MEDITATIE
En Paulus staande in het midden van den Areopagus, zeide : Gij mannen van Athene, ik bemerk dat gij alleszins gelijk als godsdienstiger zijt; want de stad doorgaande en aanschouwende uw heiligdommen, heb ik ook een altaar gevonden op hetwelk een oipschrift stond : Een onbekenden God. Dezen dan. Dien gij niet kennende dient, verkondig ik ulieden. Handelingen 17 vers 22—23.
1. Godsdienst, die tekort is. 2. Godsdienst met een onbekenden God. 3. Bethlehem, de vervulling dier twee tekorten. Geachte Lezers !
Er is veel godsdienst op de wereld, wat niets geen wonder is. Gods kracht is overal, net als de zon. Zooals de blindste mensch iets gewaar wordt van de kracht der zon, zoo wordt ieder mensch iets gewaar van een hoogere macht. Doch wat zou een blindgeboorne weten te vertellen van de zon, als hij haar nooit gezien heeft en als een ander hem nooit de waarheid er over heeft verteld ? Hij zou niets anders weten te vertellen dan dat er Iets was dat op bepaalde tijden en plaatsen, niet eens altijd en niet eens overal, warmte afgaf. Evenveel weet een mensch van zichzelve van God te vertellen.
Toch moet ik hier nog iets bij zeggen. Er is geen zonbesef in een mensch, wèl een Godsbesef.
Dat Godsbesef, gepaard met het besef van onze nood, is de sterke wortel van den godsdienst.
Wat moeten wij echter van veel godsdienst denken ?
Naar onzen tekst moeten wij denken dat van veel en veler godsdienst geldt: hij is tekort. Er is verschil tusschen godsdienst en godsdienst! Die heele afgodendienst, die Paulus in Athene zag, wekte zijn toorn en zijn medelijden. Het was allemaal tekort. Het was eigengemaakte godsdienst, waarbij het voornaamste hleef liggen. Wat mankeerde er aan heel die heidensche godsdienst ?
1. Zij zochten met hun offeranden en plechtigheden aardsch geluk, niet den eenen, waren, levenden God. Dien kenden zij niet eens. Zij brachten als offers : schapen en runderen, terwijl Gods offers zijn een gansch verbroken geest, door schuldbesef getroffen en verslagen.
Er was veel godsdienst in Athene, doch het voornaamste ontbrak er aan : de rechte kennis van zichzelf en van God.
Mag ik het maar direct overbrengen ? Er is veel godsdienst in ons midden, maar het voornaamste ontbreekt er aan : de rechte kennis van onszelf en van God. Het levende ontbreekt er aan.
Veler godsdienst heeft een tekort voor de eeuwigheid. Het is een verheugend verschijnsel, dat een mensch niet graag goddeloos wil heeten. Velen zeggen : ik geloof nog wel. Maar zij brengen van hun geloof niets in beoefening. De doop hunner kinderen is het laatste dat overblijft van openlijke en openbare Gods vereering. Voor zichzelf meenen zij heelemaal niet godsdienstloos te zijn. 't Zal toch tekort wezen voor de eeuwigheid. In het openbaar kiezen zij de zijde der verachters van den openbaren godsdienst. Hun spreken en denken en handelen is meer zonder, dan onder God. Het beetje Godserkenning, het beetje bidden en danken, het beetje bijbellezen misschien, is tekort.
2. Sommige anderen beoefenen hun godsdienst als zij er zin in hebben. Zij gaan niet naar de kerk voor de menschen, zeggen ze. Zij doen het ook niet zoó maar. Neen, neen. Het is zeer opmerkelijk, dat veel menschen zooveel goede kanten ontdekken in zichzelf, dat zij uitsteken boven anderen. Hoe is het met dezen ? De levende God is niet in hun leven. Zij zijn zelf baas. Daarom is bij hen de trouw in de openbare Godsvereering zoo ver te zoeken. Ik meen ook dit opgemerkt te hebben, dat: hoe minder een mensch Gods Woord hoort en verstaat, des te hooger staat hij bij zichzelf, en des te minder buigt hij onder den eisch Gods, die vraagt om algeheele omkeering.
Uit de ontrouw van deze, tilt hun volgen van hun eigen zin en wil, kan men en kunnen zij ook zelf gemakkelijk besluiten dat hun godsdienst tekort zal wezen voor de eeuwigheid, tekort bij God.
