De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

VAN DEN WOORDE GODS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

VAN DEN WOORDE GODS

UIT HET ONGESCHREVEN WOORD

11 minuten leestijd

Genesis 8 : 7. En hij liet een raaf uit, die dikwijls heen en wederging, totdat de wateren van boven die aarde verdroogd waren.

5e Serie.
VII.
Noach was een geloofsheld, een man, die God vreesde, een teeder geestelijk leven kende in verborgen gemeenschap met den Heere. Hij was ook een man, rijk aan bevinding, want hij wandelde met God. Daarin is juist het bevindelijke leven werkzaam. Bespiegeling des verstands kan er over de ons geopenbaarde dingen zijn, zonder dat hij, die er zich mede bezig houdt, bevindelijke kennis heeft. Zij kan er zijn zonder ervaring zelfs van de dingen, die besproken worden. En er is geen symptoom, dat meer getuigt van de geestelijke dorheid des tijde dan de schaarschheid van bevindelijk leven. Zelfs zijn er, die voorstanders zijn van de Waarheid en die aan alle bevindingen even gram zijn, het volk smaden, dat leeft uit Gods daden. Toch is het duidelijk, dat bevindelijk leven niet kan ontbreken. Immers, de ziel, die wedergeboren tot eene nieuwe en levende hope, door den Heere op den levensweg werd gezet en daarop nu wandelt en als een pelgrim voortreist naar het Jeruzalem der heerlijkheid, die ziel ziet toch op die reize de vergezichten, die de Heere ontsluit. Zij ontmoet op dat levenspad den Heere Jezus, maar ook leert zij zichzelve kennen en de machten der duisternis, de worstelingen om redding, gelijk zij er de banden des doods en de angsten der hel voelt klemmen. En zij kent ook de uitreddingen en de verlossende daden en de blijdschap in den Heere, wiens Naam zij verheerlijken zal. God leidt Zijne kinderen door bevinding, daar het van hen geldt : „Zoovelen als er door den Geest Gods. geleid worden, die zijn kinderen Gods". En zij ervaren in dien weg van bevindelijk leven, dat de leer levend is en geen dorre redeneeringen en verstandelijk nagesproken formules en louter voorwerpelijke beschouwingen. Het waare kindschap Gods gaat gepaard met den wandel met God. En daarom kan Gods kind eene zekerheid des geloofs kennen, die de Schrift ons teekent met een beroep op ons zintuigelijk leven, wanneer de apostel zegt, dat hij gezien heeft en gehoord heeft hetgeen hij verkondigde. En het is daarom van het grootste belang, vooral ook voor de dienaren des Woords, maar ook voor ons allen, dat wij leeren ons er voor te v/achten, meer te zeggen en meer te bespreken en uit te geven, dan wij waarlijk zelven door geestelijke ervaring leerden kennen, opdat wij niet anderen predikend, zelven verwerpelijk worden bevonden.
Daarin ligt dan ook een toetssteen voor ons, dat wij met onze bevinding niet buiten den levensband met des Heeren Woord liggen, want de ware bevinding is in den dlepsten grond de beleving van des Heeren Woord en van Zijne beloften. Wij kunnen haar onszelven dan ook niet aansuggereeren, maar zullen haar moeten ontvangen uit de blazing des Geestes en uit Zijn ontdekkend en vertroostend licht. Dat is zelfs zoó zeker, dat er van David geschreven staat, dat hij in zijne onderhandelingen met den Heere, die hem geopenbaard en dus bevindelijk had doen kennen : „Ik zal u een huis bouwen", in zijn hart gevonden had dit gebed tot U te bidden (2 Sam. 7 : 27). Hij vond het gebed in zijn ziel, want de Heere had het er neergelegd. Hij haakte het niet zelf, verzon het niet, zocht er géén woorden voor, maar hij vond het. En daarin is nu het ware bevindelijke leven. Uit des Heeren hand te ontvangen, wat Hij in de gemeenschap met Hem Zijnen kinderen geven wil. Hét bevindelijke leven is dus een teeder geestelijk verkeer met Hem, die Zich in onzen Heere Jezus Christus aan ons openbaarde en in Hem met ons handelt, terwijl Hij ons leidt door Zijnen Heiligen Geest. En waar zulk een leven gekend wordt, daar is ook het redelijk verstand niet buiten werking gesteld, maar veeleer als ingeschakeld in den levensgang. Daarom is er van wijsheid in het leven van Gods kinderen te zien. Dat laat Gods Woord ons ook zien, wanneer het in het Spreukenboek de wijsheid tegenover, de dwaasheid der menschen stelt. De leer des wijzen is een springader des levens. Kloekzinnigheid en verstand worden geprezen. Deze zijn dus niet te verachten. Het ploegen van den arme geeft veelheid der spijze, maar daar is een, die verteerd wordt door gebrek van oordeel. Zoo is het duidelijk, dat de vreeze Gods en de ware bevinding niet hetzelfde zijn als allerlei buitenissige en vreemde gedragingen, die maar al te vaak voortkomen uit de verachting des Woords en uit hoogmoed des harten.
