FINANCIËN
Dat het leven in onze dorpen een weinig verschilt van dat in de steden, behoeft geen nader betoog. Allerlei factoren werken hiertoe samen. Men kent in de steden elkander zoo niet. Voornamelijk ih de grootere steden behoort dit, zooals gemakkelijk te begrijpen valt, tot de onmogelijkheden. Toch zou met eenigen goeden wille het kwaad van heelemaal niets van elkander af te weten, wel iet of wat kunnen worden ingeperkt. Denkt u niet, dat in Amsterdam en Rotterdam — om maar een paar van onze grootste steden te noemen — tal van straten zijn aan te wijzen, waar de benedenwoners op de vraag, wie er boven hen wonen, u het antwoord geheel schuldig zullen blijven. Men weet het eenvoudig niet. Men laat zich hoegenaamd niet met elkander in.
Dat hierin een niet te miskennen armoede schuilt, behoeft nauwelijks te worden gezegd. Zou bet nooit gebeuren, dat van de lippen van niet weinigen de klacht zich baan breekt: „ik voel me eenzaam en verlaten tusschen die opeenhooplng van menschen".
Dit gevaar dreigt veel minder in de plaatsen, die dorpsgewijze worden bewoond. Hier kent men elkander, hier weet men niet alleen iets van elkander af, maar men leeft ook mee.
Ziet, hieraan heeft de mensch toch in den grond der zaak behoefte. Hier kan de mensch niet, zonder groote schade voor zichzelf èn voor anderen, buiten. Wie dit meent, vergist zich. Wie de gedachte bij zich omdraagt: „ik heb met niemand iets te maken", „ik trek me van geen mensch iets aan", „heel de wereld laat me koud", bluscht op den langen duur elke vonk van hetgeen men levensadel noemt. Hij of zij wordt zeker een last voor zichzelven èn voor den enkeling, dien men nog ontmoet.
Zoo laat zich ook het spreekwoord verstaan : „beter een goede buur, dan een verre vriend". Natuurlijk dient men bedacht te zijn op een zeker kwaad, dat voorkomen dient te worden, n.l. den drempel niet eiken dag te betreden. Hiertegen waarschuwt de wijze koning reeds in het Spreukenboek. Doch welk een genot kan er in schuilen, dat men met elkaar meeleeft en meezorgt. Voorzeker een gave Gods.
Geldt dit in het gewone, dagelijksche leven, óok in figuurlijken zin kennen we onze vrienden en goede geburen. Denkt u ergens een oord, waar u nooit een blad te lezen werd aangeboden. Ge leefdet enkel en alleen bij v/at u bij geruchte in de ooren werd geblazen. Ja, ook dat laatste werd nog uitgesloten. Voor een enkele onzer zou dit misschien nog eenige bekoring hebben, voornamelijk geldt dit in onze dagen, dat de veelheid van geruchten en van feiten zoo geweldig is, dat ge de zucht nauwelijks vaak in kunt houden : „och, laat me maar een enkelen dag ongemoeid, ik word er beu van ; ik kan er best één dag buiten".
't Mag waar zijn, maar wees nu ook zoo eerlijk om mij te zeggen, hoe kort of het duurde of die zelfde man vroeg : „Zijn er geen couranten ? Is er geen bericht omtrent dit, of aangaande dat ? Geen enkel blad is niet wel mogelijk of het wel toelaatbaar is, is voor mij zelfs geen open vraag.
Wij behooren op de hoogte te zijn omtrent hetgeen er rondom ons geschiedt, ja, zelfs wat tot ons doortrekt van de einden der aarde, mag ons niet onbekend blijven. Wij mogen en moeten er mee tot God gaan.
Waar deze gedachtelijn mij heenvoert, zal ik u zeggen. Ik kom tot het eigen blad, waarin deze rubriek, met inleiding, zal worden geplaatst. Ge zult het mij niet euvel duiden dat ik hiervoor eenige meerdere attentie verder dan gewoon.
Voor velen is ons blad een goede buur en een verre vriend tezaam. Hij overloopt uw drempel niet. Bescheidenlijk klopt hij slechts één keer in de week aan uw deur. En het „kom binnen" wordt door zeer velen goed waarneembaar uitgesproken. Men vindt het heeiemaal niet prettig — zooals mij dezer dagen bleek —dat De Waarheidsvriend inplaats van Donderdagsavonds pas Vrijdagsmorgens in de bus gleed. En als hij door een of andere omstandigheid eens niet bezorgd werd, was men heelemaal niet best te spreken.
Neen, zonder overdrijving: deze vriend wordt niet ongaarne ingelaten. Deze behoort bij het gezin. Wanneer ik dit laatste opmerk, heb ik hiermee op 't oog enkele vragen te beantwoorden.
De tijdsomstandigheden zijn n.l. voor vele onzer vrienden bepaald zeer moeilijk. Men kan niet meer doen, zooals men gewoon was. Bezuinigd moet er worden. Waarop kan het ? zoo luidt de vraag.
