De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

OUDEJAARSAVOND

10 minuten leestijd

„Wij vliegen daarheen". Psalm 90 : 10b.

Zooals snelle jachtschepen met hun blanke zeilen daarheen varen voor ons oog  zoo gaat het leven daar heen van den sterfelijken mensch.
Aldus heeft eenmaal de groote lijder uit den dag der Oude Bedeeling, de vrome Job, reeds getuigd in de schoone lyriek van zijn boek.
En een andere groote Godsman uit het oude Israël heeft van het leven getuigd, dat het is als een droom na het ontwaken.
Ook de groote Prediker luidt de doodsklok over ons leven, als hij waarschuwend roept: „IJdelheid der ijdelheden, het is alles ijdelheid !" In het bijzonder op den
oudejaarsavond stormt de waarheid dezer woorden aan op onze ziel.
Dan beluisteren wij in den geest de stem, die Johannes op Patmos eens opving van den hemel uit den mond van den Engel : „Aldaar zal geen tijd meer zijn !"
En heel onze ziel stemt in met het woord uit den negentigsten Psalm: „Wij vliegen daarheen !"
Alles draagt op aarde het teeken des doods. Alles ligt onder de wet der ijdelheid besloten. Heel de wereld gaat voorbij met al haar begeerlijkheid.
Nauwelijks heeft zich de bloemknop ontplooid, of de bloem welkt reeds weg. Nauwelijks heeft de pracht der lente zich vertoond aan ons oog of haar bloeisel valt af en haar schoon is vergaan.
Niet anders gaat het in het leven der volkeren. Eén oogenblik klimt een volk tot het toppunt van glorie en macht en het andere moment is zijn luister vergaan, : zijn kracht verteerd en wordt het eens zoo machtige volk uit de rij der groote natiën uitgebannen!
Eens riep Babels vorst: „Heb ik niet dit machtige Babel gebouwd !" en heden is van het groote Babel niets anders meer over dan een doodsche ruïne.
Eens stond ons eigen volk aan de spits van de natiën der wereld en thans wordt in het machtig wereldgebeuren ternauwernood gerekend met ons kleine vaderland'.
Alles drijft voort op den stroom van den tijd en indien God in Zijn genade den toeleg van satan niet verijdelde, zou hij alles reddeloos doen verzinken in den golfslag des tijds.
In het bijzonder geldt die wet der vergankelijkheid voor het menschenkind, dat juist door zijn zonde en afval van God' de oorzaak is, dat de macht des verderfs en des doods op aarde is begonnen.
De mensch, van een vrouw geboren, is kort van dagen en zat van onrust. Hij komt voort als een bloem en wordt afgesneden ; ook vlucht hij als een schaduw en bestaat niet.
Het leven is voor een ieder onzer slechts een handbreed gesteld en toch — wij doen veeltijds alsof wij het naar eigen willekeur konden afmeten met de ellemaat.
Bovenal in de jeugdkracht van het leven grijpt de mensch naar de meetroede en meet rusteloos zichzelven niet enkel seconden en minuten, maar zelfs dagen, maanden en jaren toe.
En tooh — op iedere bladzijde van ons levensboek mag wel geschreven staan :
„Gedenk, o Heer, hoe zwak ik ben, hoe kort van duur; Het leven is een damp ; de dood wenkt ieder uur."
Terecht is: het leven een strijdperk genoemd. Wij staan allen in den strijd. Dag aan dag zien wij vrienden rondom ons vallen.
Alleen — wij zelven vielen niét. Ja, wij vielen nóg niet.
Maar de stervens-ure van dit jaar is een onbedriegelijk voorteeken van uw stervensdag, lezer of lezeres, en ook van de mijne. Eenmaal spreekt de Heere van leven en dood ook tot u en tot mij : „tot hiertoe en niet verder."
Ons werkpak en ons feestgewaad wordt met het witte lijkkleed verwisseld.
Dan spreekt God : ,,het is gedaan" tot den denkenden geest.
Dan spreekt God : „het is geschied" tot de werkende hand.
