De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

BEKEERING VAN K. VAN GENNE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

BEKEERING VAN K. VAN GENNE

6 minuten leestijd

Het is de Heere, die mij, naar mijn beste weten, heeft opgewekt om de leidingen Gods met mij, onwaardige, mee te deelen, zonder daarmede voor te hebben, dat hetzelve ter druk zou worden gebracht, wenschende alleen Gods eer en 's menschen zaligheid. Had het dit ten gevolge, dan zou het mij tot groote zaligheid zijn.
Ja, Gel., als ik de weg gedenk die de Heere met mij gehouden heeft reeds van mijn vroegste jeugd af, dan moet ik met dien apostel Paulus uitroepen: Rom. 11 : 33) „O diepte des rijkdoms, beide der wijsheid en der kennis Gods ! Hoe ondoorzoekelijk zijn Zijne oordeelen, en onnaspeurlijk Zijne wegen !" En met den dichter van Psalm 139 : „De kennis is mij daarvan, te wonderlijk, ik kan daar niet bij". Gelijk het waar is dat elk huis zijn kruis heeft, zoo had ik daar reeds in mijn kindsheid de ondervinding van, doordat ik smarten moest ondervinden, die ik maar niet zal melden. Dit deed mij wel zeer aan mijn ziel, zoodat ik in mijn jeugdige eenvoudigheid zeide : „Och, Heere, neem mij van de aarde naar den hemel". Dit kruis werd voor een tijd weer wat opgelicht, doch niet geheel. Toen ik 13 jaar oud was, klopte God al aan mijn hart. Openb. 3 : 20. Daar ik nooit van anderen of van vrienden opwekking tot bekeering kreeg, werd het door de begeerlijkheid der jonkheid ondier de asch gelegd. O, geliefde vriend, wat is de mensch, als hij van God niet wordt stil gehouden. Ik was toen van mijn ouders verwijderd om mijn tijdelijk beroep te leeren, maar mijn hart hunkerde gedurig weer naar huis, omdat ik een zeer nauwe betrekking op mijn vader en moeder had. Te meer, omdat ik bij Roomsche menschen was, zoodat ik na verloop van tijd weer naar mijn ouders terugkeerde. Ik was een geruimen tijd thuis., toen de Heere weer aan mijn hart klopte. Ik ging bij een van onze leeraars te catechiseeren en werd toen met zeer veel ernst opgewekt tot het gebed. Dit had veel indruk op mijn jeugdig gemoed, zoodat ik deze lessen opvolgde. Ik had te voren wel eens op mijn knieën gebeden, maar dit was voor mij een hervatten. Ik ging in mijn onkunde aan het bidden. Hoe of wat ik heb gebeden, weet ik niet meer. Dit weet ik wel, dat ik buiten den Heere Jezus Christus bad. Ik zal toen ongeveer 16 jaar oud zijn geweest. Mijn zonden werden met mijn jaren ook vermeerderd ; ook verrmeerderden mijn indrukken en de nepen in mijn geweten werden meer en meer. Maar wat moet aan een mensch een machtige hand ten koste worden gelegd, zal hij uit de kluisters van den dulvel los gemaakt worden. Ik nam gedurig voor in eigen kracht, om voor God te leven, maar vond mij dadelijk na deze oogenblikken. door de zonde der jonkheid van kracht beroofd. Ik beloofde elke keer , als ik mij had vergrepen, het beter te maken, nu eens meer tegen de zonde te strijden, dan weer meer te lezen, meer te bidden, maar in plaats van beter, werd het erger. Echter bewaarde mij God voor in het oog loopende zonden. Mijn ziel was menigmaal zóó beroerd, dat ik mij niet wist te bergen, maar dan ging ik aan het lezen of bidden of psalmen zingen. Daardoor werd ik dan weer tot zwijgen gebracht en zoo zocht ik mijn geopende conscientie tot zwijgen te brengen en zoo ging ik al voort en stapelde schuld op schuld. Ja, ik kwam zoover, dat ik in mijn blindheid zeide : „Heere, als ik nu weer zondig, werp mij dan maar in de verdoemenis", denkende mijzelf hierdoor een afschrik te geven van de zonden, en mij zoo een gerechtigheid, voor God op te richten. O, Gel.! ik mocht met den dichter van Psalm 25 wel uitroepen : „Heere, gedenk niet de zonden mijner jonkheid". Maar al had er een gapende hel staan branden, zoo zoude ik de zonde niet nagelaten hebben. .