Zullen wij de bladen eens rangschikken ? Kan deze niet verdwijnen of die niet met een ander worden gelezen ?
En zoo komt het, dat men uit zuinigheid een vriend de deur wijst.
Dat dit kwaad doet naar twee kanten, zal ik u duidelijk maken. Wat de vriend in uw woning, in uw kring, in uw midden in droeg, is in zeer vele gevallen opgehouden. Ge leeft niet meer mee, eenvoudig hierdoor, dat ge 't niet meer hoort. Het kanaal is afgedamd.
Dat is één kant.
De andere zijde raakt mij niet alleen, maar alle medewerkers aan ons blad. Ik kan mijn gedachten, mijn wenschen en begeeren aan u niet meer kenbaar maken. En dat vind ik verschrikkelijk. Zoo'n blad is voor ons werk onmisbaar.
Dat dit door niet weinigen zoo wordt aangevoeld, blijkt me telkens, en dezen morgen wel héél sterk. Ik kreeg n.l. van onzen Voorzitter, tegelijk met een girobiljet van 100 gulden, een schrijven, dat hem deze gift was ter hand gesteld met het oog op de zoodanige lezers, voor wie het abonnementsgeld te zwaar zou vallen.
Wie het dus niet meer kan, of voor wie het al te moeilijk wordt, behoeft het mij maar te zeggen. Het blijft tusschen ons en hij ontvangt zijn „Vriend" weer op dezelfde wijze als voorheen, zonder te betalen. Hij kan het „kom binnen" weer laten hooren, even opgewekt als altijd. Deze „Vriend" behoort bij uw gezin, bij uw heelen kring. Onze relaties zijn al te nauw om vanwege zulk een reden te worden afgebroken.
Als deze 100 gulden op is, vertrouw ik wel, dat een andere 100 gulden wel weer voor mij gereed ligt. In deze goedheid werd ik nog nooit beschaamd. Ik behoefde mijn mond nog niet eens open te doen of het antwoord klonk mij van des Heeren kant al tegen. Ik ben wat vaak verlegen gemaakt onder Zijne weldadigheden.
Mocht er iemand zijn, die er iets voor gevoelde om een klein fondsje in dezen te stichten, ik ben in dezen paraat.
Zulk een hulpfonds zou mij best lijken.
Dus van mijn zijde stuit ge op geen enkel bezwaar.
't Is niet onmogelijk, dat er onder de lezers meer .dan éen schuilt, die bij zichzelf zegt: daaraan kan ik helaas, geen hulpe bieden, maar wat ik wél zou kunnen is dit, dat ik in mijn vrijen tijd — en die is vrij groot — eens voor onzen „Vriend" op stap ging om meerdere lezers te werven.
Met dit idee ga ik geheel accoord.
Ook zij, die niet het volle abonnementsgeld kunnen betalen, zijn welkom. Ge kunt u met mij verstaan. Het zou me al zeer verwonderen, of wij komen tot een goed einde.
Zooals ge gezien zult hebben, heeft De Waarheidsvriend al weer met het pas begonnen boekjaar een nieuw passend kleed aangetrokken. Daar bij heeft men zorg gedragen, dat de inhoud daaronder niet leed. Zooals ge gezien zult hebben, wordt voortdurend op uitbreiding het oog gericht. Ons Bestuur doet wat het kan om zooveel mogelijk te beantwoorden aan het doel dat ons in alles voor oogen staat: de Waarheid naar Gods Woord te verdedigen en te verbreiden.
Wij rekenen in dezen op aller medewerking. Laat ons komen tot ons overzicht van deze week. Het was al weer ver boven onze verwachting.
1. Het eerst laat ik voorop gaan de gift van honderd gulden ƒ I00. .Het bijschrift luidde : om te komen tot een reserve-fonds voor wie het abonnementsgeld niet meer kunnen bijdragen. Ik ben er hartelijk over verblijd en spreek bij deze mijn vurige wensch uit, dat dit fonds mag groeien en velen daaruit kunnen putten. De Voorzitter wil mijn oprechten dank wel overbrengen aan den gever.
2. De tweede gift kwam uit Gouda, n.l. van den heer P. v. d. Z. voor het lezen van De Waarheidsvriend . Deze tweede post beweegt zich in dezelfde lijn als de eerste. Onze vriend v. d. Z wordt hartelijk bedankt.
3. Onze Penningmeester van de Afd. Rotterdam en Kralingen zond mij een nalezing van de contributies, n.l - 6.38 Dit komt vaker voor. Altijd zijn er onder de leden, die het niet past, en zoo zijn er. altijd van die nalezingen. De Penningmeesters getroosten zich deze niet geringe moeite gaarne. Ook ik ben er zeer mee tevreden. Hartelijk dank.
4. Te Nijkerk o/d Veluwe werd een spreekbeurt gehouden, waarbij ds. Luteijn, van Onstwedde, voorging.
De collecte bracht op - 19.05 Wij zeggen de Nijkerksche vrienden ook vriendelijk dank.