Moeder, laat de zorg voor uw kind aan anderen over, want uw avond is daar. Vader, zet uw arbeid maar stil, want de nacht is daar, waarin niemand werken kan.
Kind, staak uw spel, want de zwarte wagen komt aan.
„Wij vliegen daarheen".
Dat woord wijst bovenal op den gang van ons jachtenden leven.
„Wij vliegen daarheen!"
Waarschijnlijk heeft de dichter gedacht aan de snelle vogels, die met reppende vlerken voortschoten over de wijde vlakten der woestijn, waarin hij met zijn volk was gelegerd.
Zooals de vogel met machtigen slag van zijn wieken opdoemt voor het spiedend oog aan verren horizont om in een enkele spanne tijts te verdwijnen aan vergelegen kim — zoo is het leven.
Het was in ouden dag gewoonte op den kansel in Gods huis een zandlooper te plaatsen. Rusteloos gleden de zandkorrels neer en naar mate die korrelen verminderden, naar die mate nam ook de snelheid der wegglijdende zandkorrelen toe.
En de ouden van dagen zullen u zeggen, dat het levensgespan al sneller gaat naar mate de rit van het leven den eindstreep tegengaat.
„Wij vliegen daarheen !"
Zooals in vuurgloed staat de dalende zon aan lagen Wester kim om in enkele minuten dien vuurgloed te blusschen in de opklimmende avondwolken — zoo daalt de levenszon snel in de nachtelijike doodswolken neder.
„Wij vliegen daarheen!"
Voort gaat het, altijd verder, immer sneller. De reis kort op naar het graf, mateloos snel. De dood wint op ons van dag tot dag. Daarom — ik herinner u aan het woord van den Christus, dat Hij tot Zijn discipelen zeide : „Wat Ik u zeg, dat zeg Ik allen : Waakt!"
En weet ge, wat nu het diep-tragische is ? Dit: het leven grijpt den mensch zoo machtig aan, dat hij meer wordt geleefd dan hij leeft. Door al de bekommering van het jachtende leven wordt zijn geest in zulk een mate in beslag genomen, dat hij geen oor heeft voor de roepstem des Heeren, die tot waken vermaant; geen oog voor het oordeel, dat komt.
En toch — heel de aarde wordt rijp voor het oordeel.
„Die ure is nog ver", zegt menige luchthartige spotter.
„Zooals het van den beginne is geweest, zoo is het nog. Waar blijft dan de dag Zijner toekomst ? "
Doch juist die vraag in den mond van den spotter is een bewijs, dat hij rijpt voor het oordeel.
Daar is weer een ander, die zegt: „Die toekomst is nog ver, want er moeten eerst nog tijden van bange vervolging aanbreken voor Christus' Kerk op aarde".
Die dat zegt, heeft gelijk, want Christus' Kerk op aarde en haar vervolging betreft.
Want in den korten tijd, die ons nog scheidt van den oordeelsdag, zal Sion nog vele tranen op deze aarde schreien.
Want het zal geschieden in het laatste der dagen, dat niemand meer in de wereld zal meetellen, die het Beest niet zal aanbidden.
Christus' Kerk zal staan als een nachthutje in den komkommerhof. Gods gemeente zal moeten vluchten in de spleten der bergen.
Zij zal als een weerlooze duif worden bedreigd door een gehaten roover. En dan zal het einde zijn.
Dan straalt ontstellend bang het licht van den oordeelsdag over een wereld, die naar God en Zijn Christus niet vroeg.
Wie zijn het nu, van wie de dichter zegt: „Wij vliegen daarheen". Konden wij van allen maar zeggen, wat van Mozes kan getuigd worden, namelijk dat hij wel een broos en vergankelijk menschenkind was en in zichzelven een verloren zondaar voor God, maar een zondaar, die uit genade temidden van de vergankelijkheid het lied des levens mocht zingen:
„Gij zijt, o Heer', van d' allervroegste jaren Voor ons geweest een toeVlucht in gevaren". Een zondaar, die met een anderen dichter mocht juichen :
