BEKEERING VAN K. VAN GENNE
Ik moest deze voor mij zoo aanbiddelijke weg passeeren, want God had over mij, onwaardige, een ongedacht goed uitgedacht en het heeft Hem behaagd Zijn geliefden Zoon in mij, nietigen sterveling, te openbaren. Ik moest toen kort na de loting naar mijn garnizoen, waar ik voor de dienst werd ingedeeld. Des morgens voor mijn vertrek zei mijn moeder, van wier hart ik als gescheurd werd : „De Heere is met u". Hoever zij er gevoel van had, kan ik niet beslissen. Dit heb ik evenwel ondervonden, dat God miet mij was. Mijn vader, die mij ook gaarne wilde houden, bracht mij weg. Toen ik dan in dienst gesteld werd, viel mij het ongodsdienstige en zondige leven zeer zwaar. Mijn hope, die ik gehad had, viel nu ook geheel weg, zoodat het leven mij bitter werd. Droeviger tijden kende ik in mijn leven niet. Van mijn ouders was ik nu verwijderd en van lezen, bidden op mijn knieën en psalmzingen, was ik nu ook verstoken. Nu was ik, zoo het scheen, van God en menschen verlaten. Het volk, waar ik mee verkeeren moest, was uitermate goddeloos, dartel en losbandig, en mijn hart kromp weg van treurigheid, zoodat ik uit allen gekend werd. Ik was ook zeer bevreesd wat ik naar het slagveld moest, waar het zeer naar scheen. Hierdoor had ik het somtijds zeer moeilijk, zoodat het mij menigmaal was, alsof ik de wereld op mij had geladen. Maar God plaagt en bedroeft de menschenkinderen nooit van harte ; mijn weg werd spoedig verlicht. Het gebeurde na een kort verblijf dat allen, met wie ik in dienst was getreden, weg moesten, waarin Gods hand ook weer bijzonder toonde met mij te zijn. Ik bleef bijna alleen over. Ziet, zoo weet God wegen en middelen te openen die wij niet weten uit te denken. Ik nam nu weer opnieuw voornemens op om voor God te leven, die nu weer zoo zichtbaar getoond had, dat Hij met mij was. Maar het was weer in eigen krachten, wat mij ook zoo bij de handen afbrak.
O, Gel. vriend, was die goedertieren God mij, verdoold zondaar, niet te sterk geworden, zoo zou ik tot de dag mijns doods zoo zijn voortgegaan, maar Hij heeft Zich mijner ontfermd. Ik was door Hem in eeuwige liefde gekend en aan den Zoon gegeven tot een erfdeel, hoewel nog een verdoold schaap, dat tot den stal nog moest gebracht worden door dien goeden Herder. Maar ziet, eens — wat weet God toch wonder te werken — kwam ik bij een vroom mensch, die jarenlang de weg naar den hemel had bewandeld, van wie ik veel hield en die ik zoo groot en gelukkig achtte. Zij sprak met mij over de zaligheid, die er in de dienst van God was aan te treffen, en wat een onuitsprekelijke vreugde er in het genieten van Jezus wasi. Zoo beminnelijk had ik het nog nooit gehoord. Ja, gel. vriend, het ging mij als Lydia, ik mocht met haar ook acht geven op hetgeen er gesproken werd, en God opende mijn hart. Ik kreeg mijzelven nu te beschouwen, dat ik van dat alles nog vreemd was, zooals zij mij vertelde, hoe zij nooit meer vreugde genoten had dan in het dienen, van God ; zij kreeg in die oogenblikken ook bijzondere invloeden des Geestes, en zij heeft mij naderhand betuigd, dat zij nooit met iemand zoo gemakkelijk had kunnen spreken. Mijn tijd riep mij eindelijk, dat ik van haar moest scheiden, en toen ik even buiten de deur was, kwam mij de Heere voor met deze woorden uit Ef. 2 : 12 : „In dien tijd, toen gij waart zonder Christus, vervreemd van het burgerschap Israels, een vreemdeling van het verbond der belofte, geen hoop hebbende en zonder God in de wereld".
