De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

VAN DEN WOORDE GODS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

VAN DEN WOORDE GODS

UIT HET ONGESCHREVEN WOORD

10 minuten leestijd

Genesis 8 : 5 en 6. En de wateren waren gaande en afnemende tot de tiende maand; in de tiende maand, op den eersten der maand, werden de toppen der bergen gezien. En het geschiedde ten einde van veertig dagen, dat Noach het venster der ark, die hij gemaakt had, opendeed.

5e Serie.
Zoo was dus de landstreek: Ararat zetel geworden voor de ark. Schijnbaar doelloos, stuurloos, een speelbal van de golven, had zij gedobberd over de eindelooze watervlakte, waarop niets te speuren viel, dat op een ondergrond wees en herinnerde aan de bewoonde wereld, waarin Noach eenmaal had verkeerd. Geen boomtop en geen bergkruin, noch minder het dak eener menschelijke woning getuigde van den landbodem, die nu nog wel overstroomd, straks weder voorheen hem wel bekende oorden en landouwen zou vertoonen.
Zoover het oog reikte, was er niets dan water, ook al voelde Noach, dat de ark niet meer voortdreef, daar zij een steunpunt had ontvangen. En nu laat ons de Schrift zien, hoe langzaam, allengskens de wateren daalden. „De wateren waren gaande", waardoor ons wordt voorgesteld de procesmatige val van het water, dat geregeld, altijd meer daalde, zonder dat er stilstand in die daling kwam. Daarom vertaalde dan ook Prof. Böhl aldus : „Het water nam gestadig meer en meer af". En dat liep alzoo door tot de tiende maand. Van den zeventienden dag in de zevende maand, den dag, waarop de ark zich vastzette, tot die tiende maand, duurde deze val. Dus twee en een halve maand hadden die wateren noodig om zoover te dalen, dat de toppen der bergen gezien konden worden. Gedurende alle deze dagen zat de ark roerloos vast en had Noach geen moed zich te vergewissen aangaande den toestand, waarin zij zich bevond. Zoo bleef hij opgesloten met al wat met hem in de ark was en bleef hem niet anders dan af te wachten de dingen, die geschieden zouden.
Uit den aard der zaak was ook dit een tijd van beproeving des geloofs. Calvijn met name wijst er dan ook op, hoe Noach's hart met angst vervuld moet zijn geweest, daar hij, beseffende dat de ark was vastgezet, toch niet de minste verandering opmerken kon. De wateren schouwde hij des daags en hij hoorde hun geklots, de winden ruischten en de nachtelijke hemel openbaarde hem de schoonheid van een firmament, waarvan later de psalmdichter zong : „Geene sprake en geene woorden zijn er, waar hunne stem niet wordt gehoord". Zoo heerschte er eene angstwekkende eentonigheid in de elkander opvolgende dagen en nachten, die in niets verrieden van het grootsche werk, dat de Schepper van de einden der aarde bezig was te voltrekken. Aan Noach scheen het, als veranderde er niets, want de wateren bedekten de aarde. En zoo moesten wel in zijne ziel de gedachten zich vermenigvuldigen en de vraag opkomen, of er voor hem en voor de zijnen wel ooit een uitgang komen zou. Een angstige bezorgdheid kwam over hem, toen dag na dag voorbijging en hij slechts de eindelooze wa­teren bleef zien rondom de ark, die nu niet meer ronddreef, doch op één enkel punt in onbewegelijkheid op den vasten bodem bleek te zijn nedergezet. Zoo gingen, twee en een halve maand voorbij, waarvan ons niet gezegd wordt, dat er iets veranderde in de ark, daar er voor het menschelijk oog ook daarbuiten geenerlei wijziging te speuren viel. En toch werkte de Heere voort aan de droogwording der aarde.
