KERKELIJKE RONDSCHOUW
KOHLBRUGGE's LEER
van den ouden en den nieuwen mensch
II.
Kohlbrugge's vader moest een compagnon nemen in z'n zaak ; maar het bleek iemand te zijn die op schurkachtige wijze zich meester wist te maken van alles en eensklaps stond het gezin van Kohlbrugge Sr., met elf kinderen, geheel buiten alles en was men aan de nijpendste armoede overgegeven. Voor den vader was die slag te zwaar; hij stierf weldra van verdriet. Dit was in 1825.
Donker was het voor Frits, de oudste zoon, die voor zijn moeder en voor zijn broers en zusters zorgen moest. In zijn vaneen gereten ziel worstelden droefheid, opstand, twijfel, ongeloof en wanhoop met elkaar, „'t Oog was van 't schreien moe en mat en 't hart, door zorgen afgetobd, vond geen veilige schuilplaats. Gods wil kwam den gulden kelk door wrange drupp'len reeds verbitteren, de weemoed vervulde de ziel, geen lach zweefde om de mond. Valt het dan licht te bouwen op God en 't lot te werpen in Zijn handen ? " Zoo zong Kohlbrugge in die dagen in zijn gedicht „Vertrouwen".
Maar de slag, hoe zwaar ook, bracht hem zegen. De smart bracht hem terug tot zijn God. Ook dat heeft hij roerend schoon bezongen in een gedicht (Jaarboekje 1826). „'k Mengde 't jammerend handenwringen vaak met overkropt geween. Maar verademing na 't lijden gaf mij God, mijn toeverlaat. Men moet soms ten bloede strijden, 't goede ontspruit aan schijnbaar kwaad, 'k Heb mijn God gebeden van de hand der tegenheden heeft Zijn liefde mij gered. Hij was mij een trouwe vader ; sloeg Zijn tuchtroe alles neer, ramspoed bracht mij d' Eeuwige nader, 'k Vond in d' Eeuwige alles weer...... "
In een brief van 17 April 1830 schrijft hij, hierop nog eens terug komende, aan zijn moeder : „Ook Ik juich er in, en loof en prijs den Heere mijn God, dat ik niet in weelde, maar in tegenspoeden en vele droefenissen ben opgebracht, en voor alles wat er mee vergezeld ging bij den dood van onzen dierbaren vader en wat daarvóór plaats had. Waarlijk, was het anders, ik had den Heere waarschijnlijk nooit leeren kennen en was een leugenprofeet en Baalspriester en .zlelenverleider geworden, gelijk er tegenwoordig hij hoopen worden gevonden". (Böhl: Brieven van Kolhbrugge, No. 1).
Zijn hooge hart is gebroken. Diep heeft hij zoowel natuurlijke als geestelijke ellende leeren kennen. En voortaan zal hij getuigen van 's menschen nood en dood, maar ook van den balsem der genade voor den verbrijzelden geest. Dit zal zijn levenstaak zijn : bedroefden en neergebogenen tot de fonteinen der vertroosting te leiden.
Op het ziekbed — dat z'n sterfbed werd— had de Vader van Kohlbrugge hem doen beloven (te midden van zoovelerlel zorg en ellend) : de studie voor predikant door te zetten en tot doctor in de theologie te promoveeren ! Hij zeide: dat Gods beloften rijk genoeg waren om dat doel te bereiken. Later heeft Kdhlbrugge dat honderd maal in zijn predlcaties herhaald : „God houdt woord en trouwe. Hij, die de ellendigen niet vergeet. Geen tittel of jota zal er van Zijn belofte ter aarde vallen. Hemel en aarde zullen voorbij gaan, maar Zijn Woord zal bestaan".
Kohlbrugge was er nog niet. Toen zijn vader gestorven was moest hij het gezin onderhouden door lessen te geven. Ziekte week niet van hen, de meesten van de kinderen stierven. Jacob z'n broer werd zeeman. Nicolaüs soldaat, later onderofficier ; z'n ééne zuster trouwde tot veel verdriet van allen !
Door zijn lessen kwam hij in aanraking met mystieke menschen, die hem brachten in. de mystieke wateren van Jacob Böhme en dergelijken. Hartstochtelijk wierp hij zich in deze wateren en rustte niet, alvorens hij ook dezen stroom geheel doorwaad had. Steeds verder ging hij daarbij af van den grondslag van het Woord Gods en de alles vervullende gerechtigheid van Jezus; Christus, om weg te zinken in het gevoelsleven en in een christendom, dat door gestalten en bevindingen Gode behagelyk wilde zijn en in zelfheiliging rust en vrede zocht. En onder dat alles bleef zijn hart — hoe kon het anders ? — verre van de blijdschap in God: ,door Jezus Christus, onzen Heere.