Uit dat oogpunt gezien, is Noach ook een voorbeeld. Hij wandelt met God en zijn leven is in gehoorzaamheid des geloofs. Maar als hij daar vele dagen ronddoolt over de wateren, niet wetende, waar hij zal komen en hoe het nu met den toestand op aarde gesteld is, dan volgt hij die overlegging van zijn verstand. Hij dacht na over zijne omstandigheden, gaf zich rekenschap van wat mogelijk kon zijn, zon op middelen om zich te vergewissen aangaande hetgeen hij niet wist en toch weten moest om de maatregelen te kunnen treffen, die noodig zouden zijn, wanneer de ure daar was, waarop hij de ark zou verlaten. Het blijkt dan ook uit het verloop zijner daden, dat Noach goed had nagedacht over hetgeen hem te doen zou staan. Daarom opende hij het venster „en hij liet een raaf uit". Noach was blijkbaar een kenner van vogels. Ongetwijfeld was hij goed op de hoogte met de levenswijze en dus ook met de levensvoorwaarden der dieren. Want de keuze der vogels, waarvan hij zich bediende om klaarheid zich te verschaffen aangaande den stand der wateren op de aarde, wijst uit, dat hij precies heeft geweten wat hij deed en waarom hij alzoo handelde. Hij liet eerst een raaf uit. Hij nam maar niet .den eersten den besten vogel om die te laten uitvliegen, maar hij koos met zorgvuldigheid den vogel uit, die voor zijn doel het best geschikt was. Hij ging dus met overleg te werk, want de raaf was een sterke roofvogel, die dank zij zijn levenswijze, onder de onreine vogels thuis behoort. In Leviticus 11 : 1-5 wordt „alle rave naar haren aard" onder de onreine vogels opgenoemd. En in Deut. 14 : 14 wordt dit herhaald. De vogelsoorten, die ondier het woord „raaf" worden saamgevat, behooren dus in latere eeuwen, lang na Noach's tijden, tot de onreine vogels. En de verklaring daarvan zal wel zijn, dat zij veelal zich voeden met de resten van dieren en lijken. Voor Israels bewustzijn waren zij onrein, omdat al wat met het lijk of met dood aas in aanraking komt, daardoor als langs den weg der besmetting onrein wordt geacht.
Zoo liet dus Noach een raaf uit, want hij wist, dat deze, als de wateren nog niet voldoende waren gedaald en dus nog heerschten over de aarde, er onder alle vogels geen was, die zich door de wijze, waarop hij zich dan zou gedragen, hem beter kon leeren, hoe het op de aarde gesteld was. De raaf was sterk in zijne vlucht en zocht al scherend over de wateren, voedsel uit hetgeen er dreef op dien vloed. En dat moest uit den aard der zaak niet gering zijn, daar gansch een wereld was verzwolgen. En ook was het te verwachten, dat deze vogel, ook al vond hij spijze om den honger te stillen, zich toch, als de wateren nog vele waren en nergens nog land. kon worden ontdekt, niet al te ver zou verwijderen van de ark, waarop zij een rustpunt zou kunnen vinden voor het hol van haren voet. Noach heeft dus kennis gehad van het instinct, dat de dieren leidt. Vooral in de vogelen-wereld is daarvan te zien. De trekvogels warden geleid door een wonder instinct en zij toonen allen wel een instinctmatig besef van hetgeen er omgaat in de natuur, zoó soherp zelfs, dat zij den mensch daarin verre overtreffen. Dat heeft Noach geweten en hij was: er van overtuigd, dat de raaf meer , dan eenig ander geschikt was hem vertrouwbaar bericht te geven over den stand der wateren op de aarde. En de juistheid dier keuze werd bevestigd, want de Schrift verhaalt ons de gedraging van de losgelaten raaf, als zij er ons van zegt: „die dikwijls heen en weder ging". Het dier bleef zwerven rondom de ark, maar het keerde niet weder, zocht er zelfs geen rustplaats. De raaf wist zich te