Een allertreurigste en diep rampzalige toestand, waarin ik, zoo mij voorkwam, nu nog verkeerde. Daar ontvielen mij nu alle toedekselen dier schande, die zondige deugden, die ik verricht had. Daar stond ik nu als naakt uitgekleed, zonder eenige gerechtigheid voor den vlekkeloos heiligen en onkreukbaar rechtvaardigen God. Nu stond ik daar als van verre. Maar God, die zoo goed als groot is, wist mijn moeilijke weg en het behaagde Hem (Galaten 1 : 16) om Zijn Zoon aan mij, onwaardige, te ontdekken en te openbaren. Hij wist hoe treurig mijn weg was en dat; ik verkeerde, waar de troon des satans was. Openb. 2 : 13. Toen ik dan in de kazerne kwam, kwam mij de duivel aan te vallen, hoe het mogelijk zou zijn voor mij in zoó een weg God te dienen. Maar God kwam mij voor met deze woorden (Jes. 43 : 13 : „Als Hij werkt, wie zal het dan keeren ? ", woorden, die ik van achteren met nadruk heb ondervonden waarheid te zijn. Ja, de hel heeft er wat tegen aan gedruischt en had er geen almachtig God de hand aan mij geslagen, hoe zou het met mij zijn afgeloopen. Maar God, die een goed werk in mij begonnen had, heeft dat ook gekroond. Fü. 1 : 16.
Zoo de Heere wil, zullen wij het een en ander hiervan mededeelen. Ik was voor het tegenwoordige als iemand, die uit de slaap ontwaakt was. Ik zag nu, dat er èen Jezus was en dat ik Hem moest hebben om zalig te worden. Ik had tevoren wel menigmaal Jezus hooren noemen en van Hem gelezen, maar daarna was ik uit een droom ontwaakt. Het was, of ik al mijn leven te voren geslapen had. Dit is beter te gevoelen, dan te beschrijven. Mijn uitzichten waren van dien tijd af aan naar den Heere Jezus, zooals ik het te voren nooit gekend had. Zijne gerechtigheid moest mijn gerechtigheid voor God worden. Ik mocht toen een keuze doen om het met de vrienden van God te houden tegen alle haat van de vijanden mijner zaligheid, die mij den dood gezworen hadden en mij strik op strik spanden, om, ware het mogelijk, mij weer onder het juk der dienstbaarheid te brengen. Maar die met mij was, was meerder dan die tegen mij was, hoewel ik het toen nog niet kon gelooven. Mijn bezwaren werden van tijd tot tijd meer en meer en somtijds hooggaande. Veeltijds dacht ik, dat er van mijn verwachting niets zou komen, dan waren mijn zanden te groot en menigvuldig, dan dat God met mij zou willen te doen hebben, dan woog de zaak van de eeuwige zaligheid mij niet genoeg, en menigerlei bezwaren meer, alle niet mogelijk te noemen. Mijn zielevrienden waren zeer over mij verblijd, daar zij hoopten, dat God een goed werk in mij begonnen had, hoewel ik uit onvrijmoedigheid niets of zeer weinig durfde te spreken, maar meestal in tranen wegsmolt, uit vrees van met een leugen in mijn rechterhand te zullen verloren gaan. Dit perste en drukte mij menigmaal zoó zwaar, dat ik mij wel blind geschreid heb uit de groote verlegenheid mijns harten. Echter was ik niet zonder hope. De Heere bemoedigde onder dit innerlijk treuren mijn ziel gedurig door een woord, op mijn toestand gepast, toe te voegen. En hoewel mij dit niet genoeg was om mijn weg gemoedigd voort te zetten en de eeuwigheid daarop in te wachten, zoo zette mij dit toch gedurig aan het werk, om toch die ruste te vinden, die erin Jezus was en om een deelgenoot te worden van de zalige vrijheid en heerlijkheid der kinderen Gods.
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 december 1935
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 december 1935
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's