Toen was hij juist zóóver gevorderd, dat hij voor 't eerst preeken mocht voor de gemeente, maar hij kon niet spreken uit de volheid des gemoeds en in groote angst worstelde hij met Rom. 5 : 1 voor zich : „Wij dan gerechtvaardigd zijnde uit het geloof, hebben vrede bij God door onzen Heere Jezus Christus". En toen — zoo schrijft hij later — „behaagde het den Almachtigen God, door Zijnen Heiligen Geest mij krachtdadig tot Zich te trekken en Zijnen Zoon in mij te openbaren". (Het Lidmaatschap blz. 2).
Dit komen tot het bewustzijn des geloofs en het verzekerd zijn der zaligheid beschrijft hij later in een brief (11 Maart 1844) aldus:
„In 1826 had Ik, die nooit eenig idee van bekeering, Gods volk of iets van dien aard gehad had, in een allerdiepsten weg en in benauwdheid der helle den Bijbel voor mij, en in een punt des tijds schoot in mijn hart, dat ik niet beschrijven kan — het was sneller dan de bliksem, en de verwen kan ik ook niet uitspreken, maar de woorden in die verwe, die gij Jes. 54 : 7—10 leest „Voor een kleinen oogenblik heb Ik u verlaten, maar met groote ontfermingen zal Ik u vergaderen ; in eenen kleinen toorn heb Ik mijn aangezicht van u een oogenblik verborgen, maar met eeuwige goedertierenheid zal Ik mij uwer ontfermen, zegt de HEERE uw Verlosser enz.") heb ik toen gehoord en gelezen: en wolk van diepen vrede was in mij en om mij heen, en alle mijne zonden waren van mij af. Ik sprak toen dadelijk zulk eene sprake, dat de oudste vromen mij voor zeer oud in de genade hielden. Zoo is het voortgegaan. Ik wies en nam toe boven anderen in de wet, en allen die mij gekend hebben, kunnen getuigen, dat ik hen óf gelijk óf te boven was, en vele namen zelfs aanstoot uit zooveel heiligheid, als ik voorstond. Dit heeft zoo geduurd tot 1833" (Brief van Kohlbrugge 11 Maart 1844).
Het is duidelijk, dat we met die woorden van Kohlbrugge : „ik die nooit eenig idee van bekeering, Gods volk of iets van dien aard gehad had", wat voorzichtig moeten zijn. Want Kohlbrugge getuigt zelf van andere dingen. Zijn „schuldbelijden" laat een andere toon hooren. En het sterven van zijn vader is niet zonder uitwerking bij hem geweest; gelijk er meer van die dingen zijn op te noemen. We mogen veilig aannemen, dat hij van der jeugd af aan .beginselen van het nieuwe leven in zijn hart van den Heere ontvangen had. Maar ook weten we, dat het Humanisme later van hem een deugdzaam man wilde maken, terwijl daarna het Mysticisme hem aantrok, zonder de echte rust voor zijn ziel te vinden, welke hij bij de overdenking van Rom. 5 : 1 mocht vinden bij de wetenschap, dat hem zijn zonden waren vergeven om Christus' wil. Het zoeken en tasten, het jagen en drijven was nu overgegaan in het „ik weet in Wlen ik geloofd heb" ; in het weten gerechtvaardigd te zijn in het bloed des kruises. „De Heere onze gerechtigheid".
Dat zal dan nu ook voortaan de grond van zijn leven en van zijn prediking wezen. Hij weet van het tevergeefs zoeken der rust in heidensche deugd-theorieën tot zelfvolmaking ; ook van het onbevredigde van eigenwillige vroomheid; maar hij weet nu ook van de opzoekende liefde Gods en Zijne ontfermende genade over zondaren in Jezus Christus, en in Hem alléén.
In 1825 deed hij zijn eerste preek te Loenen aan de Vecht. Zij was over Rom. 5 : 1 en had tot opschrift: De zalige gevolgen der rechtvaardiging eens zondaars door Jezus Christus".
(Wordt voortgezet).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 december 1935
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 december 1935
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's