De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJKE RONDSCHOUW

KOHLBRUGGE’s LEER

9 minuten leestijd

van den ouden en den nieuwen mensch
IV.

Toen Kohlbrugge, na zijn proponentsexamen (29 Oct. 1826) tot hulpprediker benoemd was, begon hij met ijver en moed te prediken. Hij stelde zijn predikatiën „opdat er leven in de doodsbeenderen mocht komen", „meer biddend, dan studeerend op". (Het'Lidmaatsichap, bladz. 2 en 3). Zij waren zéér ernstig. Hij wist zich gezant Gods te zijn, om van Godswege te waarschuwen, wetende dat het bloed, van zijn hand zou geëischt worden. Ezechiëls boodschap, om te roepen : „Zoo waarachtig als Ik leef, zegt de HEERE, Ik heb geen lust in uwen dood" en Paulus' woord : „wee mij, zoo ik het Evangelie niet verkondig", „branden mij onder het prediken altoos op het hart" zegt hij. (Het Lidmaatschap, bladz. 2 en 3). Dit komt b.v. duidelijk uit in de predikatie over Jes. 53 vers 5, waar we lezen : „Ach, mijne geliefden, het ligt mij zoo zwaar op het hart, wat de Geest Gods spreekt: Gij menschenkind, als ik tot den goddelooze zeg, gij moet den dood sterven en gij waarschuwt hem niet en zegt het hem niet, opdat de goddelooze zich voor zijn goddeloos doen wachte, dat hij levend blijve, zoo zal de goddelooze wegens zijne zonden sterven, maar zijn bloed zal Ik van uwe hand eischen. Geroepenen tot het inzien van uw eigen verderf, hoort het dan in geloove, gevoelt uwe nietigheid en uwe zondigheid ; bidt, doet den Hemel geweld aan, dat de Geest van God uwe oogen opene; leest met een heilbegeerig hart wat er geschreven staat, enz." En verder: „Geliefden ! ach, dat ik Elia's vuur van boven kon bidden, vuur doen nederdalen uit de hoogte, ik strooide het uit in uwe harten, in mijn eigen hart; niet koel zijn, niet lauw zijn, moesten wij ; neen, branden moesten wij door het zaligmakend geloof, branden zeg ik, en gloeien en blaken van innige, heilige onuiitbluschbare liefde tot onzen Verlosser ; beminnen moesten wij Hem, uit liefde tot Hem, die ons zoo lief heeft gehad, dat Hij Zichzelven voor ons in den dood gaf; leven moesten wij voor Hem. alleén, los van de wereld, in ootmoed en zachtmoedigheid, schrikkende voor de zonde, met moed den vijand onzer ziel het hoofd bieden, staan in het geloof, mannelijk, vast en ongeschokt, hemelsch gezind.zijn, ons zelven verloochenen" enz.
In het folioboek, waarin Kohlbrugge zijn eerste predikaties schreef, kan men lezen over welke Schriftuurpiaatsen hij het eerst gesproken heeft. Behalve de reeds genoemde teksten zijn het: Gal. 5 vers 15—24 (gehouden 27 Aug. 1826), onderwerp: „Het wandelen en strijden in den Geest". Zacharia 3 vers 1—5 (Woensdagavond 8 Nov. 1826) : Jozua de hoogepriester. Psalm 16 vers 8 (10 Jan. 1827), onderwerp: „Te wandelen gelijk Christus gewandeld heeft en God voor oogen te houden". In deze preek staat o.a.: „Geliefden, het kan er in dit jaar op aan komen, stellen wij ons den Heere voor oogen. Hij kan ons dit jaar den beker des lijdens op de hand zetten en ons dit jaar met deszelfs droesem drenken, enz." Weinig bevroedde Kolhbrugge, dat hem in dat zelfde jaar (1827) wachtte : beschuldigd en geschorst te worden ! 1 Maart 1827 hield hij een preek over „Gethsémané". In deze predikatie zegt hij : nog niet dat inzicht in het lijden van den Verlosser te hebben, om het waardig genoeg voor te stellen" ; „maar, hebt geduld met den jongeling, wat Gods genade hem gegeven heeft, deelt hij u volgaarne mede". Ook een preek over Col. 3 vers 3 werd gehouden. Onderwerp: „Het verborgen leven met Christus in God en het dood zijn voor alles wat buiten Hem is". Verder werden gehouden predikaties over Jes. 53 vers 5 ; onderwerp : „'s Heilands borgtochtelijk lijden", en over Hand. 19 vers 2, onderwerp: „Hebt gij den Heiligen Geest ontvangen? "
