KERKELIJKE RONDSCHOUW
DRIEVOUDIGE SABBATHSZEGEN.
III.
Het vierde gebod bespreekt de rust van den mensch. 't Gaat over den Rustdag, opdat we zullen weten waar we rusten kunnen ; waarin we vrede en blijdschap : kunnen vinden, den e enigen troost beide, voor leven en sterven. Rust voor de eeuwigheid, waarmee we sterven kunnen : „Rust in vrede". Maar dan de echte, ware rust. Waartoe we hier in dit leven in beginsel zullen moeten komen en waarvan we hier op aarde een voorsmaak zullen moeten leeren kennen, zal het straks in de eeuwigheid wel met ons zijn.
Veelal let men ten opzichte van den Dag des Heeren op het rusten.; op het „niet werken". Maar waarvan rust men ? Van de booze werken, van de zonden en ongerechtigheden ? Staat het van binnen goed ? Men wil dit wel laten en dat doet men niet. Maar hoe staat het dan van binnen? Zoekt men ook de rust in Christus' volbrachten zoenarbeid ? Hebben we Gods gerechtigheid en heiligheid leeren kennen en willen we dat dan met onze lompen en vodden goed maken ? „Raak niet en sm.aak niet en roer niet aan" ? Om dan in onze rust vrede en gerechtigheid te zoeken ? In onze vleeschelijke gerechtigheid en doode werken, waarmee we onze conscientie sussen en ons hart vleien ?
Onze Catechismus spreekt er van, dat Gods kinderen een eeuwige Sabbath wacht na deze bedeeling. Een eeuwige Dag des Heeren, met ongestoorde rust en zaligen vrede. Dat zal dan niet zijn „een zalig niets doen", bestaande in raak niet en smaak niet en roer niet aan. 't Zal veeleer zijn een eeuwig bij den Heere zijn, miet geestelijk bezig zijn in de dingen van den Vader, Die Zelf eeuwig werkt.
Dat rusten nu In het volbrachte werk van Christus en dat werken nu van de werken des Vaders moet een aanvang nemen hier in dit leven. En daartoe is de Zondag, de dag van de Opstanding van Christus, de bijzondere Dag des Heeren tot zegening van allen, die den Heere zoeken. Dan wil de Heere de 'Zijnen brengen om te rusten in Christus, dan wil God Zijn volk zien als een werkzaam volk, dat werkt het werk des Heeren.
Dat is het beste bewijs, dat de Zevende-dags-Sabbathisten ongelijk hebben. De Nieuw-Testamentische Godsopenbaring brengt ons vanzelf bij den eersten dag, als de dag, waarop Christus gerechtvaardigd is door den Vader. Toen was Zijn werk af en het werd openlijk beloond, gekeurd en erkend door den Vader. Hij werd bewezen te zijn Gods Zoon en de Middelaar en Losser van al Zijn volk, voor wie Hij in alles had voldaan. Hij was geen gewoon mensch, maar waarachtig God : in de opstanding bleek dat. Als : Hij niet waarlijk Gods Zoon was geweest, zou Hij niet door Zijn goddelijke kracht uit den dood zijn opgestaan. En als Hij niet als Middelaar in alles aan Gods recht had voldaan en niet alle straf voor Zijn volk gedragen had, zou de Vader Hem niet hebben opgewekt. De eerste dag der week is door de Opstanding het bewijs, dat Jezus Christus de algenoegzame Zaligmaker is. Die van de eeuwige straf verlost heeft en het eeuwige leven verworven heeft voor de Zijnen. En nu kan geen Ziel bij den zevenden dag blijven staan, om daar te vinden wat tot verzoening en tot zaligheid en vrede en vreugd en eeuwig leven is. Daar gaat de ziel dood. Maar bij 't ledige graf, dat predikt: de Heiland is waarlijk opgestaan, daar leert de ziele uitroepen : „Mijn Heere en mijn God" ; „Rabbouni, mijn Meester".