5. Te Leiden ben ik dezer dagen zelf geweest. Met genoegen was ik in hun midden. De Penningmeester stelde me dadelijk 5 gld. ter hand, waarna hij van de fam. v. H. mij nog een rijksdaalder toezond, terwijl ik als eindgift mij een girobiljet zag geworden van ƒ 12.50, zijnde ƒ1.— aan contributie en ƒ 1.— als gift en ƒ 10.50 uit de collecte. Samen - 20.— Ik dank allen zeer.
6. Uit de collecte van De Bilt zond me de heer O - 2.— Ik dank èn gever èn zender zeer hartelijk.
7. Het busje van de familie v. W. te Vianen leverde me deze keer op de som van - 2.— Mag ik hen tezamen mijn dank betuigen.
8. De Penningmeesteres van de Meisjesvereen. Tabitha te Soest zond me een deel van de opbrengst van den bazaar voor het Leerstoelfonds, n.l. het niet onaanzienlijk bedrag van - 20.— Voor dit blijk van medeleven, inzonderheid van de Meisjesver een., ben ik hoogst erkentelijk.
9. Ds. Remme, van Amsterdam, zond me een gift van 25 gld., aldaar gecollecteerd in de Bijbellezing - 25.— Deze gift heeft mij ten zeerste verblijd. Gods zegen ruste er rijkelijk op.
10. Van de Afdeeling te Eindhoven werden mij, toen ik daar dezer dagen in hun midden was, ter hand gesteld ƒ 5.18 plus 1 gld, als contributie. Samen - 6.18 Wij bolijven ook onze vrienden aldaar gedenken bij hun allesbehalve gemakkelijk werk en zeggen hen dank voor wat zij in dezen hebben gedaan.
11. Van Den Hulst werd me toegezonden de collecte, aldaar bij een spreekbeurt gehouden, waarbij als voorganger optrad ds. Spelt, van Rijssen. Zij bedroeg - 14.6S Wij zeggen ook deze vrienden hartelijk dank.
12. Mocht ik van de Soester vrienden reeds een gift ontvangen, 't bleef er deze keer niet bij. Onze vriend v. Esch, de Penningmeester van de Afd., zond me nog - 42.— n.l. ƒ 31.50 aan contributie plus ƒ 10.50 voor het Studiefonds. Ik ben er hoogst erkentelijk voor en dank al de vrienden.
13. Onze vriend E. Roest, de ijverige Penningmeester van de Afdeeling Kampen, zorgde ook weer voor een verrassing. Eerst kwam de inhoud van het busje van de Zondagsschool op Geref. grondslag, ƒ 16.13. Daarna de collecte, gehouden bij een spreekbeurt van ds. De Geus, van De Bilt, zijnde ƒ 24.—, met ƒ 1.— uit de collectezak, en ten slotte de inhoud van het busje no. 125, zijnde ƒ 15.—. Samen - 56.13
Als altijd, blijkt het medeleven van onze Kamper vrienden met ons werk niet ; klein. Steune en sterke de Heere hen ook in de moeilijke tijden, welke zich ook hier laten gevoelen. Van onzen dank kunnen zij zich verzekerd houden.
14. Ds. V. d. Hee te Polsbroek volgde met nog een verrassing. Hier was n.l. ds. Fokkema, van Amstelveen, voorgegaan bij een spreekbeurt en had voor onze fondsen gecollecteerd niet minder dan ƒ 55.—. Hier was nog bijgevoegd de inhoud van twee catechisatiebussen, n.l. van Polsbroek ƒ 16.— en van Benschop ƒ 9.—. Samen - 80.— Dat is prachtig. 'k Ben hiervoor dubbel dank verschuldigd zoowel aan ds. v. d. Hee en de Gemeente, als aan den Pastor, die voorging.
15. De sluitpost van heden gelijkt op die van de vorige week, n.l. deze komt ook van een onzer jonge menschen, die zijn Intrede deed in een nieuwe gemeente, n.l. ds. Hovius. te Ouddorp. Was die van de vorige week in zijn eerste gemeente, deze kwam in zijn tweede.
De gemeente van Ouddorp heeft vanouds een goede naam. 't Is een waarheidlievende gemeente. Ik wensch den jongen Pastor zeer hartelijk geluk met zulk een standplaats. Geve de Heere hem daar voor het Woord een geopende deur. Strekke de prediking tot een zegen voor velen.
Bij deze Intrede werd een collecte gehouden voor het Studiefonds, waarmee ik ten hoogste ben verblijd. Vanuit zulk een omgeving mogen we immers verwachten dat ons werk wordt opgedragen voor den Troon en gesteund door hare giften.
De collecte bracht op de niet onbelangrijke som van - 62.40 Nogmaals m'n zeer hartelijken dank en Gode bevolen.
Tezamen geteld kom ik tot een eindsom, waarop ik heelemaal niet had gerekend, n.l.
ƒ 456.79
Van dien God, die alles geeft, blijve onze verwachting.
Utrecht.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 december 1935
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 december 1935
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's