De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

HET VERBOND GODS MET DEN MENSCH

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

HET VERBOND GODS MET DEN MENSCH

Melanchton.

12 minuten leestijd

Terwijl Bullinger en Calvijn in de studie van ds. Diemer hemelhoog worden geprezen, wordt Melanchton haast ter helle toe nedergestooten, want hij is immer de man, in wiens werken de kiemen liggen, die later tot een verkeerde ontwikkeling hebben aanleiding gegeven.
Zooals onze lezers weten, is Melanchton van den aanvang af de vriend en mediwerker van Luther geweest in zijn reformatorisch werk. Oorspronkelijk een taalgeleerde, is hij door de hervorming en zijn religieuzen aanleg tot theologischen arbeid gedrongen. Van gansch ander karakter dan Luther, heeft hij dezen op een bizonder gelukkige wijze aangevuld. Wederkeerig zijn zij elkander tot een steun geweest. Ofschoon zij later niet immer eenstemmig van gevoelen waren in de aanhangige strijdvragen, is de vriendschap tusschen beide mannen nooit verbroken geworden.
Is Luther de hartstochtelijke geloofsheld, die altijd in het heetst van den strijd zich werpt, Melanchton vertegenwoordigt meer het rustige, bezadigde, wetenschappelijke element in de Luthersche hervorming. Daaruit moet verklaard worden, dat Luther wel af en toe een enkel dogmatisch punt aangrijpt om een verhandeling daarover te schrijven, en dat zoó doet, dat de vonken er afspringen naar alle zijden — men denke aan zijn verhandeling over den knechtelijken wil — maar als het er op aankomt om een systematisich overzicht te geven van wat de hervormden gelooven en belijden, is Melanchton aangewezen om deze taak te volbrengen.
Reeds in 1521 verscheen de eerste uitgave van Melanchton's Loei Communes, een algemeen dogmatisch overzicht van de belangrijkste stukken. Dat dit werk in die dagen van bizonder groote heteekenis is geweest, blijkt uit de uitspraak van een roomsch theoloog, die zeide : „nu zal deze Melanchton ons meer schade doen dan Luther met al zijn geweld". Ook de Augsburgsche Geloofsbelijdenis is niet door Luther, maar door Melanchton ontworpen.
Zoowel het feit, dat Melanchton tot de Luthersche kerk behoorde, als de voortreffelijker waarde van de Institutie van Calvijn boven de Loei communes van Melanchton, hebben voor ons dit laatste werk geheel op den achtergrond gedrongen, maar wij doen Melanchton onrecht, als wij de groote beteekenls voorbijzien, die zijn werk gehad heeft voor de bevestiging van het werk der hervorming. Men vergete niet, dat de eerste uitgaaf van de Loci meer dan tien jaar vóór de eerste uitgave van de Institutie verschijnt.
Vooral na Luther's dood bleek er eenig verschil te zijn tusschen Melanchton en de vooraanstaande leidslieden der Luthersche kerk. Niet alleen dat Melanchton in zake den avondmaalsstrijd neigde naar de opvatting van het gereformeerd protestantisme, maar ook kon hij zlch niet vereenigen miet de wijze, waarop de praedestinatieleer in de Luthersche kerk nader werd ontwikkeld. Hij vreesde, dat de leer van de goddelijke voorbeschikking zou overgaan in een deterministisch noodlot, waardoor de mensch een stok en een blok wordt en alle verantwoordelijkheidsbesef wordt afgesneden. Tengevolge daarvan werd hij beschuldigd van synergisme, d.d. de loochening, dat Gods genade alles werkt, de gedachte, dat de mensch met de genade mede moeit werken. Ik wil niet ontkennen, dat hij zich in dezen strijd wel eens bloot gegeven heeft en mogelijk enkele uitdrukkingen heeft gebruikt, die verkeerd konden worden uitgelegd, maar als men den strijd aanziet, dien hij te strijden had, laten dergelijke uitdrukkingen zich zeer goed verklaren, zonder dat het noodig is hem als een semi-pelagiaan of humanist te teekenen.
