STAAT EN MAATSCHAPPIJ
EEN ONREDELIJKE EISCH
De spanning, waarin de voorstanders van het bijzonder onderwijs sedert de indiening van het wetsontwerp ter verlaging van de openbare uitgaven voor het onderwijs verkeerd hebben, is door de verklaring, welke door dr. Colijn in de vergadering van de Tweede Kamer, vorige week Vrijdag, werd afgelegd, weggenomen.
Zooals onze lezers zich zullen herinneren, ging het bij dit wetsontwerp over de opheffing van een groot aantal bijzondere scholen, wier oprichting en instandhouding tot heden mogelijk was, omdat zij voldeden aan de eischen, welke in de Lageronderwijswet 1920 voor het toekennen van de vergoeding uit de publieke kas worden gesteld.
Deze eischen werden in het bezuinigingsontwerp voor het onderwijs belangrijk verzwaard.
De bestaande wet bevat voor de bijzondere scholen, gesticht vóór 4 Augustus 1933, de bepaling, dat voor bijzondere scholen voor gewoon lager onderwijs, waarvan het aantal leerlingen bedraagt 40, 60, 80 of 100 al naar gelang de scholen gevestigd zijn in gemeenten met minder den 25000, met 25000 of meer, met 50.000 of meer, of met 100.000 of meer ingezetenen, een vergoeding uit 's Rijks kas zal warden verstrekt.
Deze getallen werden verhoogd met 25 pet. en alzoo gebracht op 50, 75, 100 of 125, een verzwaring — zooals wij hierboven schreven — welke tot gevolg moet hebben, dat tal van bestaande bijzondere scholen niet meer voor een vergoeding in aanmerking kwamen en dus dienden gesloten te worden.
De bedoeling der Regeering met dezen maatregel was, om tot een gedwongen concentratie bij het bijzonder onderwijs te geraken.
Natuurlijk toestaat tegen een vrijwillige concentratie op zichzelf geen bezwaar. Deze is noodig. En ieder voorstander van het bijzonder onderwijs zal ongetwijfeld bereid zijn, om voor zoover dit mogelijk is, tot samenvoeging van bijzondere scholen zijn medewerking te verleenen.
Ecihter waren stappen in deze richting op dit oogenblik nog niet mogelijk, omdat elke wettelijke voorziening met betrekking tot een regeling van de financieele gevolgen van de opheffing eener bijzondere school alsnog ontbrak.
Vandaar, dat het een hoogst onredelijke eisch zoowel van de Regeering als van de voorstanders van het openbaar onderwijs was, om zonder deze regeling tot concentratie van bijzondere scholen te dwingen.
Dit feit was het in het bijzonder, dat bij de behandeling van het wetsontwerp ter verlaging van de uitgaven voor het onderwijs bij de rechterzijde van de Tweede Kamer tot verzet uitlokte.
Intusschen is thans in paragraaf 13 van het wetsontwerp de voorziening betreffende de vergoeding voor terreinen en gebouwen en terugbetaling der waarborgsommen aan bijzondere lagere scholen getroffen en zijn met deze voorziening dus de financieele bezwaren bij een eventueele concentratie voor de bijzondere scholen, die opgeheven zullen worden, weggenomen. Had de Regeering eerder dan op dit oogenblik de vrijwillige concentratie willen bevorderen, dan had zij reeds lang de geldelijke moeilijkheden moeten regelen.
Daarom kon bij de behandeling van het bezuinigingsontwerp paragraaf 12, inhoudende de beperking van het aantal bijzondere scholen voor gewoon lager onderwijs, niet worden aangenomen.
Dit heeft de Regeering nog op het laatste oogenblik, toen bij de beraadslaging over paragraaf 12 gebleken was, dat er in de Tweede Kamer geen meerderheid voor de aanvaarding dezer paragraaf aanwezig was (de geheele rechterzijde had zich tegen de aanvaarding der paragraaf verklaard), aanleiding gegeven tot het afleggen van haar verklaring.
Bij deze verklaring nam de Regeering de paragraaf terug. Zij deelde voorts mede : Het Kabinet blijft echter staan op het standpunt, dat een wettelijke regeling moet worden getroffen, om de concentratie van bijzondere scholen te bevorderen. Het acht het niet mogelijk hier met de bepalingen van § 13 te volstaan. De vraag, of die concentratie zal kunnen worden verwezenlijkt op een wijze, die de tegen § 12 ingebracht bezwaren ondervangt, zal op korten termijn worden onderzocht door een Staatscommissie van veelzijdige samenstelling, die zal arbeiden onder leiding der Regeering. Deze commissie zal dan tevens tot taak hebben om tijdig een voorstel te formuleeren met betrekking tot de wet van 4 Augustus 1933. De Regeering hoopt, dat het overleg in deze commissie binnen korten tijd zal leiden tot een oplossing die voor Regeering en Staten-Generaal aanvaardbaar zal blijken. Zij zal, indien die hoop niet mocht worden verwezenlijkt, harerzijds met een zelfstandig voorstel komen, desnoods met een al dan niet gewijzigde indiening van de bepalingen van § 12.
Aan dit voornemen voegde de Regeering nog toe :
In afwachting van het resultaat van het vorengaande, zal de Regeering harerzijds, vertrouwend op de medewerking der Staten-Generaal, het mogelijke doen om te bevorderen, dat het thans in behandeling zijnde ontwerp met spoed tot wet wordt verheven. Daardoor zullen de bezwaren, ingebracht tegen de vrijwillige concentratie van bijzondere scholen, voor een 'belangrijk deel komen te vervallen. De Regeering hoopt, dat dit ertoe zal leiden, dat aanstonds belangrijke resultaten op het stuk der vrijwillige concentratie zullen worden verkregen. Inmiddels zal, wat de concentratie van openbare scholen betreft, niet worden voortgegaan met de toepassing van het vierde lid van artikel 22 der Lager-Onderwijswet, terwijl de Regeering aanneemt, dat Gedeputeerde Staten, kennis nemende van deze verklaring, bij de toepassing van het derde lid van dit artikel met groote behoedzaamheid zullen te werk gaan. Voorts zal de Regeering, naar aanleiding van de bezwaren, die in de Kamer zijn ingebracht tegen de wijze, waarop gedurende de laatste jaren de concentratie toij het openbaar onderwijs heeft plaats gehad, een onderzoek instellen naar de gevolgen van de opheffing van openbare scholen, sedert de circulaire van 20 Juli 1933, voor zoover tot die opheffing werd besloten in afwijking van het advies van den Raad van State.
Over dit laatste deel der Regeeringsverklaring zou nog wel het een en ander te zeggen zijn. Doch voorshands laten wij het bij de vermelding van het Staatsstuk.
Door de intrekking van paragraaf 12 is inmiddels verkregen, dat de gedwongen concentratie voorloopig van de baan is.
En daarover verheugen we ons niet weinig.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 december 1935
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 december 1935
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's