De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

DE NAAM VAN DEN ZALIGMAKER

11 minuten leestijd

En gij zult Zijnen naam heeten Jezus, want Hij zal Zijn volk zalig maken van hunne zonden. Mattheüs 1 vers 21b.

In den loop der eeuwen heeft die Heere het volk van Israël voorbereid op de komst van den Zaligmaker. Terstond na den val beloofde de Heere zelf in het Paradijs, dat het zaad der vrouw eenmaal het slangenzaad zou overwinnen. En bij deze eerste belofte aan den gevallen mensch is het niet gebleven. Want met steeds klaarder en duidelijker woorden het de Heere de komst van den Heiland aankondigen.
Soms vermelden de profeten bijzonderheden, die treffend bij de komst en tijdens het leven van Jezus zijn vervuld, 'k Denk aan de profetie van Jesaja betreffende Immanuël's geboorte uit een maagd, 'k Denk aan Micha's profetie, waarin de plaats van Jezus' geboorte : Bethlehem, uitdrukkelijk wordt genoemd, 'k Denk aan de profetie van Jezus' Intocht in Jeruzalem, door Zacharia voorzegd. En aan zoo menig Psalmwoord, dat ons spreekt van Christus' lijden.
Maar één ding bleef voor de profeten verborgen : de naam, dien de Messias dragen zou. Wel hebben sommige profeten over Zijn naam gesproken. Als, bijvoorbeeld Jesaja profeteert: Men noemt Zijn naam Wonderlijk, Raad, Sterke God, Vader der eeuwigheid, Vredevorst; of als Jeremia Hem aankondigt met den naam.: De Heere onze Gerechtigheid. Doch in deze symbolische benamingen werd wel eenigszins aangeduid wat de beteekenis van den Middelaar zou zijn, maar Zijn eigenlijke naam is aan de aartsvaders en profeten nog niet bekend gemaakt.
Want niet voor de profeten van het Oude Verbond, maar voor de getuigen der nieuwe bedeeling is het weggelegd den naam van den Zaligmaker te mogen noemen.
En daartoe heeft de Heere, kort voor 'de komst van Christus, Zijn naam door een engel laten bekend maken aan Maria en Jozef : gij zult Zijn naam heeten : Jezus.
Het is de engel des Heeren, die deze opdracht nu aan Jozef geeft. Eerst had de engel Gabriel reeds aan Maria bekend gemaakt, dat Gods heilig kind, dat uit haar geboren zou worden, den naam Jezus moest dragen. Doch Jozef had de boodschap van dien engel niet gehoord. Derhalve is het zoo begrijpelijk, dat Jozef voornemens is geweest om Maria heimelijk te verlaten.
Maar nu zendt de Heere Zijn engel tot Jozef, om ook aan hem mee te deelen welk een wonder de Heere gewerkt had in Maria. En Jozef mag zich dan ook niet onttrokken aan zijn plicht tegenover het kind, dat als de Zoon des Allerhoogsten uit Maria geboren zal worden. Neen, Jozef moet als vader optreden en bij de besnijdenis aan bet geboren kind den naam Jezus geven.
Jozef Is dus de eerste onder de menschen, die den naam van den Zaligmaker heeft mogen noemen.
Eigenlijk was de naam Jezus een alledaagsche naam in Israël. Weliswaar komt die naam in het Oude Testament niet voor, maar dat komt, doordat de naam Jezus in de Hebreeuwsche taal Josua of Jesua luidde. De schrijvers van het Nieuwe Testament geven de Grieksche schrijfwijze van dien naam weer : n.l. Jezus. Zoo wordt ook Josua, de zoon van Nun, in het Nieuwe Testament Jezus genoemd. (Hebr. 4 vers 8 ; Hand. 7 vers 45).
Het is te begrijpen, dat de naam Jezus tegenwoordig niet meer aan een kind gegeven wordt. Daarvoor is die naam te heilig. Maar al heeft nu voor ons de naam Jezus een bijzonder heilige klank gekregen, mogen we toch niet vergeten, dat het voor Israël een gewone naam geweest is, die ook in dien tijd meermalen gegeven werd. (Bar-Jezus, Jezus Justus). Daarom werd Jezus ook ter onderscheiding van anderen, die Jezus heetten : Jezus van Nazarener genoemd.
Dus de naam, die aan den Zaligmaker werd gegeven, heeft Hem niet voor Zijn tijdgenooten van de andere menschen onderscheiden. Zijn naam trok niet terstond de aandacht.
Zoo is Hij ook in het dragen van Zijn naam den menschen gelijk geworden. Doch nu was er dit onderscheid tusschen Jezus en de anderen, die dien naam gedragen hebben ; deze naam was aan Hem van Godswege gegeven. Terwijl de andere Israëlietische ouders op eigen gezag hun kind Josua of Jesua noemden, moest Jozef dezen naam geven, omdat God het zoo wilde.
Elke naam heeft een beteekenis. Maar, voorzoover die beteekenis nog niet in vergetelheid is geraakt, kunnen wij wel zeggen dat de meeste namen onjuist zijn en ten onrechte gedragen worden. Wij kunnen uit de namen der menschen niet afleiden wat zij zijn.