In zake het beeld Gods en het verbond vóór den val, ziet ook ds. Diemer in hem humanistische motieven, althans stelde hij de gegevens zoó, dat de latere humanisten op hem konden voortbouwen.
Waar naar mijn oordeel ds. Diemer Bullinger en Calvijn te veel laat zeggen en hen stellingen toeschrijf, waarvan zij niet hebben geweten, daar doet hij aan de andere zijde Melanchton onrecht, door hem niet alles te laten zeggen wat hij gezegd heeft en het verschil tusschen hem en de beide andere reformatoren tot een verschil in beginsel op te blazen.
Reeds in zijn inleiding zegt ds. Diemer, dat na de eerste reformatoren spoedig het humanisme van Erasmus bij vele protestanten naar voren kwam en deze humanisten sloten zich volgens hem aan bij de opvatting van Melanchton over het beeld Gods en de natuurwet.
In het tweede hoofdstuk van zijn studie krijgen we een overzicht — zeer kort — van wat Melanchton geleerd heeft en onmiddellijk begint dart overzicht met de opmerking, dat deze geen verbondsleer gegeven heeft, maar van grooten invloed is geweest op de humanistische verbondsgedachte, wijl er een wezenlijk verschil is tusschen zijn opvatting en die der gereformeerden omtrent het beeld Gods. „Hij laat dit in hoofdzaak opgaan in de gerechtigheid. Deze is niet het essentieele leven Gods in den mensch (een nadere omschrijving van dit essentieele in verband met het leven Gods in den mensch ware wenschelijk geweest!, W.), want dat bezit hij niet, maar de geschiktheid om de hem ingeschapen natuurwet te kunnen houden. Slechts gradueel is de mensch van de overige natuurschepselen onderscheiden, doordat hij als redelijk wezen de zedelijke wet als regel voor zijn natuur heeft ontvangen. Door den val is deze wel verduisterd, maar als verder werkende factor nog steeds in den mensch aanwezig".
„Zoo toestaat er volgens Melanchton de natuur ; in deze natuur zijn er allerlei schepselen met een eigen aanleg en karakter, waarvoor allen een wet hebben ontvangen overeenkomstig hun natuur. Datzelfde geldt ook den mensch, die echter met eigen rede en verstand en met eigen verantwoordelijkheid die wet moet uitvoeren. Vandaar de naam natuurwet".
Dit is eigenlijk alles, wat in genoemde studie van Melanchton wordt gezegd. En het treft, dat geen enkel citaat uit Melanchton wordt gegeven, ja, dat men zelfs te vergeefs zoekt een verwijzing naar een van zijn geschriften, waar men deze opvatting nader uiteengezet kan vinden. Een oogenblik is daarom de gedachte bij mij opgekomen, of de schrijver zijn beschouwing van Melanchton misschien meer heeft ontleend aan een dogmatisch geschrift over Melanchton, dan aan de eigen werken van dezen hervormer.
Het komt mij voor, dat er na lezing van de Loei communes niet de minste reden is om de beschouwing van ds. Diemer te onderschrijven. Wij zullen daarom hier een vertaling laten volgen van dat deel der Loei, waar Melanchton over de schepping naar Gods beeld handelt. Ik gebruik daarvoor de vertaling van dr. Justus Jonas, die echter in 1555 door Melanchton zelf gecorrigeerd is geworden. (Uitgave Leipzig, 1829)
„Daarom moeten alle menschen de woorden, waarin Mozes van de schepping aller creaturen spreekt, kennen en de woorden, waarop dit artikel des geloofs steunt, dikwijls overdenken. Merk namelijk op, dat God zegt: Laat ons den mensch scheppen naar ons beeld en gelijkenis. En even later zegt de tekst: En God zag alles, wat Hij gemaakt had en alles was zeer goed".
„Deze woorden bewijzen, dat de mensch in den beginne zoo geschapen is, dat hij een beeld van God moest zijn, hetwelk den mensch zelf een getuigenis was van God en waaruit hij leerde, dat God waarlijk is en dat God een levend, wijs, goed, rechtvaardig, waarachtig, rein, zuiver, vrij en ongebonden wezen is, en dat Hij toornt over alle wanorde, die in strijd met deze zijn eigenschappen zijn, zooals ongerechtigheid, leugen, onreinheid, en dat hij straft en verdelgt zulke ongerechtige dingen, die zich tegen Hem stellen.