En zooals Hij nu hier deed, zoo doet Hij immer. De Heere Jezus heeft gezegd : „Mijn Vader werkt tot nu toe, en ik werk ook". De Heere is de Drieeenige God, die als de levende God' eeuwig werkt. Dat geldt met name Zijne verhouding tot die schepselen-wereld. De menschen, wier oogen gesloten zijn, letten er niet op, dat alles in eeuwig veranderen is betrokken, zoodat van oogenblik tot oogenblik de dingen worden naar den Raad Zijns willens. Met het natuurlijk oog gezien, zouden w/ij soms zeggen, zooals de Prediker zeide : „Er is niets nieuws". En wij kunnen begrijpen, hoe de kinderen dezer wereld, als zij hooren van de belofte Zijner toekomst en van het oordeel, dat komen zal, zeggen, dat alle dingen blijven, zooals zij waren en dat er niets van te merken is, dat de hemelen ten vure bewaard worden tegen den dag des oordeels. Zij zien de wereld, te midden waarvan wij leven aan, zooals Noach in die twee en een halve maand opgesloten zat in de vastgeloopen ark, zonder te kunnen zien dat er iets aan de wateren veranderde. Doch dit onderscheidt hen, dat deze Noach met God worstelde om uitkomst en licht, terwijl zij in die schijnbare onveranderlijkheid der wereld een grond zich zoeken om nu ook in onveranderlijke onbekeerlijkheid voort te leven. Toch werkt de Heere door, of wij het zien, dan wel of wij het niet zien.
Daarom is dan ook Noach's verblijf in de ark leerzaam met name voor onzen tijd, nu er wel geen zondvloed meer gekomen is, noch komen zal, maar de ervaring toch leert, dat de Heere nog over andere tuchtroeden beschikt om de zich van Hem afkeerende menschheid te straffen. De crisis, die ook als de zondvloed weleer, over de geheele aarde is gebracht en ook de hoogste doeleinden der menschheid te boven gaat, ook hetgeen zij meende, dat nimmer kon worden overwonnen, leert ons, dat de Heere de machtige is, die Zijne eer aan geen ander geven kan. En het is nu voor Gods kinderen slechts de vraag, of zij als Noach redding hebben gevonden in Hem, die door de ark eenmaal is afgeschaduwd als Behouder en Verlosser uit diepten van nooden, die met de oordeelen Gods over de wereld gebracht werden. De vraag is immer, hoe wij Gods oordeelen zien en waardeeren, hoe wij ze ontvangen en ondergaan. En daarbij nu kan Noach ons een leerend voorbeeld zijn. Hij zag, zooals wij het dikwijls ook zien in dezen tijd, dat de oordeelen niet wijken. De watervloed lag voor zijne oogen en eiken morgen zag hij opnieuw de onafzienbare vlakte, die zich uitbreidde rondom de ark. En zoo verkeerde hij twee en een halve maand in de ark der behoudenis, zonder dat er eenige verandering intrad. Het scheen voortdurend als deed de Heere niets, als zag Hij werkeloos toe en als gedacht Hij aan zijnen dienstknecht niet. En Noach's hart was met zorg en vreeze soms vervuld, als hij voor des Heeren aangezicht de vraag nederlegde, geboren uit angst en vreeze : hoe lang nog ? Als hij peinsde, zoo werd zijne ziel overstelpt. Toch werkte de Heere door, zoodat de wateren „waren gaande en afnemende". De Heere was een hoorder des gebeds voor Zijn worstelend kind, ook al zag Noach het nog niet en al duurde het hem lang en meende hij, dat zijn weg aan den Heere voorbijging. Des Heeren weg was ook voor Noach in het heiligdom. En soms ook waren er rondom Hem „duisterheid der wateren, wolken des hemels". En als het Noach bange was, riep Hij den Heere aan. En als hij meende, dat Hij duisternis gezet had tot zijne verberging, dan kwam de Heere toch tot Zijn worstelend kind en Hij zond van de hoogte en Hij nam Noach en Hij trok hem op uit de groote wateren, want Hij liet tot vertroosting en tot versterking het licht Zijns Geestes in Noach's ziel opgaan, opdat hij in dezen geestelijken strijd niet zou bezwijken. De Heere laat niet toe, dat Zijne kinderen verzocht worden boven hunne kracht. En zoo zat Noach twee en een halve maand uitziende over de wateren, die naar het scheen weinig minderden, terwijl die Heere toch doorwerkte aan de droogwording der aarde en Noach gedachtig was, ook al meende deze vergeten te zijn. En daarin juist is nu Noach een blijvend exempel, leerzaam voor Gods volk van alle eeuwen, dewijl hij tegen hope op hope toch bleef gelooven in de reddende genadedaden zijns Gods.