redden, vond genoegzaam hetgeen zij behoefde en vond er ook blijkbaar op hetgeen daar ronddreef, of reeds boven de wateren uitstak, wat een rustplaats bieden kon, als de vlucht te lang en te ver zich zou uitstrekken. Maar wat wel duidelijk en op fijne, schoone wijze ons wordt geteekend in de vlucht heen en weder, dat is hoe zelfs in de raaf .als de herinnering leven bleef aan hetgeen het redelooze dier in de ark genoten had. Het is, als kan de raaf het tehuis niet vergeten, dat in de ark haar te beurt gevallen was. Zij bleef er aanvankelijk omheen zwerven, totdat zij, geheel weder gewend aan het vrije leven in de natuur, de herinnering verloor aan haar verleden en zichzelve weer tevreden vond in het rusteloos heenzwerven over den aardbodem.
Het is geen wonder, dat hetgeen ons hier op zoo eenvoudige en schoone wijze geteekend wordt van de raaf, haar uitvliegen uit de ark en, haar zwerven om de ark, door latere geslachten als een beeld is gebezigd van het zondaarsleven in zijn wegzwerven over de wateren van het leven der wereld. De raaf is de onreine vogel, die toch nog gered wordt in dezelfde ark, waarin Gods uitverkoren Noach redding erlangt. Het schijnt soms vreemd en ongeloofelijk, dat het uitverkoren volk van God den grond vormt, waarop de wereld nog staat. De onreine rave verkreeg behoudenis, omdat het in Gods genadeverbond vast lag en ligt, dat er geen wereldeinde zal zijn, voordat ook de laatste van Gods kinderen in de hemelsche heerlijkheid inging. De onreine raaf is om des verbonds wil, dat die Heere met Noach opgericht had, behouden. En zoo ook geniet de wereld om dat zelfde verbond nog haar bestaan. Als wij haar aanzien, zouden wij zeggen en wordt ook dikwijls gezegd : Hoe kan de Heere de goddeloosheden gedoogen ? Maar Hij gedoogt ze, omdat Hij die wereld naar hare voleinding leidt, waarin Zijn volk de heerlijkheid niet slechts zal zien, maar waarin het ook het openbarings-instrument zal wezen, dat de heerlijkheid van Gods deugdenbeeld vertolkt.
Zoo is dus die raaf in hare onreinheid toch om Gods wil gered. Maar zij leert dus ook de oneindige liefde Gods ons kennen, daar Hij tot zulk een onrein dier nog Zijne reddende hand uitstrekt. Hij hoort nog het geroep der jonge raven en ontfermt Zich ook over deze onreine schepselen, omdat zij Zijne schepselen zijn. Zoo getuigt ook de raaf nog van de wondere ontferming Gods over al wat onrein en voor de wereld zelfs verachtelijk is. De aan zichzelven ontdekte zondaar, die maar niet begrijpen kan, dat de Heere naar zulk een mensch zou omzien als hij zichzelven leerde kennen, mag het zich voor gezegd: houden. De onreine raaf werd om Gods wil behouden, vond redding in de redding van Gods uitverkoren volk. Maar diezelfde raaf kan in haar ultvliegen, in haar zwerven over de wateren ons ook leeren, hoe een onbekeerlijk zondaar wel een tijdlang schuiling kan schijnen te vinden onder die vleugelen der genade, kan nederzitten onder het volk, kan schijnen behoudenis te erlangen, terwijl hij toch te zijner tijd als een andere Demas de wereld lief heeft en blijft lief hebben. Hij dwarrelt wat rond om het volk, dat hij eigenlijk haat. En de dag komt, waarop hij het volk Gods en den weg der Waarheid voor goed verlaat en de tegenwoordige wereld weder lief krijgt. En vooral onze tijd is daaraan rijk. Velen, die vóór de Waarheid schenen te zijn, waren er blijkbaar niet achter.
Van dat alles, dat ons in dit leven dikwijls zoo pijnlijk treft, is in den loop der tijden de rave het bijbelsch beeld geworden. En inderdaad, zoo gaat ook heden ten dage nog van het gekras der rave, de roepstem uit tot ons allen, dat wij ons zullen beproeven, of wij waarlijk macht ontvingen Gods kind genaamd te worden. Wij zullen die macht alleen kunnen ontvangen, indien wij worden herboren tot eene nieuwe en levende hope in de opstanding van onzen Heere Jezus Christus.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 december 1935

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

VAN DEN WOORDE GODS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 december 1935

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's