„Wanneer men van Gods beeld en gelijkenis spreekt, moeten deze eigenschappen allereerst in aanmerking worden genomen, hoe God is, n.l. levend, wijs, goed, rechtvaardig, waarachtig, rein, zuiver, vrij, een wreker van alles, wat zich tegen deze zijne eigenschappen keert. Zoo spreekt de heilige Paulus van het beeld. Het is wel waar, dat het volkomen en wezenlijk evenbeeld des Vaders de eeuwige Zoon is en dat wij vervolgens het evenbeeld des Zoons zijn, maar toch bestaat de gelijkenis voornamelijk in deze eigenschappen, gelijk wij gezegd hebben.
Uit deze woorden van het beeld Gods volgt nu, dat de mensch zoo geschapen is, dat God door den Heiligen Geest in Adam en Eva een schoon licht der wijsheid heeft ontstoken, waardoor zij kennis hebben gehad van God, getal, orde, onderscheid van deugd en ondeugd, de krachten in de schepselen, enz., en hun harten en ledematen zijn rein en in de juiste orde geweest en het licht in bet verstand gehoorzaam, terwijl in het hart liefde tot God, vreugde in God en andere deugden waren ontstoken. Bovendien is de wil vrij en ongebonden geweest en was van ziekte en dood geen sprake.
„Deze mensch, zoo schoon geschapen, is Gode aangenaam geweest en rechtvaardig in zijn oogen en God heeft in deze natuur zijn woning willen nemen en ons zijn wijsheid en deugden meer en meer willen mededeelen en zich in ons willen verheugen en verblijden en wij daarentegen hebben Hem gekend, geloofd en geliefd en ons hartelijk in Hem verheugd".
„Zoo is de mensch geweest vóór de zonde. Daaruit kan men verstaan, wat de erfzonde is, die een jammerlijke verwoesting beteekent van dit schoone beeld Gods.
„Eerst zult gij echter wel in acht nemen de groote liefde in de hemelsche majesteit jegens de menschelijke natuur. Allereerst wijl God in ons zijn hoogste eigenschappen heeft uitgestort, leven, wljsheid, goedheid, rechtvaardigheid, waarheid, reinheid, vrijheid en Hij heeft in ons wonen willen, zich in ons willen verheugen en kan ons niets hoogers geven dan zichzelf en deze gelijkenis zijner eigenschappen, zoo is het duidelijk, dat Zijn liefde jegens ons niet een koud ledig (dood) begrip is geweest, zooals een stoicus daarvan redeneert, maar een waarachtige ernstige brandende liefde.
„In de tweede plaats merke men op, hoe na den val de Zoon van God ons zijn liefde getoond beeft. Want de toorn der goddelijke Majesteit tegen de zonde is ook niet een koud, ledig begrip, zooals een stoicus daarvan kakelt, maar is waarachtig en een verterend vuur, gelijk Mozes zegt, en verschrikkelijke bezoekingen dagelijks bewijzen en Adam en Eva ook meer dan eenmaal ondervonden hebben. In dezen waarachtigen toorn legt zich de eeuwige Zoon Gods voor den Eeuwigen Vader neer, bidt, dat dit schepsel niet in eeuwigheid verdelgd worde en opdat aan de goddelijke gerechtigheid genoegdoening worde gegeven, wil hij de straf en de voldoening voor ons op zich nemen. Dat is een openlijk getuigenis van groote en onuitsprekelijke liefde.
„In de derde plaats moet acht gegeven worden op dit getuigenis van Gods groote liefde. Na den mensch aangenomen te hebben, wil God zijn beeld en gelijkenls wederom in ons vernieuwen en geeft ons zijn Heiligen Geest, die wezenlijk in ons woont en wenkt; Hij is de vlam, die ons gemoed en hart weder tot den Vader en den zoon trekt, dat wij den eeuwigen Vader, Zoon en Heiligen Geest recht kennen en het beeld Gods wederom in ons hersteld worde en wij in God ons eeuwig verblijden en leven. En waar de Heilige Geest wezenlijk is en werkt, daar is ook de gansche Godheid".