Hij is de groote Jozua, die méér is dan de zoon Van Nun, die Israël door de Jordaan uit het vreemde land in het beloofde land bracht. Hij is de Silo, de groote Rustaanbrenger. En nu, nu blijft er een ruste over voor (het volk van God. Er wacht boven een beter Kanaan, met het hemelsch Jeruzalem. Waar de ziel nu de voorsmaak moet proeven, in het heden der genade, aan déze zijde van het graf. Want die hier niet als een arm zondaar in aanraking komt met den algenoegzamen Borg en Middelaar Jezus Christus, om in het geloof Hem en al Zijne weldaden te omhelzen en deelachtig te worden, zal straks in de eeuwigheid niet ingaan in de volkomen rust en eeuwige vreugd, die in den hemel wacht voor allen, die in Sion geboren zijn.
Naar dat rusten in Christus op den eersten dag der week, op den Dag des Heeren, den dag der opstanding van Jezus Christus, roept de Heere ons week aan week bijzonder, als Hij in het 'midden van Zijn gemeente wil wonen met Zijn Woord, met Zijn Geest, met Zijn Sacramenten, met Zijn barmhartigheden.
Er blijft dan een rust over voor het volk van God. (Hebr. 4 : 9). En de ziel, die er hier iets van smaken mag, bijzonder op den Rustdag, den Dag des Heeren, ziet als van den berg óver de grens. De Zondag is als een liefelijke bergtop boven de vallei van dit leven. Neen, we zijn er nog niet. We zijn nog niet aan 't eind van de reis. We zijn nog niet in het land der eeuwige rust. Wat kan bet onrustig zijn, onzeker, onveilig. „Heere, wij vergaan!" wordt er telkens uitgeschreeuwd. Maar de Zondag zegt: een, gij zult niet omkomen in duren tijd of hongersnood. De Rustdag zegt: vrees niet, gij klein kuddeke, want het is uws Vaders welbehagen, ulieden het Koninkrijk te geven. De Dag des Heeren zegt: iemand zal u uit Mijn hand rukken. Ik ben mét ulieden alle de dagen, tot aan de voleinding der wereld.
Op den Zondag wil de Heere dichter bij Zijn kinderen komen, midden onder Zijn volk wonen ; en de Goede Herder wil onder Zijn kudde legeren. Dan komt Hij om de Zijnen te brengen onder 't beslag van Zijn Woord ; om ze uit te lokken in 't gebed ; om ze te troosten met dankzeggingen en smeekingen ; om ze te doen aanschouwen in teekenen de beloften des Evangelies en met zegelen te bevestigen hunne zaligheid in Christus. Dan wil de Heere Zijn kinderen aan 't werk zetten in 't midden van de dingen Zijns Koninkrijks. Dan zegent de Heere in de natuur met voedsel en drank en kleeding in onze gezinnen, opdat we smaken zullen Zijne liefde en zorgende trouw. Dan zegent de Heere in de genade en doet de werken der barmhartigheid verrichten, voor de Kerk, de Armen, de Zending. Dan leeft de gemeente op in het werk, dat de Heere doet, om zieken te troosten, armen te voeden, gevangenen te bezoeken, het wenk der Zending te behartigen. Dan leeft de gemeente op, bij de uitbreiding van Gods Koninkrijk hier en elders. Dian leeft het Christelijk Onderwijs in onze harten, opdat onze scholen onderhouden worden en, het opkomend geslacht gebracht mag worden onder beslag van 's Heeren Woord en geleid in Zijne wegen, om Zijn wonderdaden te eeren. Dan leeft het Hooger Onderwijs in 't midden van de gemeente, bijzonderlijk wat de opleiding van onze toekomstige predikanten betreft.
En inlevende in die dingen, zal onze ziele leven en zich verblijden.
In 't midden van de doode werken gaat onze ziel dood.
Maar in 't midden van de werken des Heeren in natuur en in genade, leeft onze ziel op.
En zal 't hier maar een zwakke voorsmaak zijn en een klein beginsel weten van het eeuwige Godsleven voor onze ziel en voor ons verheerlijkt lichaam, 't mag toch een onderpand wezen van de eeuwige zaligheid, die wacht voor een ieder, die den Heere in oprechtheid zoekt en vreest.