Maar omdat Jezus Zijn naam van Godswege heeft ontvangen, is Zijn naam treffend juist en wordt Hij terecht Jezus, d.i. Zaligmaker, Verlosser, Redder genoemd. En daarom laat de engel ook op de vermelding van Zijn naam volgen : „want Hij zal Zijn volk zaligmaken van hun zonden".
Nu moeten wij bij het woord: zaligmaken niet terstond aan de eeuwige zaligheid denken. Want de kinderen des Heeren zijn ook hier op aarde reeds zalig te noemen. Uit genade zijn zij zalig geworden, als zij door Christus van hun zonden verlost en uit Satan's macht geredzijn. Het woord van den engel zou dan ook als volgt overgezet kunnen worden : Hij zal Zijn volk redden, of Hij zal Zijn volk verlossen.
Doch waaruit redt Jezus Zijn volk ? Waarvan verlost Hij de Zijnen ?
De engel geeft het antwoord : van hun zonden. Indien de zonde niet in de wereld gekomen was, zou Jezus niet als Zaligmaker van zondaren gekomen zijn. En daarom heeft de prediking van den naam van Jezus geen beteekenis: als niet met nadruk gewezen wordt op de ernst der zonde, waarvan Hij alleen verlossen, redden, zaligmaken kan.
Immers, de zonde is de oorzaak van de rampzaligheid. Door de zondeval is de mensch, die de ongestoorde gemeenschap met God genoot, afgegaan van het heilspoor, dat hem zou gevoerd hebben naar de eeuwige zaligheid.
En nu kan de mensch, die zichzelf rampzalig gemaakt heeft, onmogelijk zalig worden, als hij geen Zaligmaker heeft. Hij is machteloos om zich zelf te verlossen, onmachtig om zichzelf te redden.
Maar nu heeft God zelf voor den zondaar den weg der verlossing opengesteld. En daartoe behoeft de mensch niet op te klimmen tot God; maar God daalt neer tot den mensch. Hij zelf zal Israël verlossen van al hun ongerechtigheden. Zoo had de Heere het aan Israël toegezegd. Zoo werd het ook door Israël verwacht: Zie, Deze is onze God. Hij zal ons zaligmaken. Zoo klonk het ook in het Psalmwoord : Die God is ons een God van volkomen zaligheid. De Heere zal zalig maken.
En daartoe heeft God Zijn Zoon gezonden, om de zonde op zich te nemen en de gevolgen der zonde te dragen. Hij, die geen zonde gekend had, is tot zonde gemaakt en heeft de straf der zonde moeten ondergaan, opdat Hij alzoo Zijn volk zou zaligmaken van hun zonden.
Is Zijn naam : Zaligmaker, Verlosser, Redder, dan niet eenig juist ?
In het dagelijksche leven geeft men aan sommige menschen een bijnaam, die meestal juister past dan de eigennaam. Soms wordt aan de helden der zee, die hun leven gewaagd hebben voor de schipbreukelingen, de bijnaam „menschenredder" gegeven. Die bijnaam is dan niet onjuist te noemen.
Maar hoeveel te meer is dan Jezus de naam Redder waardig. Want de
menschenredders van de aarde kunnen de drenkelingen slechts redden uit de gevaren voor den tijdelijken dood. Maar Jezus is „de" Redder, die verlost van den eeuwigen dood. Want Hij maakt degenen, die Hij redt, zalig.
Maar wie zijn het dan, die Jezus zaligmaakt ? Worden alle menschen door Christus gered ? Het antwoord op deze vragen is niet moeilijk, als wij het woord van den engel overwegen : Hij zal Zijn volk zaligmaken van hun zonden.
En wie behooren nu tot dat volk, dat Jezus zalig maakt ?
De Schriftgeleerden van Israël verwachtten dat de Messias alleen Israël zou verlossen. En weliswaar, Christus is allereerst gezonden tot de verloren schapen van het huis Israels. Maar niet alleen voor dat volk, maar voor alle kinderen Gods., die verstrooid zijn onder alle volkeren, is Hij de eenige Zaligmaker.
En daarom heeft Hij ook niet de zonde van Israël alleen, maar de zonde der
wereld weggenomen, opdat Zijn uitverkoren volk uit alle geslachten des aardrijks verlost werd van de zonden
Maar zij, die tot dat volk des Heeren behooren, moeten van zichzelf zeggen, dat op hen eigenlijk de naam : Lo-Ammi, d, i. niet-Mijn-volk past. Zoo hebben zij zichzelf leeren kennen als zondaars, als kinderen des toorns, die van natuure niet tot het volk des Heeren behooren. Maar het zal geschieden (zegt de Heere) dat ter plaatse waar tot hen gezegd zal zijn : „Gijlieden zijt Mijn volk niet", tot hen gezegd zal worden : „Gij zijt kinderen des levenden 'Gods'". Ik zal zeggen tot Lo-Ammi: „Gij zijt Mijn volk" en dat zal zeggen : „O, mijn God".
Door Gods vrije genade wordt dat volk toegebracht. En zij, die toegebracht worden, brengen dan ook zelf niets toe tot hun zaligheid. Zij werken daarin niet mee. Veeleer hebben zij den Heere tegengewerkt.