Wij hebben enkele uitdrukkingen onderstreept, opdat men in het bizonder deze vergelijke met wat ds. Diemer van Melanchton zegt, n.l. dat hij het beeld Gods in hoofdzaak doet opgaan in de gerechtigheid en deze niet het essentieele leven Gods in den mensch is, want dat bezit hij niet, maar de geschiktheid om de hem ingeschapen natuurwet te onderhouden.
Dat Melanchton het beeld Gods in hoofdzaak doet opgaan in de uitbeelding der deugden Gods in den mensch, is juist, maar dat doen alle hervormers, ook Bullinger en Calvijn, gelijk we reeds aantoonden, en eveneens onze Catechismus, die zegt, dat naar het beeld Gods geschapen te zijn beteekent geschapen te zijn in ware kennis, rechtvaardigheid en heiligheid.
Daarenboven erkennen alle hervormers, dat het beeld Gods niet alleen in het welzijn van den mensch is uitgedrukt, maar ook in zijn zijn. Dit onderscheid is later weergegeven met het onderscheid tusschen het beeld Gods in engeren en in ruimeren zin. Bullinger zoekt het in de onsterfelijkheid des menschen, maar Melanchton ziet de dingen in dit opzicht m.i. zuiverder, als hij de kennis van God en van de natuurlijke dingen als getal en orde b.v. toeschrijft aan den zelfden Geest der wijsheid. Daardoor drukt hij op andere wijze uit, wat Calvijn te kennen geeft als hij de verlossingsMiddelaar tevens de scheppings-Middelaar noemt. Zij verzetten zich daardoor tegen het dualisme van Rome, dat scheiding maakt tusschen natuur en genade, tusschen de mensch naar zijn zuivere natuur, als behoorende tot de natuurlijke en dus lagere oude, en het beeld Gods, dat behoort tot de bovennatuurlijke orde.
Totaal ongegrond is echter de opmerking van ds. Diemer, dat de gerechtigheld van den oorspronkelijken mensch bij Melanchton niet het essentieele leven Gods in den mensch is, wijl hij dat niet bezit. Als deze hervormer leert, dat God in den mensch woont, dat Hij den mensch zijn Heiligen Geest heeft gegeven, dat God zich in den mensch verblijdt en de mensch in God z ij n vreugde en zijn leven vindt, dan weet ik niet, hoe iemand kan zeggen, dat volgens Melanchton de mensch het leven Gods niet deelachtig was.
Tenzij — en hier moet grooten nadruk op worden gelegd, omdat dit in de leer van de wedergeboorte terugkeert — tenzij ds. Diemer met het essentieele leven Gods in den mensch mocht bedoelen, dat dit leven Gods in den mensch een zelfstandig substantieel (bestaan heeft, dat in den mensch gelegd, als een bron het leven uit zich voortbrengt. Maar dan moet ik opmerken, dat deze leer niet alleen niet bij Melanchton, maar bij geen enkelen hervormer wordt aangetroffen. Naar schriftuurlijk inzicht schrijven zij het geestelijk leven, het leven des geloofs en der liefde, toe aan den Heiligen Geest, die dit leven niet schept als een substantieele substantie, die in den mensch wordt ingebracht, maar die dit leven verwekt door van den mensch bezit te nemen en in hem te wonen en te werken en te blijven werken.
In een volgend artikel hopen wij over een ander bezwaar van ds. Diemer tegen Melanchton te handelen in verband met het begrip natuurwet, maar uit wat wij gezegd hebben, kan reeds deze conclusie getrokken worden, dat een van de peilers, waarop de maatstaf van ds. Diemer rust, verzakt is. Hij ziet verschil, waar geen wezenlijk verschil is, en deze verkeerde zienswijze heeft hem geleid tot een verkeerde beoordeeling van de ontwikkeling der verbondsgedachte.

O. a/d IJ.
Woelderink

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 december 1935

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

HET VERBOND GODS MET DEN MENSCH

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 december 1935

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's