't Gebeurde dat ik op een 2e Paaschdag naar de kerk ging. De leeraar, die toen optrad, was nogal ernstig en hij zeide in zijn toepassing : „Die tegen Mij zondigt, doet zijn ziel geweld aan, allen, die Mij haten, hebben den dood lief", woorden van nadruk van den wijzen koning Salomo. Toen die godsdienstoefening geëindigd was, nam ik mij al weer voor een vroom leven te leiden, ik zou mij nu van alles afzonderen. Maar ziet, eens 's avonds krijgen mijn jeugdige speelkameraden weer de overhand; zij namen mij mede buiten de stad mijner inwoning naar een herberg. Ik ging mee, alsof ik er niet bij hoorde, kwam daar, maar zooals ik binnenkwam, moest ik weer weg. Ik ging in het duister alleen over de weg, bezwaard over mijn zonden, daar ik beloofd had zoo vroom te zullen leven. Des avonds toen ik naar bed zou gaan, durfde ik bijna niet op mijn knieën te bidden, gelijk ik gewoon was. Maar 'deze indrukken sleten door de tijd al weer vanzelf af. Ik leefde evenwel zeer nauwgezet voor 't oog van de menschen. Mijn leeraar en onderwijzer hielden zeer veel van mij. Ik had ook van mijn familie die God dienden, die mij om mijn stil en zedig leven-achting toedroegen. Ook had ik een bijzondere hoogachting voor de godzaligen en mocht hen graag hooren spreken van God .en Zijn "dienst. Ja, "Ik deed met den farizeër al vele dingen en werd zeer groot in mijn eigen oogen, meenende, dat ik al wel bekeerd was. Ik kreeg daarbij eenige kennis der waarheden én had veel respect voor oude schrijvers, die de waarheid
en godzaligheid voorstonden. Zoo kwam ik dan eindelijk tot dit denkbeeld, dat ik wel, zoo voortgaande, in den hemel zou komen. Maar o, Gel, vriend., had het God niet verhoed, hoe jammerlijk zou ik mij op zandgrond neergezet hebben, waarop ik voor eeuwig schipbreuk zou geleden hebben, op een grond, zooals er duizenden van menschen naar een eeuwige rampzaligheid reizen. Maar God heeft mij naar Zijn onnaspeurlijke goedheid doen inzien wat er noodig was om voor Hem te kunnen bestaan. Met verloop van tijd, toen ik 18 jaar werd, kwam de tijd dat ik loten moest voor de militie, wat voor mij een groot bezwaar uitmaakte. Ik zag echter niets, waardoor ik zou vrij komen, en daarbij was het een hachelijke tijd, waarin ons land in perijkel was om overweldigd te worden van de vijanden. Ik .dacht, dat als ik in die ure tot God bad en de armen een zeker gedeelte geld gaf, dan zou God daardoor bewogen worden. Ja, Gel. vriend, zoo dwaas ging ik te werk. In zoo'n diepe, zondige bitterheid verkeert de mensch, zoo hij van God niet aan zijn ellendige toestand ontdekt en bekeerd wordt. Maar wat gebeurt er ? De tijd was daar en ik dacht in het oogenblik, dat ik loten moest in het geheel niet aan God, noch aan het gebed. Het lot viel mij ten deel, zoodat ik zeggen moest: „Des Heeren gedachten zijn niet als mijne gedachten en Zijne wegen niet als mijne wegen, want gelijk de hemel hooger is dan de aarde, zijn Zijne gedachten hooger dan mijne gedachten en Zijne wegen hooger dan mijne wegen".
(Wordt vervolgd).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 december 1935

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

BEKEERING VAN K. VAN GENNE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 december 1935

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's