Haar's proefschrift kan men zich van deze strooming in binnen-en buitenland op de hoogte stellen. Een overzicht daarvan te geven, worde me dus gespaard. Men zie b.v. ook Nieuwe Geschiedenis, der Paedagogiek, door P. v.. Duyvendak en J. B. Visser. Voor ons land mag ik volstaan met te wijzen op Jan Ligthart, die hiermee speciaal begon. En dan op het navolgen van wat men in het buitenland had. Denk aan de Montessori scholen en het Dalton onderwijs. Voorts mogen we noemen het persoonlijkheidsonderwijs van den heer Groenewegen te Amsterdam. De leerling actief, de onderwijzer passief. De Pallas Athene school te Amersfoort met zijn zelfopvoeding van het kind. Dit heeft zijn invloed doen gelden op godsdienstonderwijs en catechisatie.
Men denke voor Godsdienstonderwijs maar eens aan de Westhill Zondagsscholen en voor de catechisatie aan de wijze, waarop dr. Ter Haar zijn uur met de jongens ombrengt. Terecht wordt dit genoemd de individueele werkmethode.
Eerst heeft hij een korte tijd van vertellen en dan begint ieder catechisant aan zijn schriftelijk werk. Ieder heeft zijn aparte taak. Deze kan thuis worden afgemaakt.

Hoogeveen
J. Vermaas

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 november 1935

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

DE CATECHISATIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 november 1935

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's