„De schoonste plaats mat Gij met ruime snoeren, O, heerlijk erf, gij kunt mijn ziel vervoeren". Als wij zoo mogen staan als Mozes door genade stond — laat dan maar welken het blad en laat verdorren de bloem ; laat het leven dan zijn als
een ijle schaduw — geen nood, want zulk een begenadigde zondaar mag roemend jubelen : „Dood, waar is uw prikkel ? Hel, waar is uw overwinning ? "
Maar als Mozes zegt: „Wij vliegen daarheen", dan doelt hij met dat woord niet enkel op degenen, die kinderen Gods zijn, maar dan verwijst hij naar heel het menschelijk geslacht, zooals dat buiten Christus onder dood en oordeel ligt.
Dan bedoelt hij met dat „wij" menschen, van wie in den Brief aan de gemeente te Rome wordt gezegd, dat zij tezamen onnut zijn geworden en allen van God zijn afgeweken.
Menschen, die in hun diepen val niet roepen om een Redder, maar integendeel de ooren dichtstoppen, als die Redder roept en de hand hun biedt.
Menschen, die door hun zonde heel die stroom van ellende over de aarde hebben doen komen, waardoor nu de wereld een klaaghuis is geworden.
Menschen, die dan ook buiten Christus niet 'kunnen bestaan voor den grooten heiligen Rechter.
Voor heel die menschenwereld geldt het dus: „Wij vliegen daarheen".
Maar zal dan heel het menschelijk geslacht te gronde gaan ?
Zal dan heel dat geslacht wegzinken in eeuwige duisternis ?
Neen, Gode zij dank — daar is. Eén, Wien nog het waarachtig geluk des menschen ter harte gaat.
Ge kunt Zijn genade lezen in den boog in de wolken, dien Hij over deze wereld heeft gespannen reeds aanstonds na den zondvloed. Maar ge kunt Zijn genade bovenal schouwen in de kribbe van Bethlehem en in het kruis, van Golgotha.
In den Kerstnacht is Jezus Christus neergedaald in den stroom des tijds.
Hij heeft het eeuwige gebracht te midden van dit vergankelijke.
Hij is gekomen om het weggedrevene te grijpen. Heeft die Christus ook u gegrepen ?
Moogt gij met al de kinderen des Koninkrijks aan den avond van dezen dag met den dichter juichend zeggen : „Bij U, o God, is vergeving, opdat Gij gevreesd wordt!"
Zie, dan mag achter de gesloten deuren van de binnenkamer op den Oudejaarsavond een danktoon opstijgen tot God.
'En ja, dan hebt gij achter die gesloten deuren nog wel veel te klagen over u zelf,  over de zonden, door u dit jaar bedreven. Dan zult gij achter de gesloten deuren met een David moeten nadelen tot God met de bange Macht: „Ik maak U mijn ongerechtigheid bekend ; ik ben bekommerd vanwege mijn zonde. Ontzondig mij met hysop, en ik zal rein zijn !"
Dan zult gij achter de gesloten deuren wel moeten belijden, dat er ook bij u in dit jaar zooveel saambinding is geweest van Christus, en Belial; dat daar zoo menigmaal is geweest een wandelen op de kromme paden der zonde ;
zooveel zwakheid en ongeloof en dorheid ; zooveel geesteloosheid en gebeds-armoede ;
dan zult gij, ziende op uzelf, nederliggen met asch op het hoofd.
Maar als gij dan weer moogt zien op den Christus met het oog des geloofs en den zoom van Zijn kleed moogt aanraken, dan zult gij straks achter de gesloten deur weer uitgaan uit uw binnenste kamer en met de versche ervaring van Gods vergevende genade in uw ziel te midden van dit vergankelijke leven weer zingen :
»Maar 's Heeren gunst zal over die Hem vreezen In eeuwigheid altoos dezelfde wezen : Zijn trouw rust zelfs op 't late nageslacht. Dat Zijn verbond niet trouweloos wil schenden. Noch van Zijn wet afkeerig d' ooren wenden, Maar die, naar eisch van Gods verbond, betracht*.
Huizen (Gooi).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 december 1935

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 december 1935

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's