3. Er is niet weinig godsdienst uit sleur. Bidden en danken uit sleur, zonder eenig gevoel van nood en zonder eenig gevoel van waarachtige dankbaarheid. Bijbellezen zonder aandacht. Kerk gaan zonder werkelijke belangstelling. Hoeveel wel niet ? Hoe is de sleur een pantser geworden. Men zet zich al niet meer tot luisteren. Men wenscht niet anders dan sleur, want men wenscht onberoerd door te leven. Sleur is een groote vijand. Het is gevaarlijk voor een mensch zelf èn gevaarlijk voor zijn omgeving. Sleur is besmettelijk. Des te erger, omdat het gevaar er van niet gevoeld wordt. De grootste trouw helpt er niet tegen. Laat deze mensch zich beroemen dat hij nooit zijn plaats ledig gelaten heeft in de kerk, het was alles uit de dood en brengt niet verder dan de dood. Het is erg en het is heelemaal tekort voor God.
4. Anderen zijn zeer godsdienstig, maar alleen des Zondags. Godsdienst en leven zijn geheel van elkander gescheiden. Eenigsizins komt deze scheiding bij allen voor. Maar het verschil blijft dan nog in de mate en in het gevoel dat men er van heeft. Het Christendom is goed, maar het gedrag der christenmenschen wekt soms afkeer. Trouwe kerkgang gaat soms gepaard met gierigheid of hardvochtigheid tegenover anderen. Bij een ander vindt men : Zondags bidden en door de week vloeken. Vóór in de kerk zitten en zijn werkvolk slecht behandelen of onbetrouwbaar en bedriegelijk zijn in den handel of lui en onnauwkeurig in zijn werk.
Vele malen komt het voor, dat de betrokkene heimelijk schik heeft in zijn wandaden. Nog eens: iets daarvan komt bij de beste voor, maar sommigen maken het heel bar. Ook kan men vaak met bespeuren dat men eenig gevoel heeft van die tegenstelling tusschen geloof en leven Die mogen denken aan Jacobus : „Het geloof zonder de werken is dood". De trouwste godsdienst, zonder beleving door de week, doet meer schade dan voordeel. Het is tekort voor God.
5. De godsdienst van anderen zit niet dieper dan het hoofd. Paulus mocht van ons ook wel zeggen : Gij mannen en vrouwen, die De Waarheidsvriend leest, ik bemerk dat gij alleszins meer dan godsdienstiger zijt.
Best, maar hoe diep zit het ? Dan kan het wel eens gebeuren dat men de stand van zaken bevindt als op een bevroren grond, die iets ontdooid is. Bovenop zeer zacht, doch als men iets dieper graaft koud en hard. Bij sommigen zit de godsdienst in het hoofd. Dat brengt mee, dat er heel veel over gepraat kan worden, misschien zelfs wel heel juist. Maar bevroren grond, zelfs al is deze half ontdooid, is geen grond waar men wat in zaaien kan. Dat kan een luidruchtige godsdienst zijn, zelfs een gevoelige, maar het is toch tekort. Het is wel eens moeilijk om van dat tekort te overtuigen. Eenerzijds is zoo iemand aangenamer mensch dan een bot onverschillige. Er is kennis, er is gevoel, er is ijver, er is verstand, maar het hart, het leven, het echte dat is er niet. Inderdaad is het onkruid, en alzoo zal het in den jongsten dag veroordeeld worden, tenzij deze bodem nog eens heelemaal goede grond worde. Dit alles is nog tekort voor God.
6. Anderen hebben een godsdienst, waaraan niets ontbreekt, behalve dat zij geen verbroken menschen zijn. Het is soms in uiterlijke dingen een zeer nauwgezette godsdienst, verbonden met eenige zelfverheffing boven anderen. Het kan gepaard gaan met een ijver voor Gods wet en Gods eer, naar eigen uitlegging, toegepast bovenal op anderen. Het is een vroomheid soms, waar de Farizeërs jaloersch op zouden zijn geweest, maar één ding ontbreekt: verbrokenheid. Het is moeilijk om het zoó te zeggen, dat allen die er onder hooren, ook werkelijk hun beeld, er in geteekend vinden. Maar hoe nauwgezet ook, hoe ijverig, hoe strijdend voor een oude of een nieuwe waarheid, hoe vol vuur tegen anderen, hoe beminnelijk, het is tekort voor God, maar wie van dezulken heeft daar last van ?