In deze preeken heeft Kohlbrugge zijn ziel gelegd. Hij wordt er uit gekend, zooals hij in dien tijd was. Ze gingen allen en altijd „over onze volslagen ellende, de almacht des Heiligen Geestes, boete en bekeering, de gevaarlijkheid eener doode orthodoxie, waarbij de vleeschelijke gerechtigheid altijd weer om den hoek komt kijken, de noodzakelijkheid van een levend geloof, de wedergeboorte door almachtige en alléénwerkende genade, waardoor een zondaar door God uit den dood overgezet wordt in het leven, de rechtvaardiging eens zondaars voor God door het geloof alleen, de eenig .geldende .gerechtigheid van Christus, de onveranderlijke trouw van God".
Aan de eene kant brachten deze preeken hem vrienden, aan de andere zijde wekten zij veler (bitteren haat jegens' hem op, wat ons In den tijd van moraalpreeken niet verwonderen moet. Sommigen hielden hem voor Gereformeerd en verdachten hem van „samenspanning met de Dacostianen". Anderen beschouwden hem, waar ze aangetast werden in hun zelfwerkzaamheid, vleeschelijke hoogmoed en eigengerechtigheid, als „verbijsterd in het brein" of „lijdende aan een galachtig hart". (Tegen deze beschuldigingen verdedigt hij zich in de predikatie over Gal. 5 vers 15—24, gehouden 27 Aug. 1826). Niet weinigen was zijn rede „hard om te hooren". Want hij spaarde den zelfgenoegzamen natuurlijken deugdmensch niet. De benamingen van „kinderen des toorns", „erfgenamen der hel", „verdoemelijken voor God", „uit den vader den .duivel", „geen goed inzicht hebbende" en dergelijke meer, zijn immer den onherboren mensch een aanstoot geweest, opkomst en glorie van de Groninger richting !) Met zeldzame juistheid legde hij daarbij de sluipwegen van het arglistig hart bloot, zoodat velen in hun verborgen zonden zich meenden te zien tentoongesteld.
De vijandschap jegens hem nam gestadig toe. Men kon en wilde hem, in de dagen van de Groningsche theologie, in zijn Schriftuurlijke prediking, met den strengen eisch der gerechtigheid Gods, niet verdragen. Kohlbrugge klaagt in die dagen er telkens over, dat hij allerwegen haat en vijandschap ontmoet; zoo vooral in zijn gedicht aan zijn verloofde, 1826. Br werden zelfs „moordenaren" op hem afgezonden. In dezen tijd valt wellicht ook, hetgeen Zahn meedeelt (Aus dem Leben eines reformierten Pastors, 2de ed. p. 247), n.l. dat Kohlbrugge eens een étui met scheermes gezonden werd met het verzoek er aanstonds gebruik van te maken en zich voortaan zelf te scheren. Zoo deed hij. Den volgenden morgen kwam de gewone barbier, die nu van Kohlbrugge de mededeeling ontving, dat hij niet meer behoefde te komen, daar hij zich voortaan zelf zou scheren. Ontsteld liet de barbier zijn mes vallen ! Na langen tijd werd Kohlbrugge aan een sterfbed geroepen. Het was dat van zijn barbier, die nu bekende hem op dien bewusten dag met een vergiftigd mes te hebben willen dooden !
Men zocht hem bij de gemeente verdacht te maken wegens Calvinisme, Mysticisme, Piëtisme, dweperij enz. (Het Lidmaatschap, bladz. 4). Dit klemde te meer, doordat Kohlbrugge, al is hij goed Luthersch, toch de Luthersche Dogmatiek zooveel mogelijk liet rusten en tot Luther zelf terugging, waardoor inderdaad andere klanken gehoord werden dan men in die dagen, vol van moraalprediking, in de kerkelijke kringen gewoonlijk te beluisteren kreeg. Kohlbrugge was kind van het Reveil; en als zoodanig plaatste hij met kracht de tegenstelling tusschen zonde en genade op den voorgrond. En dat zagen de dorre Lutherschen voor Gereformeerd en voor dweperij aan ! (We zijn in de  dagen van 1826, met de opkomst en glorie van de Groninger richting !)
