De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

STAAT EN MAATSCHAPPIJ

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

STAAT EN MAATSCHAPPIJ

6 minuten leestijd

BIJBELKENNIS
Bij de behandeling van de Onderwijsbegrooting, die dezer dagen in de Tweede Kamer plaats had, is de belangrijke en interessante vraag aan de orde geweest, of opneming van het vak Bijbelkennis in het programma der Openbare Lagere School niet behoort plaats te hebben.
De leden der Kamer, die deze opneming bepleitten, ontvingen daarop dit antwoord van den Minister van Onderwijs : dat, hoewel de Regeering met groote belangstelling volgt hetgeen hier en daar wordt verricht om Bijbelkennis onder de leerlingen van de Openbare Scholen te bevorderen, en ook van meening is, dat de belangrijke beteekenis van zoodanig streven niet uitvoerig behoeft in het licht te worden gesteld, de Minister het opnemen van het vak Bijbelkennis in het programma van de Openbare Lagere School toch niet gewenscht achtte.
Dat de voorstanders van het geven van onderwijs in de Bijbelkennis op de Openbare Lagere School met dit antwoord van den Minister van Onderwijs niet tevreden waren, is op hun standpunt te begrijpen.
Zij wezen daarbij o.m. op de klachten, die in den laatsten tijd gehoord worden over de toenemende onwetendheid en onkunde van ons volk op Bijbelsch gebied en op het feit, hoe 't onlangs nog gebleken was, dat in Amsterdam van de 30 leerlingen van een Openbare School, 28 nog nooit van het leven, lijden of sterven van den Zaligmaker gehoord hadden. Daarom moesten de pogingen, die aangewend worden om, waar dit mogelijk is, in het programma van de Openbare School het onderwijs in de geschiedenis des Bijbels als leervak weer op te nemen, met kracht gesteund worden. Met de meening van den Minister, dat het geven van godsdienstonderwijs op de Openbare Lagere School moet blijven in handen van hen, in wier handen het sinds 1920 rust, waren zij het dan ook niet eens.
Dat het ontstellend gebrek aan kennis van den Bijbel, dat in breede kringen van ons volk moet geconstateerd worden, ten zeerste valt te betreuren, daarmede zal een ieder het eens zijn, die den geestelijken nood kent, waarin ons volk verkeert. Bovenal stemt dit gebrek droevig, om wat de Bijbel, de geopenbaarde Waarheid, ons biedt omtrent al datgene, wat de hoogste tijdelijke en eeuwige belangen des menschen raakt.
Maar, wanneer de Overheid zelf onderwijs geeft, aannemende, dat zij de taak werkelijk heeft om onderwijs in den Bijbel te doen geven, dan moet men — en zoo zeide het de Antirevolutionaire afgevaardigde in de Tweede Kamer, de heer Zijlstra — ook aanvaarden, dat die Overheid, als dienaresse Gods, dien Bijbel het gezag geve, dat hij van Godswege voor zichzelf vraagt. Dan kan de Overheid niet volstaan met te zeggen : het is toch zoo jammer, dat de kennis van de Bijbelsche geschiedenis zoo gering is, doch als zij onderwijs doet geven in Bijbelkennis, en zij plaatst dat als vak op het leerprogramma, dan moet zij er zich van verzekeren dat het onderwijs goed kan zijn. Zou zij zulks doen inzake rekenen en lezen en aardrijkskunde, en niet inzake de hoogste kennis, die van Gods Woord ? Zij zou dan ook van deze kennis een examenvak moeten maken en zich daarbij van tweeërlei hebben te vergewissen : dat de candidaat de leerstof kent, en dat hij den waarborg biedt, die leerstof in gehoorzaamheid aan de Heilige Schrift te kunnen onderwijzen. Met minder kan de Overheid als dienaresse Gods niet volstaan. Zij zal toezicht moeten houden door haar inspectie, ook over het geven van dit onderwijs.
Is dit alles mogelijk ?
Het zou mogelijk zijn, wanneer alle onderwijzers der Openbare School zich bogen voor de Schrift en van ganscher harte het onderwijs in Bijbelkennis konden geven, zooals de Bijbel zelf dit vraagt, en voorts dat alle ouders zulks ook zouden toejuichen.
Maar zoo zijn de toestanden niet.
Wij moeten de dingen zien, zooals zij zijn. En dan staat het vast, dat aan de begeerte om het vak Bijbelkennis in het programma der Openbare Lagere School op te nemen, niet kan worden voldaan, zelfs al zou de Minister van Onderwijs willen doen, wat thans gevraagd wordt.
Ook mr. Groen van Prinsterer stond niet op het standpunt van hen, die aandringen om Bij­belkennis in het programma van de Openbare Lagere School op te nemen.
En zou dit standpunt thans een ander zijn, nu sedert dien de toestand, voor wat begeerd wordt, niet gunstiger is geworden?
En, wanneer men nu zegt: maar is het dan niet erg, dat de Overheid op haar school het onderwijs in Bijbelkennis niet kan doen geven, dan is dat oordeel te onderschrijven, maar dan rijst de vraag, of dit geen reden is om te overwegen, of hier wel van een taak voor de Overheid sprake kan zijn en of het niet eerst dan goed zou zijn, als zij dit aan de daartoe aangewezen levenskringen in ons volk zou kunnen overlaten ? Het debat over deze materie zal ongetwijfeld verhelderend hebben gewerkt.

RECHT DOEN
Het gebeurde te Amsterdam met de opvoering van het tooneelstuk „De Beul" op Zondagmiddag, heeft terecht — en gelukkig ook — de ergernis van zeer velen In den lande opgewekt.
Algemeen is het in woord en geschrift afgekeurd, dat de burgemeester van Amsterdam tot de vertooning van het beruchte stuk toestemming gaf. Het is echter grootelijks onbillijk en het grenst haast aan kwade trouw, wanneer men, omdat de burgemeester van Amsterdam tot de Antirevolutionaire Partij behoort, deze Partij, voor wat in Amsterdam plaats vond, aansprakelijk stelt.
Zoo lazen we onlangs in een Weekblad :
„Na de „Zeven Provinciën" zal deze geschiedenis den Antirevolutionairen moeten heugen".
Door het gebeurde in de hoofdstad heeft het prestige der Antirevolutionaire Partij andermaal een gevoeligen knak gekregen".
Wat hier geschreven staat, kan de toets der eerlijkheid niet doorstaan.
Want evenmin als b.v. het Gereformeerde volk, wanneer een voorman uit zijn midden zich zou komen te misgaan of te misdragen, voor diens daden zou kunnen worden aansprakelijk gesteld, mag ook de Antirevolutionaire Partij niet schuldig worden verklaard voor wat de burgemeester te Amsterdam misdeed.
Doet men dit toch, dan pleegt men groot onrecht. Wil men recht en gerechtigheid voorstaan, zooals de schrijver in het Weekblad dit voor zijn persoon gaarne doet, dan moet men ook den tegenstander recht doen.
 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 januari 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

STAAT EN MAATSCHAPPIJ

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 januari 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's