Ook nu gaat van zijn verblijf in de ark eene leering uit, nu duizenden onzer medemenschen door de nooden, uit deze crisis opkomende, worden overstelpt. Jaren reeds schijnt het, alsof er geene verandering opdaagt, alsof de donkerheid der tijden niet meer zal opklaren. En de massa weet van geene reddende daden dies Heeren en doolt van den weg Zijns Woords hoe langer hoe verder af. Als door paniekmatige vreeze aangegrepen, zoeken zij nu redding in de beloften dergenen, die niets te geven, noch ook te beloven hebben. En zoo gaan zij, als Noach's tijdgenooten, den wissen ondergang tegemoet. Maar wie den Heere vreest en voor Zijn Woord beeft, die mag uit Noach's voorbeeld leering en vertroosting putten in de dagen van zijne moeilijkheden. Hij zie op Noach's redding, terwijl hij daar maanden aaneen neerzat en geenerlei verandering scheen in te treden, werkte de Heere toch aan zijne behoudenis. Door het geloof mocht hij daarin rusten, ook al werd het leven hem soms bang te moede. Hij had nog een houvast aan den Heere, ook dan, als hij zich schamen moest voor zijn ongeloof. De verborgen krachten zijner ziel werden opgewekt door den Heiligen Geest, opdat hij niet zou ondergaan. Zoo werkte de Heere buiten de ark en in haar. Buiten de ark beval Hij de winden, dat zij aanbliezen over de aarde, zoodat de wateren „gaande" afnamen, allengskens daalden en de droogwording voortschreed, ook al merkte Noach niet, dat zij dagelijks in veelheid wegvloeiden. En in de ark arbeidde Hij aan de ziel van Zijn kind en hield Noach staande te midden zijner vreeze, want Hij zou niet toelaten, dat deze Zijne heilige, die een wonderteeken Gods moest zijn voor alle komende eeuwen tot aan het einde der .aarde, de verderving zou zien. Zoo kan Noach ons, terwijl de ark was vastgezet op eene der hoogten van Ararat, een leerrijk voorbeeld zijn in deze dagen van druk en nood. Ook al schijnt het, dat terwijl de dagen voorbij gaan, er geenerlei verandering op komst is, dat de tijden nog , al maar donkerder worden, toch is de hand des Heeren in dit alles en Hij werkt er in ook dan, als het ons toeschijnt dat alles blijft en niets verandert. Het komt er slechts op aan, dat onzer het geloof is, dat ons leert op den Heere te hopen, aan den Heere vast te houden. Hij zal de Zijnen niet laten omkomen in duren tijd of hongersnood. Zoo Hij vertoeft, verbeidt Hem, Hij zal gewisselijk komen, al kan het voor ons noodig zijn, dat Hij wacht om ons genadig te zijn. De Heere beschaamt toch niet, die op Hem hopen en Hij werkt door, ook als wij het nog niet kunnen zien, totdat de ure komt, waarop wij het moeten zien, dat wij een verrassend God hebben. Zoo betoonde Hij Zich aan Noach, want na maanden wachtens ontdekte Noach plotseling de toppen der bergen en zag hij, dat de Heere er was met Zijne wondere reddende daden, dat de wateren daalden en de kruinen der 'bergen profeteerden van den naderenden uitgang uit de arke der behoudenis in de vrijheid der heerlijkheid der kinderen Gods. Als wij in deze wereldnooden den Heere als Noach mogen kennen, dan zal Hij ook voor ons oog de bergtoppen ontdekken, die getuigen van het licht Zijns heus, dat zekerlijk komen zal voor het volk van God, hoe donker ook Gods weg moge wezen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 november 1935

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

VAN DEN WOORDE GODS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 november 1935

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's