Door onkunde en vijandschap voelde men het gansch verkeerd aan bij Kohlbrugge wat hij leerde. Het was bij hem de Waarheid, die hij putte uit de Heilige Schrift bij het licht des Heiligen Geestes. Met innig zielservaren van Gods gerechtigheid en het geloof in de verzoening des zondaars in en door Jezus Christus, ontsloot hij Gods Woord en niets dan Gods Woord. Het was hem te doen om de ontdekking ook van de meest verborgen eigengerechtigheid, tot machtige troost voor de verslagenen van harte. En dat was niet zijn theologie, maar dat was de godgeleerdheid van Paulus, van Luther, en ook van de Gereformeerde Hervormers, van den Heidelbergschen Catechismus, met name wat in het 1ste antwoord staat over den eenigen troost eens christens, beide in leven en sterven, en wel : „dat ik met lichaam en ziel, beide in het leven en sterven, niet mijn, maar mijns getrouwen Zaligmakers Jezus Christus eigen ben, die met Zijn dierbaar bloed voor al mijne zonden volkomen betaald, en mij uit alle geweld des duivels verlost heeft". Of wat in het antwoord op de 60ste vraag (Zondag 23) staat aangaande het stuk der rechtvaardiging des zondaars. Daar wordt gevraagd : „Hoe zijt gij rechtvaardig voor God ? ", en het antwoord luidt: „Alleen door een oprecht, waar geloof in Jezus Christus; alzóó dat, al is het, dat mij mijn geweten aanklaagt, dat ik tegen al de geboden Gods zwaarlijik gezondigd en geen derzelve gebouden heb, en nog steeds tot alle boosheid geneigd ben, nochtans God, zonder eenige verdienste mijnerzijds uit loutere genade, mij de volkomene genoegdoening, gerechtigheid en heiligheid van Christus schenkt en toerekent, evenals had ik nooit zonde gehad, noch gedaan, ja, als had ik zelf al de gehoorzaamheid volbracht, die Christus voor mij volbracht heeft; in zooverre ik zulk eene weldaad met een geloovig hart aanneem".
Dat is „Kohlbruggiaansche theologie", waarvan Kohlbrugge echter zei, dat het niet zijn waarheid was, waarom men ook hem niet moest volgen, noch zich naar zijn naam noemen (briefwisseling 5 Mei 1834), want het was de waarheid van Gods Woord, welke waarheid hij niet bespiegelend met spitsvondige redeneeringen kende en predikte, maar die hij bevindelijk en levend met z'n ziel had leeren kennen en ervaren, zonder dat zijn theologie „ervaringstheologie" mocht heeten. Want tegen dezulken, die subjectief bij en uit den vromen mensch wilden leven, ging zijn strijd juist. Tegen geestdrijvers en dwepers, die met hun ervaring kwamen, toornde hij. Onze theologie mag niet opkomen uit onze ervaring, of door onze bevinding beheerscht worden, leerde hij. Het vroom gevoel mag geen bron of uitgangspunt zijn. Niet eigen bevinding, maar Gods Woord moet ten grondslag liggen. Al is het waar, dat Kohlbrugge er langs den weg van ontdekking, ervaring en bevinding, toe gekomen was, om deze reformatorische waarheid te prediken. Evenals de Hervormers, had hij het niet geleerd in den weg der bespiegelingen, maar langs den weg der ervaring. In den nood der ziel is de rust geboren in het Evangelie der genade, in Jezus Christus alléén.
Maar dat heeft men niet begrepen. En meer en meer begon het vuur van haat tegen den „dweper" te smeulen en te branden. En wat van Da Costa gezegd is, moet ook van hem gezegd - worden : „er zou een tijd komen van kamp en menig zuren gang, en lange ballingschap en doodsnood jaren lang".
(Wordt voortgezet).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 december 1935

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 december 1935

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's