Het is een bekend feit, dat als een drenkeling gered moet worden, de reddingspogingen dikwijls het meest bemoeilijkt worden door den drenkeling zelf. De drenkeling mag zich dan ook niet Inspannen om zichzelf te redden, maar hij moet zich overgeven, zich toevertrouwen aan zijn redder. Anders is de redding haast onmogelijk.
En zoo is ook de zondaar, die zichzelf zoekt te redden, een tegenwerker van den Heere. Maar gelukkig degenen, die het leeren zich over te geven in de handen van den eenigen Redder en Zaligmaker: Jezus Christus,
Zij zijn hier op aarde in hope zalig. Want welgelukzalig is hij, wiens zonde vergeven en wiens overtreding bedekt is. En straks worden zij volkomen zalig door Jezus Door Jezus alleen.
Welaan, mijn lezers, welk een voorrecht, dat wij nog leven in den dag der zaligheid, waarin de naam van den Zaligmaker mag genoemd worden. Wel heeft men getracht om juist dien heerlijken Naam te doen vergeten. Reeds de leden van den Joodschen Raad hebben aan de discipelen het bevel gegeven, dat zij „ganschelijk niet zouden spreken, noch leeren in den naam van Jezus". Maar de discipelen mochten Zijn naam niet verzwijgen. En zij hebben dat ook duidelijk gezegd : „Er is onder den hemel geen andere naam, die onder de menschen gegeven is, door Welken wij moeten zalig worden. En de zaligheid is in geen Ander". Zoo is de naam van den Zaligmaker gepredikt door de discipelen en doorgegeven door de geloovigen van alle tijden.
In den tegenwoordigen tijd kunnen wij dien eenigen naam ongehinderd noemen en hooren noemen. En niet alleen in deze Adventsweken, maar ook in den overigen tijd van het jaar kunt ge uit Gods Woord, door de prediking en in geschriften, Zijn naam hooren.
Maar hoevelen zijn er, die dien naam wel telkens hooren, ook de beteekenis van den Middelaarsnaam wel weten, zelfs Zijn naam telkens op hun lippen nemen, en die toch tot Hem niet de toevlucht nemen als hun Zaligmaker.
En dat komt, omdat men geen kennis van zonde heeft. En wie zijn zonde niet kent, heeft geen Verlosser en Zaligmaker noodig.
En daarom is het noodig, dat ge, eer gij den naam van den Zaligmaker noemt, uw eigen naam leert kennen. En dan bedoel ik niet de naam, die de menschen u geven, maar de naam, die God ons allen geeft. De naam: zondaar.
Wellicht stemt ge het toe : ja, dat is mijn naam. Maar kunt ge dan nog rustig voortleven ? De bezoldiging der zonde is immers de dood, ook de eeuwige dood. Hoe kunt ge dan rustig voortleven op den weg, die naar het verderf en de rampzaligheid leidt.
Nog wordt ge staande gehouden op uw levensweg. Nog wordt ge gewezen op Hem, die gekomen is om zondaars zalig te maken.
Kent ge door genade de grootheid uwer zonde ? Zijt ge ontdekt aan uw ellende ? Weet ge uw eigen naam ?
Luister dan, naar wat de naam van den Zaligmaker u zegt: Hij zal Zijn volk zalig maken van hun zonden.
Straks is het weer Kerstfeest. Dan wordt de blijde boodschap ook u weer gebracht: Zie, ik verkondig u groote blijdschap, die allen volke wezen zal, namelijk dat u heden geboren is de Zaligmaker, welke is Christus de Heere. Dan moogt ge dien rijken, dien eenigen naam van den Zaligmaker weer hooren.
Ga dan in den geest met de herders naar Bethlehem. Knielt dan neer bij de kribbe om Hem te aanbidden, wiens naam Jezus, Zaligmaker is.
En gij, die Zijn naam in waarheid kent, versta uw roeping, om Zijn naam ook anderen aam te prijzen. Belijd Zijn naam voor de menschen. Laat Zijn naam eer ontvangen. Want God heeft Hem een naam gegeven, welke boven allen naam is.
In de wereldhistorie zijn er veel mannen van beteekenis geweest, wier namen alom bekend waren : voortreffelijke vorsten, beroemde helden, uitnemende geleerden. Hun gedachtenis werd niet spoedig vergeten. Maar toch is hun naam met hen vergaan toen er geslachten kwamen, die hem in hun glorie niet meer hadden gekend.
Maar de naam van Jezus blijft bestaan tot in eeuwigheid. Daarom moet Zijn naam van Kerstfeest tot Kerstfeest, van Rustdag tot Rustdag, ja van dag tot dag geprezen worden.
En eens zal in den naam van Jezus zich buigen alle knie dergenen die in den hemel, en die op de aarde en die onder de aarde zijn. En dan zal alle tong belijden dat Jezus Christus de Heere is, tot heerlijkheid Gods des Vaders.

Hoornaar
Th. G. Vollebregt

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 december 1935

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 december 1935

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's