'Godsdienst, die tekort is, zij is er veel. Dan moet gij maar eens uw oor te luisteren leggen bij hen, in wier hart de Geest des Heeren Zijn werk begonnen is. Zij gevoelen en weten, dat al wat ik u noemde, werkelijk een doode godsdienst is. Doch meenen zij eerst wel iets te zijn, als de ontdekking verder gaat, leeren zij het tekort zijn in hun eigen godsdienstig leven. Hen behoef ik het niet te zeggen : zij zeggen het zichzelf. Ontdekking en overtuiging en bewerking des Geestes, en vertroostingen en benauwdheid en bidden en zoeken en praten en gevoelen, alles tekort, alles tekort. Ik kan er niet mee voor God bestaan. Alles wat ik gedaan heb tekort, alles met zonde, alles veroordeeld, alles laat schuld over. Dan wordt het tekort nijpend, gebrek. Ik kom den Heere Jezus tekort, zeggen ze. O, dat tekort. Veel godsdienst, veel werkzaamheden, veel gebed, veel licht, veel onderwijzing, veel hijgen en dorsten naar God, veel gemis, veel gevoel, maar tekort. Ik kom Christus tekort. Die kan zich nergens mee troosten hoor, echt niet. Ik kom den Heere Jezus tekort en daar helpt al mijn godsdienst mij niet overheen. Want deze weet, dat de vijgebladeren voor God niet bedekken.
Er is daar in Athene niet alleen veel godsdienst met een tekort, maar ook godsdienst met een onbekenden God.
„Aanschouwende uw heiligdommen, heb ik ook een altaar gevonden op hetwelk een opschrift stond : den onbekenden God".
Zou ik te veel zeggen als ik het zoo uitdruk : De meesten onzer dienen een onbekenden Gold. Daar kan veel vroomheid in een menschenleven zijn, en toch een onbekenden God. Wanneer de voetballer-doopvader, de sleurgodsdienstige, die kerkganger als het hem eens zint, de Zondagsvrome, de hoofd-en mondchristen, de ijveraar zonder verbroken hart, als zij God kenden, zooals de engelen in den hemel of zooals de duivelen, zij zouden sidderen of jubelen. Als wij God kenden, wel, lieve vrienden, dan was de heele wereld ineens anders.
Wij hebben van nature godsdienst met een onbekenden God. Hoe komt dat ? Dat is de erfenis uit het paradijs ! Daar zijn we blind geworden. Daar zijn we verduisterd' in ons verstand, wat God betreft. Al onze natuurlijke godsdienst is maar een zoeken en tasten. Wij zijn het gezicht op God kwijt. Allemaal! Niet éen uitgezonderd. Naar onzen aard, het gezicht op God kwijt. En al wat de Heere ons openbaart in Zijn Woord is niet genoeg om ons Hem weer te doen kennen.
Wanneer wij probeeren om het Woord Gods levend en duidelijk te maken, dan is er meer dan één die het niet begrijpt. Hoe komt dat ? Dat komt door de twijfel. Niet begrijpen, is zoo heel dikwijls niet gelooven. Er zit een zee van twijfel in veel harten. Zou dit uit den Bijbel wel waar zijn, en dat, en dat ? Een zee van twijfel ten opzichte van God en de onsterfelijkheid der ziel en het eeuwig oordeel. Twijfel en voor waar houden liggen naast elkaar. Daardoor blijft God onbekend, omdat hetgeen Hij van zichzelf openbaart, niet wordt geloofd. Waardoor is die twijfel zoo sterk ? Door wereldzin. Dat wat een mensch kan zien, dat trekt hem. Hij weet van binnen wel beter, maar een gulden blinkt zoo en de lusten trekken zoo. Doe daar maar eens wat tegen. Is het wonder, dat een mensch twijfelt. Zou hij alles moeten loslaten en opgeven om God ? Dat kan toch immers niet. Hoe meer de wereld een mensch in beslag neemt, hoe moeilijker het is om in God: te gelooven. Het moet er maar om gaan : God alles èn de wereld alles. Datzelfde geldt van de kracht der zonde. Hoe liever een mensch de zonde heeft, hoe onbekender God wordt. Hij meent tenslotte niets meer te gelooven. Het is niet waar, maar het kwaad, de lust in het kwaad, is te sterk. Gelooven in God is te lastig. Zou het eigenlijk wel waar wezen, zegt het vleesch.
Deze dingen liggen bij den een veel duidelijker dan bij den ander. Maar heimelijke twijfel en ongeloof is er meer dan openbare. Deze twijfel zat zelfs In Asaf.
Psalm 73 : 6. (Slot volgt).
Zegveld.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 november 1935
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 november 1935
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's