Wat zullen er velen zijn, voor wier toekomst wij moeten huiveren, omdat zij zoeken andere dingen, dan in Jezus Christus zijn. Allen, die zich eigen gerechtigheid werken in vleeschelijke lust en hoogmoed, zullen beschaamd uitkomen. Al onze gerechtigheden zullen als een wegwerpelijk kleed zijn straks voor den Heere. En die in werelddienst en bij zondelust hun dagen en nachten doorbrengen, zullen voor Gods rechterstoel niet kunnen bestaan.
Maar die in oprechtheid zoeken te rusten in Christus en begeeren te werken het werk des Vaders, zullen bijzonder op den Rustdag, naar 's Heeren belofte, een voorsmaak ontvangen van de eeuwige, volmaakte ruste, die er over blijft voor het volk van God.
Omdat Hij heeft overwonnen aan den morgen van den eersten dag der week is er hope en verwachting voor een arm zondaarsvolk.
Neen — we hebben 't nog niet en we zien 't nog niet.
Het is een zaak des geloofs, een voorwerp van onze hoop — met de liefde in ons hart.
En 't geloof bedriegt niet, de hoop beschaamt niet. En 't zal straks zijn niet meer door 't geloof en niet meer in hope, maar met eeuwige liefde verbonden met Hem, Die zegt: „Ik zal u ruste geven".
Mogen we zóó den Zondag kennen en zoeken en liefhebben ?
Het is als 't jaar van het welbehagen des Heeren ; bij Woord en gebed en Sacrament; te midden van de werken des Vaders; onder de hoede van den Goeden Herder ; in grazige weiden en aan zeer stille wateren.
Heerlijke Sabbath ! Hoe lieflijk zijn mij Uwe woningen, o Heere der heirscharen. Hoe branden mijn genegenheên, om 's Heeren voorhof in te treên.
Och, doe mij naderen, doe mij wonen in Uw huis !
DE VRIJZINNIGEN IN BENAUWDHEID
De Vrijzinnigen in de Hervormde Kerk zijn onderling nog al verdeeld in de laatste tijden. Over en weer werpt men elkaar allerlei fraaiïgheden naar 't hoofd. En in het officieel Orgaan van de Vereen, van Vrijz. Hervormden wordt soms van verschillende vooraanstaande personen uit hun kring gezegd, dat ze verraders zijn van het Vrijzinnig Protestantisme, wat dan van de andere kant natuurlijk weer tegengesproken wordt.
Hierbij komt, dat de Vrijzinnigen in de benauwdheid komen, wat hun positie in de Hervormde Kerk aangaat; plaatselijk hier en daar (Groningen, Sneek, Heereveen, Zuidwolde, Boskoop, Sliedrecht, Breda, enz. enz.), ook provinciaal, wat weer van de grootste Invloed is voor de samenstelling van de Synode (Friesland kan weer „om" gaan; Drenthe is vlak bij ; Noord-Holland zendt straks weer twee orthodoxen inplaats van twee vrijzinnigen.
Nu zijn er overal in ons Vaderland van die millimeter en lilliputter-gemeenten, 't welk soms vrijzinnige, maar ook wel rechtzinnige gemeenten zijn. Als nu de Vrijzinnige Kerkbesturen kunnen bevorderen, dat de kleine moderne gemeenten blijven bestaan, dan is dat op de Classicale Vergadering een winst van vrijzinnige stemmen. Kan men bevorderen, dat rechtzinnige gemeenten worden opgesmolten — twee tot één gemaakt — is dat vermindering van rechtzinnige dominees èn ouderlingen en kan dat voor de (zwakke) moderne meerderheid een voordeel zijn, waardoor tegelijk 't gevaar, dat een Classis „om" gaat, bezworen wordt.
In Friesland wil men rechtzinnige gemeenten combineeren. In Groningen wil men moderne gemeenten zelfstandig laten. Net als men wel wil doen met Openb. en Chr. Scholen. Kleine Openbare Scholen zijn centra van wetenschap en cultuur en moeten vooral 'blijven bestaan. Maar kleine Christelijke Scholen (dikwijls veel grooter dan de Openbare School zijnde) kunnen zonder schade worden opgeruimd!
Wat kan men toch „eigenaardig" redeneeren. En gruwelijk onrechtvaardige dingen doen. Door partijzucht en door machtswellust gedreven ! En dat in de Kerk !
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 november 1935
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 november 1935
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's